Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3239

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
105.012.380/01 EB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU3786, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BU3786
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. Verzoek contactverbod ex artikel 1:253a lid 2 BW. Partijen zijn sinds 2003 met elkaar in conflict over de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. De strijd tussen partijen zijn zodanig verhard dat er sinds 2006 in het geheel geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen. De kinderen worden in de onderlinge strijd van de ouders betrokken en krijgen niet de mogelijkheid om onbelemmerd met beide ouders contact te hebben. Teneinde de impasse te doorbreken heeft het hof een ouderschapsonderzoek gelast. Uitkomst deskundigenbericht: systeemtherapie. Onvoldoende draagvlak voor systeemtherapie bij partijen, omdat zij ieder hun voorwaarden hieraan stellen. Verzoek wijziging hoofdverblijfplaats kinderen afgewezen. Het hof acht het gelet op de ernst van de situatie zoals deze zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld in het belang van de kinderen noodzakelijk de vader voor een bepaalde tijd (één jaar) een contactverbod op te leggen. Kosten deskundigenbericht. Vernietiging bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummer : 105.012.380/01

Rekestnummer : R07/1816

Rekestnr. rechtbank : 06-2202

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.R.M. van Kempen te Amsterdam,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.H. Haga te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

advocaat mr. E.M. de Lange te

VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof heeft op 25 februari 2009 een tussenbeschikking gegeven welke als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die beschikking is de behandeling van de zaak pro forma aangehouden en een beperkt ouderschapsonderzoek gelast. In het kader van dit onderzoek is mevrouw drs. B.A. de Vries (verder: de deskundige) tot deskundige benoemd. Voorts is bepaald dat hangende het onderzoek de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen wordt geschorst – zulks behoudens de interactiemomenten die in het kader van het deskundigenonderzoek zullen plaatsvinden – welke voorlopige regeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Nadien zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de deskundige is bij het hof op 9 november 2009 een tussenbericht aangaande het ouderschapsonderzoek van 28 oktober 2009 met bijlagen ingekomen;

- van de zijde van de vader zijn bij het hof op 7 december 2009 en 29 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen;

- van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 22 december 2009, 2 april 2010 en 9 april 2010 aanvullende stukken ingekomen;

- van de zijde van Jeugdzorg zijn bij het hof op 28 december 2009 en 9 april 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 14 april 2010 is de mondelinge behandeling, tezamen met de zaak met zaaknummer: 200.020.045/01, voortgezet. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Namens Jeugdzorg zijn verschenen: mevrouw [H.], bijgestaan door mr. E.M. de Lange. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, mr. E.M. de Lange onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De hierna te noemen minderjarigen: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling hun mening kenbaar te maken.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Gelet op de wettelijke terminologie zal het hof in deze zaak, daar waar partijen de term “omgang” hanteren deze opvatten in de betekenis van “toedeling van de zorg- en opvoedingstaken”, in het hierna volgende eenvoudigheidshalve aangeduid met het begrip contact of contactregeling.

2. In geschil is het verzoek tot wijziging van de contactregeling tussen de vader en de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [in] 1995 te [geboorteplaats], verder: [minderjarige 1];

[minderjarige 2], geboren [in] 1997 te [geboorteplaats], verder: [minderjarige 2];

[minderjarige 3], geboren [in] 1999 te [geboorteplaats], verder: [minderjarige 3];

[minderjarige 4], geboren [in] 1999 te [geboorteplaats], verder: [minderjarige 4];

hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

3. In haar schriftelijke reactie op het deskundigenbericht stelt de moeder dat zij zich niet kan verenigen met de inhoud daarvan nu de deskundige een aantal onjuistheden heeft opgenomen. Daarnaast motiveert de deskundige niet of onvoldoende waarom zij afwijkt van de adviezen van De Waag, het Haags Ambulatorium, Cardea, Feenstra, Jeugdzorg en de raad die van mening zijn dat contact niet dient te worden afgedwongen en dat er thans rust moet komen in het gezin van de moeder. Voorts motiveert zij niet waarom geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de kinderen bang zijn voor de vader en geen contact met hem wensen vanwege de ervaringen van huiselijk geweld die zij met de vader hebben. De moeder kan zich echter wel vinden in het voorstel van de deskundige dat gezinsbegeleiding zal plaatsvinden. Zij heeft immers ook na het advies van het Haags Ambulatorium verklaard met systeemgerichte therapie in te stemmen, met dien verstande dat als in de loop van het onderzoek blijkt dat contactherstel niet mogelijk is, dit ook niet zal worden afgedwongen en dat, indien contactherstel wel zal plaatsvinden, dit zorgvuldig wordt begeleid. Gelet hierop verzoekt de moeder het hof te bepalen dat systeemtherapie zal dienen plaats te vinden.

4. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof op 14 april 2010 is zijdens de moeder aanvullend verklaard dat de situatie van [minderjarige 1], inmiddels een jaar later, is verergerd. Uit onderzoek bij De Waag is bij hem de diagnose PDD-NOS gesteld. Er is nu duidelijkheid gekomen in de problematiek van [minderjarige 1]. De moeder heeft hem aangemeld op een school voor bijzonder onderwijs, zodat van daaruit kan worden gekeken wat de juiste behandeling is. Hopelijk zal de vader hiervoor zijn toestemming verlenen. Ten aanzien van de omgang handhaaft de moeder haar standpunt zoals verwoord in voormelde schriftelijke reactie op het deskundigenbericht.

5. In zijn schriftelijke reactie op het deskundigenbericht stelt de vader dat hij zich kan vinden in de door de deskundige voorgestelde systeemtherapie onder begeleiding van twee deskundigen. Van uitsluitend begeleiding door en medewerking van Jeugdzorg en/of de Waag valt, naar de mening van de vader, onvoldoende te verwachten. De Waag heeft de vader nog nooit gesproken, terwijl Jeugdzorg, althans de gezinsvoogd, ook na de laatste zitting geen contact heeft opgenomen met de vader. Jeugdzorg heeft ondanks de instructie van het hof en de conclusie van de deskundige tot op heden niet meegewerkt aan contactherstel. De vader wenst zo snel mogelijk te komen tot contactherstel en in te gaan op begeleiding van het contact tussen hem en de kinderen door de deskundige en een collega van haar. Het hof wordt in overweging gegeven om tevens in de te wijzen tussenbeschikking een dwangmiddel, te weten: gijzeling, op te nemen voor het geval de moeder haar noodzakelijke medewerking aan het contactherstel niet verleent. Als er gezinshulp nodig is en de moeder weigert dat, dan is de oplossing om de vader en zijn huidige vrouw fulltime voor de kinderen te laten zorgen.

6. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof op 14 april 2010 is zijdens de vader aanvullend verklaard dat hij de bij [minderjarige 1] gestelde diagnose betwist. Vooreerst is hij in het geheel niet op de hoogte gesteld van het onderzoek of in het kader daarvan geraadpleegd. Hij heeft geen antwoord gekregen op de vraag of het onderzoek is uitgevoerd door een BIG-geregistreerde deskundige. Bovendien is uit eerder door het Haags Ambulatorium op gedegen wijze uitgevoerde onderzoek geen psychische stoornis bij [minderjarige 1] vastgesteld. Door [minderjarige 1] op bijzonder onderwijs te plaatsen wordt hij in een hokje geplaatst waar hij niet thuishoort. Uit het onderzoek van het Haags Ambulatorium is naar voren gekomen dat hij behoefte heeft aan een persoon die gezag uitstraalt; het is beter dat een gezaghebbend persoon zoals de vader hem ondersteunt. Ten aanzien van het deskundigenbericht merkt de vader nog op dat het advies van de deskundige als uitgangspunt heeft te gelden, waarbij geen rol is weggelegd voor Jeugdzorg. Gelet op de ervaringen uit het verleden heeft de vader er geen vertrouwen in dat de moeder zich kan vinden in het traject van de deskundige en hieraan gevolg zal geven. Zij heeft tot op heden geen medewerking verleend aan contactherstel, laat staan dat zij de kinderen bij de vader laat wonen.

7. Namens Jeugdzorg is in reactie op het deskundigenbericht gesteld dat geconstateerd moet worden dat uitzicht op een doorbreking van de impasse waarin de ouders en daardoor de kinderen verkeren, niet mogelijk blijkt. Voorts moet erkend worden dat het ouderschapsonderzoek gedeeltelijk is mislukt, omdat tijdens het onderzoek niet zoals beoogd observatie heeft plaats kunnen vinden van de interactie tussen de vader en de kinderen. Zodoende, stelt Jeugdzorg, kan geconcludeerd worden dat het voor de ouders niet mogelijk blijkt vorm en inhoud te geven aan hun ouderschap. De kinderen worden hiervan de dupe. Desondanks ondersteunt Jeugdzorg het standpunt van de deskundige waarin zij systeemtherapie als mogelijke gezinsbegeleiding voorstelt. Jeugdzorg ziet systeemtherapie als mogelijkheid om te komen tot inzicht in en begeleiding van ieder individu afzonderlijk en in relatie tot elkaar. Dit is echter uitsluitend mogelijk indien alle partijen bereid en in staat zijn hieraan hun onvoorwaardelijke medewerking te verlenen. Desgevraagd is namens Jeugdzorg verklaard dat een andere instantie dan Jeugdzorg vorm zou moeten geven aan de systemische therapie, omdat deze therapie een specifieke deskundigheid vereist. Daarnaast biedt Jeugdzorg de ouders in het kader van de ondertoezichtstelling hulp.

Deskundigenbericht

8. Het hof overweegt als volgt. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende. Partijen zijn sinds 2003 met elkaar in conflict over de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. In de periode tussen april 2003 en eind 2005 heeft er feitelijk nog contact tussen de vader en de kinderen plaatsgevonden. De strijd tussen partijen is in de loop der jaren zodanig verhard dat er sinds 2006, ondanks de bij echtscheidingsconvenant van 7 januari 2005 overeengekomen contactregeling en verschillende gerechtelijke uitspraken, in het geheel geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen. Partijen blijken niet in staat met elkaar in overleg te treden en op een normale wijze met elkaar te communiceren. Zij kijken verschillend op hun relatie terug en blijven om hen moverende redenen volharden in hun standpunten. De kinderen worden in de onderlinge strijd van de ouders betrokken en krijgen niet de mogelijkheid om onbelemmerd met beide ouders contact te hebben. Door de ingrijpende gebeurtenissen in het gezin en het onvermogen van de ouders om constructief met elkaar om te gaan en als ouders samen te functioneren, worden de kinderen in hun sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigd. Teneinde de ouders te sturen naar de belangen van de kinderen en contact tot stand te brengen is in 2007 een ondertoezichtstelling over de kinderen uitgesproken. Het hof stelt vast dat desondanks geen verbetering in de situatie heeft plaatsgevonden, aangezien er tot op heden geen contact tussen de vader en de kinderen heeft plaatsgevonden.

9. Teneinde de impasse te doorbreken heeft het hof bij tussenbeschikking van 25 februari 2009 een ouderschapsonderzoek gelast. Naast beantwoording van de door het hof gestelde onderzoeksvragen heeft het onderzoek tot doel gehad de communicatie tussen de ouders te verbeteren of te herstellen, zodat de onderlinge zelfredzaamheid van de ouders en het onderlinge oplossende vermogen van de ouders zowel individueel als gezamenlijk toenemen toeneemt, opdat de ouders samen of in overleg in het belang van de kinderen en van elkaar en rekening houdend met de wensen van de kinderen en de wensen van elkaar, beslissingen kunnen nemen.

De opdracht behelst niet de beantwoording van diagnostische onderzoeksvragen. De vragen zien op onderzoek naar en het bevorderen van de mogelijkheden van partijen om met een groeiend vertrouwen in zichzelf en elkaar als ouders te leren omgaan met elkaar na scheiding, op afstand en op die wijze een verantwoord contact tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken. Het hof heeft er, anders dan de moeder, alle begrip voor dat de deskundige zich juist (zichtbaar) niet heeft laten leiden door de adviezen van De Waag, het Haags Ambulatorium, Cardea, Feenstra, Jeugdzorg en de raad. Afgezien van de vraag of de adviezen wel steeds zo eenduidig zijn, zou het meegaan met deze adviezen, voorzover inhoudende dat deze ouders hun verantwoordelijkheid nimmer tezamen zullen nemen, op voorhand iedere actie in die richting onmogelijk maken. Dat uiteindelijk iedere poging om in de bestaande situatie verandering te brengen, daaronder ook begrepen de niet geslaagde observatiecontacten tussen de vader en de kinderen gestrand is, valt de deskundige, naar maatstaven als door dit hof aangelegd, niet aan te rekenen.

10. Uit het deskundigenbericht komt - samengevat weergegeven - het volgende naar voren. De kinderen lijken zich met het verstrijken van de tijd zonder duidelijk aanwijsbare redenen steeds meer afwijzend naar de vader op te stellen. De opstelling van de kinderen is het gevolg van een onzorgvuldige echtscheiding en een voortduren van een symbiotische relatie van de ouders, waarbij de ouders communiceren op basis van dwang- en terugtrekbewegingen. De wijze waarop de kinderen zich distantiëren van de vader en de grove uitspraken die zij over de vader doen, lijken het gevolg te zijn van moeders gevoelens over haar door vaders toedoen overkomen onterechte behandeling c.q. mishandeling. Uit het onderzoek komt voorts naar voren dat de moeder onvoldoende in staat is gebleken om rekening te houden met de behoeften van de kinderen, ervan uitgaande dat contactherstel tussen de vader en de kinderen geïndiceerd is. De behoeften van de kinderen worden ondergeschikt gemaakt aan haar gevoelens van ongenoegen en het ontbreken van respect voor de vader. Voortzetting van deze situatie is traumatiserend voor de kinderen. Om dit patroon te doorbreken, zo vervolgt de deskundige haar rapport, is het belangrijk dat gedurende het vervolgtraject van onderhavig onderzoek de ouders het eigen aandeel in de ontstane situatie leren onderkennen en daar voor uit durven komen. Het is van belang dat de moeder communicatieve en sociaal-emotionele vaardigheden kan aanleren om de kinderen de ruimte te geven bij het leren omgaan met tegenstrijdige gevoelens die horen bij hun huidige gespleten loyaliteit. Evenzo belangrijk is dat [minderjarige 1] de ruimte krijgt van de vader om zonder druk open te staan voor en zorg te kunnen ontvangen van de Waag. Een mogelijkheid van gezinsbegeleiding kan eruit bestaan dat twee nauw samenwerkende deskundigen contactherstel op basis van een systemische benadering met behulp van mediationtechnieken en interventies uit de relatie- en gezinstherapie een plan van aanpak opstellen (hierna: systeemtherapie). Op basis van dit plan kan contactherstel tussen de vader en de kinderen gerealiseerd worden en vervolgd worden door begeleiding van de ouders en de kinderen. Zolang de moeder blijft weigeren om met de vader om de tafel te gaan, zoals het de deskundige is gebleken, is verbetering van de communicatie onmogelijk en blijft de situatie van gespleten loyaliteit, waarbij de kinderen voor de hoofdverzorgende ouder kiezen, gehandhaafd.

Systeemtherapie

11. Partijen hebben er ter terechtzitting blijk van gegeven voorstander te zijn van systeemtherapie zoals door de deskundige voorgesteld, maar blijken hier ieder voor zich voorwaarden aan te verbinden en hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de te benoemen deskundige. Mede gelet op het eerdere ten overstaan van de deskundige verwoorde standpunt van de moeder dat zij niet met de vader in gesprek wil, is het hof van oordeel dat bij partijen onvoldoende draagvlak bestaat om systeemtherapie vrijwillig aan te gaan en ziet het hof geen aanleiding de zaak op die basis aan te houden. Het hof ziet geen mogelijkheid de partijen het volgen van systeemtherapie dwingend op te leggen. Dit laat onverlet dat partijen op eigen gelegenheid dit traject kunnen volgen.

Wijziging verblijfplaats van de kinderen

12. Het hof zal voorts ingaan op het meest verstrekkende verzoek van de vader om over te gaan tot een tijdelijke wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, indien de moeder blijft weigeren de opgelegde contactregeling na te komen. Het hof acht het, gelet op de leeftijd van de kinderen, de wijze waarop zij de situatie beleven en de destructieve wijze waarop de strijd tussen de ouders al jaren gaande is, onverantwoord om nu wijziging te brengen in de verblijfplaats van één of meer van de kinderen.

Contactregeling

13. Ten aanzien van de verzoeken van de moeder overweegt het hof als volgt. Het hof leest het (gewijzigde) verzoek van de moeder aldus, dat zij vraagt de vader een tijdelijk contactverbod op te leggen zoals bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, sub a, van het Burgerlijk Wetboek. In dit artikel is bepaald dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening over een kind de rechter een regeling kan vaststellen inhoudende een tijdelijk verbod aan een ouder om contact met het kind te hebben. Een dergelijk verbod kan de rechter uitsluitend vaststellen indien het belang van het kind dit vereist.

14. Het hof acht het gelet op de ernst van de situatie zoals deze zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld in het belang van de kinderen noodzakelijk de vader voor een bepaalde tijd een contactverbod op te leggen. Daartoe overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord en dat de kinderen lijden onder de strijd tussen de ouders. De verstoorde communicatie tussen partijen heeft de ontwikkeling van de kinderen ernstige schade toegebracht. Zij hebben inmiddels zes jaar geen contact meer met de vader en vertonen in toenemende mate gedragsproblemen. Partijen zijn tot op heden niet in staat gebleken in het belang van de kinderen hun onderlinge strijd te staken en de onderlinge verhoudingen te normaliseren. Daartoe neemt het hof in het bijzonder nog in aanmerking dat de vader er ter terechtzitting blijk van heeft gegeven moeite te hebben met de bij [minderjarige 1] gestelde diagnose en deze nadrukkelijk te betwisten. Hoewel het hof vooralsnog geen aanleiding ziet de onderzoeksresultaten in twijfel te trekken, constateert het hof ook dat de vader niet volledig geïnformeerd is over de gang van zaken bij het onderzoek. Desalniettemin vergt het belang van [minderjarige 1] dat hij voor zijn problemen kan worden behandeld, waarbij erkenning van de ernst van de gedragsproblemen en het voeren van een gemeenschappelijk beleid, gericht op welzijn van het kind door beide ouders noodzakelijk is. Uit het voorgaande blijkt dat zowel de vader als de moeder in het kader van hun onderlinge strijd voorbij gaan aan de belangen van de kinderen. Het hof ziet geen mogelijkheid meer deze impasse te doorbreken en acht het noodzakelijk in het belang van de kinderen dat zij door middel van een contactverbod uit deze strijd worden gehaald. Het hof zal een contactverbod opleggen voor de duur van één jaar, waarbij het hof ervan uitgaat dat partijen gebruik maken van deze tijd om hun onderlinge verhoudingen te verbeteren en de kinderen daarbij te ontzien.

15. Gelet op het voorgaande behoeven de overige grieven geen behandeling meer, nu deze niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel.

Kosten van de deskundige

16. Gelet op de door de deskundige overgelegde rekening ter zake van het ouderschapsonderzoek, stelt het hof hierbij de vergoeding van de deskundige mevrouw drs. B.A. de Vries vast op € 4.000,- (inclusief BTW) zoals door haar is verzocht. Het hof stelt tevens vast dat voornoemd bedrag inmiddels aan de deskundige is voldaan.

17. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET INCIDENTELE EN PRINCIPALE APPEL

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

verbiedt de vader om gedurende één jaar, te rekenen vanaf heden, contact met de kinderen te hebben;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

stelt de kosten van het deskundigenbericht vast op € 4.000,- (inclusief BTW) en verstaat dat de griffier van dit hof dit bedrag reeds aan de deskundige heeft voldaan;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Dusamos en Linsen, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.