Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3232

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
105.006.447/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsconvenant tot stand gekomen door aanbod en aanvaarding ervan? In casu is het aanbod van de man herropen vóór de vrouw het aanbod heeft geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 105.006.447/01

Rolnummer rechtbank : Ha Za 06-113

Arrest van de familiekamer, d.d. 12 januari 2010

inzake

[appellant],

wonende te Rotterdam-Hoogvliet,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.J. Michielsen te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.A.R. Dijkers te Hellevoetsluis.

Het geding

Bij exploot van 14 mei 2007, met één productie, is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 februari 2007, door de rechtbank te Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft de man zes grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord (met twee producties) heeft de vrouw de grieven bestreden.

De vrouw heeft haar procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor zover de man geen grieven heeft gericht tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 2 in het bestreden vonnis, gaat het hof uit van die feiten.

In aanvulling daarop gaat het hof uit van de volgende vaststaande feiten.

a. De (toenmalige) raadsman van de man heeft aan de (toenmalige) raadsman van de vrouw een door de man ondertekend convenant toegezonden bij brief van 25 april 1996 met de tekst:

“Zoals hedenmiddag telefonisch besproken, zend ik u bijgaand in tweevoud het door cliënt ondertekende echtscheidingsconvenant.

Naar ik aanneem, zal uw cliënte thans voor ommegaande ondertekening zorgdragen, waarna ik gaarne een door beide partijen ondertekend exemplaar retour ontvang.

In afwachting van uw berichten, “

b. Bij brief van 25 september 1996 heeft de (toenmalige) raadsman van de man aan de (toenmalige) raadsman van de vrouw het volgende bericht:

“Eind juli liet u mij weten het echtscheidingsconvenant getekend en wel aan mij te retourneren, waarna tot afwikkeling kon worden overgegaan. Tot op heden heb ik het convenant echter nog niet mogen ontvangen.”

c. Op 6 augustus 1999 heeft de (toenmalige) raadsman van de man aan de (toenmalige) raadsman van de vrouw het volgende medegedeeld:

“Het voorstel van uw cliënte heb ik met cliënt besproken. Het is voor hem niet acceptabel.

Uw cliënte dient zich te realiseren dat de woning thans zo’n geschatte waarde van f 800.000,-- à f 900.000,-- heeft.

Cliënt kan ermee akkoord gaan dat de woning aan uw cliënte wordt toegescheiden, doch hij is niet bereid nog enige betaling te doen. Toescheiding van het onroerend goed dient te geschieden op de wijze, zoals in het convenant opgenomen, in die zin dat uw cliënte er haar medewerking aan zal verlenen dat zij niet langer als begunstigde zal worden aangemerkt met betrekking tot de levensverzekeringovereenkomst, afgesloten met Stad Rotterdam.

Volledigheidshalve kan ik u laten weten dat mijn cliënt zich op geen enkele wijze meer gebonden acht aan de inhoud van het echtscheidingsconvenant. Zijn eerdere voorstellen zijn vervallen.

Is dit voorstel voor uw cliënte niet acceptabel, dan zal er gescheiden en gedeeld moeten worden.”

d. Op 30 september 2003 heeft notaris mr. B.J. van der Kolk zich tot de man gewend met een concept-akte inzake de toedeling van de woning aan de vrouw van de woning. De raadsman van de man heeft daarop bij brief van 3 oktober 2003 geantwoord, dat de man ontkent dat er tussen partijen bindende afspraken zijn gemaakt omtrent de toedeling van de woning aan de vrouw.

2..In het bestreden vonnis heeft de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad in conventie, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde:

- de man bevolen om binnen dertig dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan het passeren van de notariële akte tot verdeling van de tussen partijen (nog gedeeltelijk) bestaande onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap;

- bepaald, dat indien de man niet verschijnt voor de notaris, teneinde mee te werken aan het passeren van voornoemde akte, dan wel, verschenen zijnde, mocht weigeren aan het transport mee te werken, dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van de man, inhoudende zijn instemming met de inhoud van voormelde notariële akte, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:300 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek;

- de man veroordeeld om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van Euro 45.378,02.

Voorts heeft de rechtbank in dat vonnis het in reconventie gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

3. De man vordert het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen als ongegrond of onbewezen, met toewijzing van de reconventionele vordering in eerste aanleg van de man en met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

De reconventionele vordering van de man in eerste aanleg strekte ertoe te bepalen dat de waarde van de onroerende zaak [gelegen] te Rhoon tussen partijen geleidelijk (het hof leest: gelijkelijk) wordt verdeeld waarbij de onroerende zaak in dat verband aan de vrouw kan worden toegescheiden, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in reconventie.

4. De man voert in zijn grieven, in samenhang bezien, het volgende aan.

De rechtbank heeft onder de vaststaande feiten ten onrechte opgenomen dat het convenant later eveneens door de vrouw is ondertekend. De man heeft gemotiveerd gesteld dat hij nimmer een getekend exemplaar van het convenant heeft ontvangen. De vrouw heeft dit niet weersproken. Als vaststaand feit dient dan ook te gelden dat de man nimmer een door de vrouw getekend exemplaar van het echtscheidingsconvenant retour heeft ontvangen. Dit uitgangspunt is van cruciaal belang, nu de man zich op het standpunt stelt dat geen perfecte overeenkomst met betrekking tot de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap tot stand is gekomen. De man heeft een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst gedaan. Uit de brief d.d. 25 april 1996 van zijn raadsman is dat ook af te leiden. Het feit dat partijen voordien over een overeenkomst hebben onderhandeld, betekent nog niet dat partijen mondeling overeenstemming hebben bereikt. De man heeft zijn aanbod ingetrokken voordat de vrouw dit heeft aanvaard. Het stond de man op 6 augustus 1999 volledig vrij zijn voorstel niet langer gestand te doen.

Door te overwegen dat overeenkomsten niet in schriftelijke vorm behoeven te worden bevestigd om geldend te zijn, gaat de rechtbank uit van een stelling die niet door de vrouw is opgeworpen. De vrouw heeft niet gesteld dat sprake is van een mondelinge overeenkomst.

5. De vrouw betwist dat het door de man ondertekende convenant zoals dat aan de (toenmalige) raadsman van de vrouw op 25 april 1996 is toegezonden, slechts te beschouwen is als een aanbod. Partijen zijn enige tijd in onderhandeling geweest over de inhoud van het convenant. Er zijn twee andere concepten aan het convenant voorafgegaan. Uit de tekst van de brief van 25 april 1996 blijkt onomstotelijk dat de raadslieden namens hun cliënten op 25 april 1996 telefonisch (dus mondeling) overeenstemming hadden bereikt over de definitieve inhoud van het echtscheidingsconvenant. Dat blijkt enerzijds uit het feit dat het convenant al was ondertekend door de man en anderzijds uit het feit dat noch door de raadsman van de man noch door de raadsman van de vrouw enig voorbehoud is gemaakt ten aanzien van een nog door de vrouw te verlenen goedkeuring. De vrouw heeft het convenant destijds na ontvangst van haar raadsman ondertekend en retour gezonden. De vrouw stelt zich dan ook op het standpunt dat partijen op 25 april 1996 (in ieder geval) mondeling een perfecte overeenkomst hebben gesloten en dat de man daar later niet meer eenzijdig op terug kon komen. Dat de ondertekening door de vrouw op een later tijdstip is geschied, doet daar niet aan af, omdat de ondertekening slechts te beschouwen is als een bevestiging van de reeds mondeling gemaakte afspraken.

Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat het schrijven van 6 augustus 1999 de tussen partijen in het convenant vastgelegde afspraken omtrent de verdeling van de onroerende zaak onverlet laat. De raadsman van de man heeft immers bij deze brief ook bevestigd dat de toescheiding van de onroerende zaak aan de vrouw diende te geschieden op de wijze zoals in het convenant was opgenomen.

De vrouw was tijdens de comparitie van partijen op 15 augustus 2006 bereid af te zien van het bedrag van € 45.378,02, maar die bereidheid is inmiddels komen te vervallen.

6. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de stellingen van partijen niet kan worden afgeleid dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Nu de vrouw niet heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat van haar zijde het convenant is ondertekend vóór de brief van 6 augustus 1999 van de zijde van de man, moet ervan worden uitgegaan dat de brief van 25 april 1996 een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst betrof, welk aanbod op 6 augustus 1999 nog niet door de vrouw was aanvaard. De brief van 6 augustus 1999 moet worden beschouwd als een herroeping van het aanbod van de man. Dat de man kennelijk bereid was een deel van de afspraken in stand te laten, maakt niet dat deze afspraken als overeengekomen kunnen worden beschouwd. Veeleer moet een en ander worden gezien als een herzien aanbod tot het sluiten van een overeenkomst. Overigens is door de vrouw ook niet aannemelijk gemaakt dat dit herziene aanbod door haar aanvaard is.

Weliswaar heeft de vrouw in hoger beroep gesteld dat het schriftelijke stuk een bevestiging was van een mondeling gesloten overeenkomst, doch deze stelling kan haar niet baten, nu, anders dan de vrouw meent, uit de overgelegde stukken niet af te leiden is dat mondeling reeds – volledige – overeenstemming was bereikt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat vijf maanden na de brief van 25 april 1996 kennelijk nog steeds geen door de vrouw ondertekend exemplaar van het convenant aan de raadsman van de man was toegezonden en dat kennelijk ook de brief van 25 september 1996 niet tot toezending daarvan heeft geleid.

7. Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen van de vrouw als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.

8. Nu de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen de reconventionele vordering, anders dan door te verwijzen naar het volgens haar gesloten convenant, ligt deze vordering van de man voor toewijzing gereed, echter met uitzondering van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de proceskosten, zoals hierna zal worden overwogen..

9. Nu de man geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die ertoe zouden moeten leiden dat de vrouw dient te worden veroordeeld in de proceskosten van zowel de procedure in eerste aanleg als die in hoger beroep, ziet het hof, gezien de aard van de procedure, aanleiding de proceskosten te compenseren.

10. Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis door de rechtbank te Rotterdam tussen de partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende :

bepaalt dat de onroerende zaak [gelegen] te Rhoon aan de vrouw wordt toegedeeld;

bepaalt dat de waarde van de voornoemde onroerende zaak tussen partijen gelijkelijk wordt verdeeld;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. van Nievelt, van Dijk en de Haan-Boerdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010 in aanwezigheid van de griffier.