Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3133

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
22-006618-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een minister. Het hof is van oordeel dat er ongetwijfeld een zeker verband bestaat tussen de psychiatrische stoornis van de verdachte en het bewezenverklaarde feit, maar dat op grond van de rapportages van de gedragsdeskundigen onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit verband ten tijde van het feit zodanig was dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-006618-09

Parketnummers: 09-650052-09, 09-530266-09 en 09-413040-05

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 2 december 2009 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

[adres],

thans verblijvende in Amsterdam PPC te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 27 juli 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. (09-650052-09)

hij op of omstreeks 03 juni 2009 te 's-Gravenhage [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk een mes (te weten een Buck Knife) bij zich gedragen terwijl hij zich in de hal van het gebouw van de Tweede Kamer bevond (terwijl hij voornemens was naar een vergadering te gaan waaraan genoemde [aangever] deelnam) en/of (vervolgens) aan [politiesurveillant], surveillant van politie Haaglanden, dreigend de woorden toegevoegd dat hij niets te verliezen had en/of dat, wanneer hij het niet meer aan zou kunnen, hij zou afrekenen met (onder meer) genoemde [aangever], althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. (09-530266-09)

hij op of omstreeks 29 december 2008 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in Nederland, een persoon, genaamd [aangeefster], schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend die [aangeefster] een email gestuurd met daarin onder meer de woorden "Dringend wil ik met u een persoonlijk gesprek om tot een oplossing te komen. komt er geen geld voor de schade die ik door de overheid geleden heb dan kan ik zelfmoord plegen. Alleen zal ik echter niet gaan. Zolang u zich inzet voor mij en dit land hoeft het niet zover te komen. Jammer genoeg weet u niet wat er allemaal gebeurd in dit land maar dat wil ik u graag vertellen. Laat mij niet te lang wachten want dan is het misschien te laat.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de maximale duur van een jaar. De vordering tot ten uitvoerlegging is afgewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – dat de tenlastelegging niet voldoet aan de vereisten die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de tenlastelegging stelt, nu de door de verdachte gebezigde abstracte bewoordingen, zoals deze onder 1 en 2 zijn tenlastegelegd, geen begrijpelijke opgave van de feiten bevatten.

Naar het oordeel van het hof voldoet de dagvaarding, zowel ten aanzien van het onder 1 als 2 tenlastegelegde, aan de eisen van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De bewoordingen zijn voldoende feitelijk en begrijpelijk. Het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt dan ook verworpen. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot nietigverklaring van de dagvaarding, is de dagvaarding geldig.

Beslissing op de verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen en het laten verrichten van een contra-expertise

Door de verdediging is tijdens het pleidooi verzocht om [aangever] en [aangeefster] als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep te horen. Tevens is verzocht om een contra-expertise te laten verrichten ten aanzien van de conclusie dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar is, zoals neergelegd in het in eerste aanleg opgemaakte psychologisch en psychiatrisch rapport.

Het hof wijst de verzoeken af, nu deze ter terechtzitting in hoger beroep niet nader zijn onderbouwd. Overigens is de noodzaak niet gebleken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof gaat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde uit van de volgende omstandigheden.

De verdachte heeft zich op 3 juni 2009 begeven naar de Tweede Kamer om een commissievergadering bij te wonen. Het in zijn jas aanwezige mes, te weten een Buck Knife, heeft hij, nadat dit bij het scannen van zijn jas zichtbaar was geworden, afgegeven. Dit mes is geen wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie. Vervolgens heeft de verdachte de commissievergadering waar [aangever] aanwezig was, bijgewoond. Na afloop van de commissievergadering is de verdachte naar buiten begeleid door [politiesurveillant]. Hierbij is een min of meer terloops gesprek gevoerd van ongeveer 20 minuten, aangegaan door de politiesurveillant. De verdachte heeft zich in dit gesprek jegens de politiesurveillant uitgelaten als op de tenlastelegging vermeld. Als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, heeft [politiesurveillant] verklaard dat hij van deze opmerkingen een mutatie wilde maken, maar dat hij van hogerhand een proces-verbaal moest opmaken. Hij heeft de verdachte ter plaatse niet aangehouden.

Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande niet valt af te leiden dat de verdachte bij zijn uitlatingen het oogmerk had dat de politiesurveillant de uitlatingen ter kennis van [aangever] zou brengen, dan wel het besef had van de aanmerkelijke kans dat de politiesurveillant de uitlatingen zou overbrengen. De politiesurveillant heeft de gedane uitlatingen aanvankelijk ook niet van zodanige aard geacht dat daarvan proces-verbaal diende te worden opgemaakt. Ook dit wijst erop dat de wijze waarop de uitlatingen gedaan zijn en de aard van de uitlatingen niet als strafvervolging waardig werden ingeschat.

Daarbij is het hof van oordeel dat er geen verband bestaat tussen het dragen van het mes en de uitlatingen, nu het mes reeds geruime tijd vóór het gesprek met de politiesurveillant bij de beveiliging is afgegeven en uit het verhandelde ter terechtzitting ook overigens geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de verdachte het mes bij zich heeft gehad in verband met de uitlatingen jegens [aangever].

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voor het overige gaat het hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, bij gebreke van belang, voorbij aan de bespreking van de overige verweren van de raadsman, zoals omschreven in zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 december 2008 in Nederland [aangeefster], schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend die [aangeefster] een email gestuurd met daarin onder meer de woorden "Dringend wil ik met u een persoonlijk gesprek om tot een oplossing te komen. Komt er geen geld voor de schade die ik door de overheid geleden heb dan kan ik zelfmoord plegen. Alleen zal ik echter niet gaan. Zolang u zich inzet voor mij en dit land hoeft het niet zover te komen. Jammer genoeg weet u niet wat er allemaal gebeurd in dit land maar dat wil ik u graag vertellen. Laat mij niet te lang wachten want dan is het misschien te laat”.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu geen sprake is van bedreiging met enig misdrijf: uit het dossier valt niet af te leiden of en hoe [aangeefster] op de hoogte is geraakt van de gestelde bedreiging en de bewoordingen in de e-mail leveren geen direct dreigend gevaar voor [aangeefster] op. Bovendien is er sprake van slechts een e-mail, zonder dat blijkt van overige omstandigheden, zodat bij [aangeefster] geen redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou verliezen.

Het hof overweegt als volgt.

Een redelijke uitleg van de tekst van de e-mail, in onderling verband en samenhang bezien, brengt mee dat de verdachte, wanneer niet snel ingegaan wordt op zijn eisen/wensen, zelfmoord pleegt en daarbij een of meer anderen, waaronder [aangeefster] als aangeschreven persoon, meeneemt in de daad. Aldus houdt de tekst van dit bericht een bedreiging van [aangeefster] in, die gericht is tegen het leven. Hoewel de verdachte de e-mail heeft verstuurd naar het algemene e-mailadres van postbus 51, heeft hij het bericht desalniettemin gericht aan [aangeefster] persoonlijk. De verdachte heeft hiermee minstens bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bedreiging bij [aangeefster] zou aankomen. Blijkens het proces-verbaal van aangifte, d.d. 12 januari 2009, nummer PL15J2/2009/46-2 en de schriftelijke machtiging van

[aangeefster], d.d. 12 januari 2009, heeft het bericht [aangeefster] ook daadwerkelijk bereikt. Dit blijkt ook uit het gestelde in de aangifte omtrent de uitwerking van het bericht op [aangeefster].

Dat in dit geval alleen een e-mail met een bedreigende tekst is verzonden zonder dat er andere de verdachte betreffende omstandigheden zijn die van belang zijn voor de beoordeling van het tenlastegelegde feit, neemt niet weg dat de tekst van het bericht van zodanige aard is dat bij [aangeefster] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou verliezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het huidige publieke klimaat in het algemeen wordt gekenmerkt door een bepaalde nervositeit en angst voor agressie. In het bijzonder publieke figuren, politici en gezagsdragers worden geconfronteerd met de gevolgen hiervan. Dit is een feit van algemene bekendheid. Door onder deze omstandigheden een e-mail met een tekst als waarvan in dit geval sprake is aan de [aangeefster] te sturen heeft bij haar genoemde vrees kunnen ontstaan.

Het hof is derhalve van oordeel dat de verzending van de e-mail bedreiging oplevert als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof is op grond van het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en derhalve het bewezenverklaarde feit aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof heeft acht geslagen op het psychologisch rapport, d.d. 26 oktober 2009, opgesteld door W.J.L. Lander, psycholoog, het psychiatrisch rapport, d.d. 28 oktober 2009, opgesteld door H.E.M. van Beek, psychiater, en het psychologisch rapport, d.d. 4 juli 2007, opgesteld door B.E.A. van der Hoorn, psycholoog. Het hof neemt het advies van de twee eerst genoemde deskundigen om de verdachte op grond van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld in het kader van een psychotische stoornis Niet Anderszins Omschreven, ontoerekeningsvatbaar te verklaren niet over. Het hof is van oordeel dat er ongetwijfeld een zeker verband bestaat tussen de psychiatrische stoornis van de verdachte en het bewezenverklaarde feit, maar dat op grond van genoemde rapporten onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit verband ten tijde van het feit zodanig was dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Daarbij heeft het hof ook gelet op de omstandigheid dat de verdachte gedurende de periode na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis tot aan zijn detentie in staat is geweest niet te recidiveren. Bovendien blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep dat de verdachte over enig besef van zijn handelen beschikt en in zekere mate in staat is zich overeenkomstig zijn wil te gedragen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal een jaar.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [aangeefster], zoals bewezenverklaard. In de samenleving worden in toenemende mate publieke (gezagsdragende) personen met de dood bedreigd. Dergelijke zeer ernstige bedreigingen brengen in de samenleving grote onrust te weeg en ondermijnen bovendien de rechtsorde. Onvrede lijkt ook bij verdachte de drijfveer te zijn geweest voor het bedreigen van [aangeefster]. Door zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven louter oog te hebben gehad voor zijn eigen problemen en niet stil te hebben gestaan bij de vrees die hij daardoor heeft veroorzaakt bij degene die hij heeft bedreigd en de samenleving als geheel.

Voorts is de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 juni 2010, reeds eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Voorts acht het hof het geboden bij het voorwaardelijke gedeelte van de straf een bijzondere voorwaarde te stellen, die er toe strekt de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een soortgelijk strafbaar feit jegens gezagdragers. De voorwaarde is dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal dienen te houden aan de voorschriften hem gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 21 september 2007 onder parketnummer 09-413040-05 is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in overeenstemming met de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de niet-tenuitvoergelegde straf wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de stukken met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging onvolledig zijn.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat een op 2 (twee) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig oordeelt. Verstrekt aan deze instelling opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 21 september 2007 onder parketnummer 09-413040-05 opgelegde voorwaardelijke straf af.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein,

mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. A. Vasak.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 augustus 2010.