Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3115

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200.047.969-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Geen) partneralimentatie. Gerechtvaardigd voornemen om eigen onderneming te beginnen in plaats van WW-uitkering te blijven genieten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 14 april 2010

Zaaknummer : 200.047.969/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-6911

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.D.A. Geleijns te ‘s-Gravenhage,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.J.J.A. Ooms te Nieuwerkerk aan den IJssel.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 26 oktober 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 juli 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking).

De vrouw heeft op 21 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 11 december 2009, 18 december 2009 en 18 februari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 17 februari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 4 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door mr. M.R.P. Drielsma, een kantoorgenoot van zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. M.R.P. Drielsma onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 735,-bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw, hierna ook: partneralimentatie.

2. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking uitsluitend te vernietigen wat de vastgestelde partneralimentatie betreft en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vrouw om partneralimentatie af te wijzen, althans de partneralimentatie met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vast te stellen op nihil dan wel een lager bedrag dan de rechtbank heeft gedaan.

3. De vrouw voert verweer tegen het beroep van de man en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel de partneralimentatie op een zodanige bijdrage vast te stellen als het hof zal vermenen te behoren.

Behoefte van de vrouw

4. De man betwist niet dat aan de zijde van de vrouw behoefte bestaat aan partneralimentatie tot een bedrag van € 1.836,-- netto per maand, zodat de behoefte is komen vast te staan.

Behoeftigheid van de vrouw

5. De man stelt zich in zijn eerste grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de behoefte (naar het hof begrijpt: behoeftigheid) van de vrouw aan een aanvullende bijdrage naast haar eigen inkomen heeft bepaald op € 1.411,-- netto per maand. De man voert hiertoe aan dat het huidige inkomen van de vrouw weliswaar naar alle waarschijnlijkheid niet dusdanig is dat zij geheel in haar levensonderhoud kan voorzien indien uitgegaan wordt van een behoefte van € 1.836,--, maar dat haar inkomen wel hoger is dan ten tijde van de procedure in eerste aanleg het geval was, zodat de man uitsluitsel wenst over het huidige inkomen van de vrouw.

6. De vrouw betwist dat haar huidige inkomen hoger is dan ten tijde van de procedure in eerste aanleg en zij stelt dat haar inkomen niet is gewijzigd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij haar jaaropgave 2009 alsmede salarisspecificaties over de maanden januari en februari 2010 in het geding gebracht.

7. Het hof overweegt als volgt. De man heeft zijn eerste grief omtrent de behoeftigheid van de vrouw in hoger beroep niet nader onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat en de eerste grief van de man faalt.

Draagkracht van de man

8. Nu is gebleken dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, dient de draagkracht van de man te worden besproken.

9. De man stelt zich in zijn tweede grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW-uitkering) als uitgangspunt heeft genomen bij het berekenen van de draagkracht van de man, nu hij vanaf 8 december 2008 geen WW-uitkering meer heeft ontvangen.

10. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht het inkomen uit de WW-uitkering van de man als uitgangspunt heeft genomen voor de berekening van zijn draagkracht omdat de man zelf zonder klemmende reden heeft afgezien van een WW-uitkering en er sprake is van een voor herstel vatbare inkomensvermindering.

11. Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of bij het vaststellen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige al dan niet rekening wordt gehouden met een inkomensdaling, allereerst beoordeeld zal worden of het een door gedragingen van de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte inkomensdaling betreft. Tussen partijen is niet in geschil dat de man in de periode tussen maart 2007 en december 2008 een WW-uitkering heeft ontvangen. Tevens is niet in geschil dat de man in totaal aanspraak kan maken op zesendertig maanden WW-uitkering. De man heeft erkend dat hij zelf de vermindering van zijn draagkracht teweeg heeft gebracht doordat hij na eenentwintig maanden een WW-uitkering te hebben ontvangen, ervoor heeft gekozen om onder opschorting van zijn resterende aanspraak op vijftien maanden WW-uitkering - onder begeleiding van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) - zijn eigen onderneming (verder) te starten. Deze onderneming bevindt zicht thans nog in een prille fase en de man ontvangt daaruit (thans) nog nauwelijks inkomsten.

Het hof overweegt dat wanneer een onderhoudsplichtige door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen teweeg brengt, het bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven. Of een door eigen toedoen ontstane inkomensvermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal afhangen van de vraag of de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en of de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen. Nu de man op ieder door hem gewenst moment zijn ondernemersactiviteiten kan staken en aanspraak kan maken op zijn recht op vijftien maanden WW-uitkering, is het hof van oordeel dat sprake is van een zelf teweeggebrachte, herstelbare inkomensvermindering. Resteert nog de vraag of van de man kan worden gevergd dat hij zijn oorspronkelijke inkomen, bestaande uit een WW-uitkering, weer gaat verwerven.

12. Bij de beoordeling van de voormelde vraag of van de man kan worden gevergd dat hij zijn ondernemersactiviteiten staakt om aanspraak te maken op een WW-uitkering, dient in het bijzonder te worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Het hof overweegt hiertoe als volgt. In dit specifieke geval acht het hof het redelijk dat de man tot december 2011 - na welke maand zijn aanspraak op de opgeschorte aanspraken op een WW-uitkering zullen vervallen - de kans krijgt om zijn onderneming tot een succes te maken. Het hof is niet van oordeel dat de man zich uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de vrouw had behoren te onthouden (van het starten) van zijn ondernemersactiviteiten. Het hof respecteert de keuze van de man om, in plaats van niet te werken en tijdelijk een volle WW-uitkering te ontvangen of de onderneming gedeeltelijk voort te zetten en een gedeeltelijke WW-uitkering te ontvangen, zich volledig in te zetten om zijn onderneming tot bloei te laten komen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdere kansen van de man op de arbeidsmarkt thans, gelet op de leeftijd van de man en de huidige economische malaise beperkt zijn, zodat het ontvangen van een WW-uitkering het enige alternatief voor de man is. Voorts neemt het hof in aanmerking dat indien de onderneming van de man zal floreren, zijn draagkracht zal toenemen, hetgeen ook in het voordeel zal zijn van de vrouw. Tot die tijd zal de vrouw rond dienen te komen van haar eigen inkomen en het nog resterende vermogen uit de boedelscheiding. In het geval de man onverhoopt niet erin slaagt de onderneming tot een succes te maken, zal zijn WW-uitkering van december 2011 tot april 2013 herleven. Het hof gaat er overigens vanuit dat, zodra de financiële omstandigheden van de man verbeteren, hij alsdan zijn verantwoordelijkheid jegens de vrouw zal nakomen. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de inkomensvermindering van de man in aanmerking dient te worden genomen hetgeen tot gevolg heeft dat hij thans geen draagkracht heeft om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de vastgestelde partneralimentatie dan ook vernietigen.

13. Het hof gaat tot slot voorbij aan de door de vrouw weersproken en door de man niet nader onderbouwde derde en vierde grief met betrekking tot de door de rechtbank bij de draagkrachtberekening in acht genomen premie ziektekostenverzekering en de in de draagkrachtberekening opgenomen basishuur van € 207,--.

14. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw tot het toekennen van een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw, af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Van de Poll en Van Wijk, bijgestaan door mr. De Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2010.