Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2912

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
200.035.518.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang tussen grootmoeder en minderjarigen. Artikel 1:377a BW, zwaarwegende belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 juni 2010

Zaaknummer : 200.035.518/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-1349

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de grootmoeder,

advocaat mr. B. Wernik te Haarlem,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.G.H. Janssen te Leiden.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H. Oldenhof te ’s-Gravenhage.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid Holland Noord,

locatie ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De grootmoeder is op 12 juni 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 maart 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 7 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de grootmoeder zijn bij het hof op 24 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 2 juli 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Van de zijde van de vader is op 3 mei 2010 een brief ingekomen waarin hij – onder meer – te kennen geeft niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 12 mei 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de grootmoeder, strekkende tot het treffen van een regeling inzake de omgang tussen haar en de minderjarigen [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen), afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de grootmoeder en de minderjarigen.

2. De grootmoeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een omgangsregeling vast te stellen waarbij zij omgang heeft met de minderjarigen, één keer in de twee weken van 14.00 uur tot 16.00 uur, op een neutrale plaats, en waarbij zij één keer in de week telefonisch contact heeft met de minderjarigen, althans een zodanige regeling als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De grootmoeder stelt in haar eerste en enige grief – kort weergegeven – dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met de minderjarigen heeft afgewezen. Zij betwist dat er sprake is geweest van seksueel misbruik van de minderjarigen door de grootvader, haar echtgenoot, en zegt een omgangsregeling zonder de aanwezigheid van haar echtgenoot na te streven. Verder betoogt zij dat er in de eerste levensfase van de minderjarigen zeer intensief contact heeft plaatsgevonden tussen haar en de minderjarigen en dat de minderjarigen contact met haar willen. De grootmoeder acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank de raad niet om een onderzoek heeft verzocht.

4. De moeder heeft de stellingen van de grootmoeder gemotiveerd betwist. Zij benadrukt dat een omgangsregeling niet in het belang is van de minderjarigen gezien de familiaire verhoudingen en de gebeurtenissen in het verleden. Ook een onderzoek door de raad zou niet in hun belang zijn.

5. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek heeft degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot een minderjarige staat, recht op omgang. Gelet op hetgeen hieromtrent door de rechtbank is overwogen, waartegen geen van partijen heeft gegriefd, zal het hof ervan uitgaan dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootmoeder en de minderjarigen.

6. De moeder heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat [minderjarige 1] sinds een jaar in therapie is; onderzocht wat er in het verleden met [minderjarige 1] is gebeurd. [minderjarige 2] staat op de wachtlijst voor onderzoek en er zal binnenkort een intakegesprek volgen. Daarnaast wordt een contactregeling tussen de minderjarigen en hun vader opgebouwd. De minderjarigen zien hun vader één keer in de twee weken op woensdag bij, en onder begeleiding van, Cardea. Binnenkort zal deze regeling worden geëvalueerd. De grootmoeder heeft het voorgaande niet betwist. Gelet op de kwetsbaarheid van de minderjarigen, de therapie die [minderjarige 1] krijgt en het feit dat [minderjarige 2] binnenkort ook onderzocht zal worden, de contacten met de vader die nog in de opbouwende fase zitten, en de spanningen die de grootmoeder – zo is gebleken ter terechtzitting – oproept bij de moeder, is het hof van oordeel dat zo veel mogelijk rust en duidelijkheid moet worden gebracht in het leven van de minderjarigen. Onder deze omstandigheden en gelet op de wijze waarop de omgang volgens de grootmoeder gerealiseerd zou moeten worden, moet het op gang brengen van een omgangsregeling tussen de minderjarigen en de grootmoeder, mede gezien de ernstige bezwaren die de moeder daartegen heeft terwijl de minderjarigen van de moeder afhankelijk zijn om hun in de omgang te ondersteunen, in strijd worden geacht met zwaarwegende belangen van de minderjarigen. Het hof acht het niet aannemelijk dat een onderzoek van de raad tot een andere conclusie zal leiden.

7. Het vorenstaande brengt mee dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Mos-Verstraten en De Haan-Boerdijk, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2010.