Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2781

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-04-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
HV 200.051.863
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof acht op grond van bijzondere omstandigheden en positieve ontwikkelingen voortzetting schuldsaneringsregeling aangewezen ondanks op zich zelf op juiste gronden gegeven beslissing van de rechtbank tot tussentijdse beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch

Sector civiel recht

Uitspraak: 26 april 2010

Zaaknummer: HV 200.051.863/01

Zaaknummer eerste aanleg: R 07/535-536

in de zaak in hoger beroep van:

[X.], en [Y.]

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [X.] respectievelijk [Y.],

advocaat: mr. H.M. den Hollander.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Middelburg van 9 december 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 december 2009, hebben appellanten verzocht voormeld vonnis te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank voor voortzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.] en [Y.], bijgestaan door mr. Den Hollander.

Mr. J.L.M. Burlet, de bewindvoerder, is met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 25 november 2009;

- de stukken van de eerste aanleg;

- de brieven met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 30 december 2009 en 19 maart 2010.

3. De beoordeling

3.1. Bij vonnissen van 26 september 2007 is ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsanerings- regeling uitgesproken.

3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 16 april 2009 tussentijds beëindigd, nu appellanten een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen of door hun doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmeren dan wel frustreren.

3.3. De rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd. De bewindvoerder heeft appellanten meerdere malen schriftelijk gewezen op de boedelachterstand van tenminste € 828,28. Hierop heeft de bewindvoerder geen enkele reactie ontvangen. Evenmin hebben appellanten een voorstel gedaan voor het inlopen van de boedelachterstand. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien appellanten daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.

3.4. Appellanten hebben in hun beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd, dat zij zijn vastgelopen in de doolhof van regels. Omdat hun faillissement is omgezet in toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft begeleiding van Bureau Schuldhulpverlening en Budgetbeheer ontbroken. Ook voeren appellanten aan dat [Y.] in een fase van overspannenheid zijn baan heeft opgezegd, waardoor hij geen inkomen meer ontving. Appellanten erkennen dat sprake is van nieuwe schulden, echter is dit niet het gevolg van onverantwoorde financiële gedragingen maar doordat appellanten niet in staat waren enige financiële buffer op te bouwen. Thans is met Delta een regeling getroffen, maar het is voor appellanten onmogelijk een regeling te treffen uit het vrij te laten bedrag waarbij de schuld binnen enkele maanden volledig is afgelost.

Ten aanzien van de terugvordering door de fiscus stellen appellanten dat de ontvangen toeslagen zijn meegenomen in de berekening van het vrij te laten bedrag en derhalve een deel van de terugbetaling uit de boedelgelden dient te worden voldaan.

Tot slot geven appellanten aan dat zij inmiddels zelf contact hebben opgenomen met Bureau Schuldhulpverlening en Budgetbeheer. Appellanten zijn bereid aan alle voorwaarden te voldoen indien de schuldsaneringsregeling wordt verlengd.

3.4.1. Hieraan hebben appellanten ter zitting - kort samengevat - toegevoegd, dat de problemen zijn ontstaan in september 2008, in welke periode appellanten de eindafrekening hebben ontvangen van Delta. [Y.] heeft in oktober 2008 ontslag genomen, in welke periode ook de schuld aan VGZ is ontstaan. [Y.] heeft vervolgens met terugwerkende kracht een ziektewetuitkering ontvangen. Een deel van deze uitkering hebben appellanten aangewend om bijzondere uitgaven te betalen verband houdende met de medische situatie van [Y.] en die van hun kinderen. [Y.] ziet momenteel mogelijkheden om op korte termijn weer arbeid te gaan verrichten.

[X.] deelt ter zitting mede dat zij thans werkzaam is gedurende 28 uur per week, waarvan 8 uur wordt besteed aan een opleiding. Deze opleiding zal tot 24 juni 2010 duren waarna [X.] fulltime zal gaan werken op basis van een jaarcontract.

Appellanten hebben sinds enkele maanden contact met Algemeen Maatschappelijk Werk en staan op de verkorte wachtlijst bij Budget Beheer. Naar verwachting zijn zij over circa twee maanden aan de beurt voor hulp. Appellanten geven aan dat met Budget Beheer en een verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling zij in staat zullen zijn de schuldsanerings- regeling tot een goed einde te brengen.

3.4.2. De bewindvoerder heeft in de brief van 19 maart 2010 aangevoerd, dat sprake is van een viertal nieuwe schulden tezamen ten bedrage van bijna € 8.000,-- en een boedelachterstand berekend tot januari 2010 van € 4.830,86. Appellanten hebben hierop niet afgelost noch een voorstel daartoe gedaan.

De bewindvoerder heeft in de brief zijn verzoek om de schuldsaneringsregeling van beide appellanten tussentijds te beëindigen gehandhaafd.

3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij appellanten sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.5.2. Ter zitting van het hof is gebleken dat appellanten zich begin 2010 hebben gemeld bij Budgetbeheer en thans op een wachtlijst staan. De verwachting is dat over twee maanden kan worden gestart met Budgetbeheer. Ook worden appellanten thans begeleid door het Algemeen Maatschappelijk Werk.

Voorts is gebleken dat [X.] momenteel werkzaam is gedurende 28 uur per week, waarvan 8 uur worden besteed wordt aan een opleiding. Deze opleiding zal tot 24 juni 2010 duren waarna [X.] uitzicht heeft op een fulltime baan op basis van een jaarcontract. Voor [Y.] geldt dat er op korte termijn zicht is op het aanvangen van een re-integratietraject. Nu [X.] weldra fulltime werkzaam zal zijn en ook [Y.] binnenkort zicht heeft op inkomen uit arbeid, zullen er gelden beschikbaar komen ten gunste van de schuldeisers, terwijl eveneens op de boedelachterstand, welke onbetwist is vastgesteld op € 4.830,86 zal kunnen worden ingelopen.

Daarnaast oordeelt het hof dat voldoende is komen vast te staan dat de schuld aan Delta N.V. niet dermate verwijtbaar is dat dit dient te leiden tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Ten aanzien van de schuld aan VGZ geldt dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze is ontstaan in de periode van overspannenheid van [Y.] in combinatie met extra hoge medische kosten voor [Y.] en de kinderen van appellanten.

Al met al is het hof van oordeel dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellanten terecht tussentijds heeft beëindigd. Gezien echter de alleszins positieve ontwikkelingen in de situatie van appellanten is het hof bereid hen een allerlaatste kans te bieden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. In dat verband acht het hof het noodzakelijk de schuldsaneringsregeling te verlengen met maximaal vierentwintig maanden na 26 september 2010. Gedurende de resterende looptijd van de regelingen dienen appellanten alle verplichtingen correct en tijdig na te komen, met dien verstande dat zij vanaf 26 september 2011 niet gehouden zullen zijn een hoger bedrag aan de boedel af te dragen dan het wettelijke bewindvoerderssalaris, zodat het meerdere kan worden aangewend om de nieuwe schulden weg te werken en de boedelachterstand in te lopen. Indien aan het einde van de verlengde termijn nog altijd sprake is van nieuwe schulden en/of een boedelachterstand, zal aan appellanten alsnog een schone lei moeten worden onthouden.

Het hof wijst appellanten er op dat zij met de bewindvoerder dienen te overleggen over de vraag of de ten onrechte van de belastingdienst ontvangen bedragen geheel of gedeeltelijk uit de boedel moeten worden voldaan, nu appellanten zich op het standpunt stellen dat daarmee rekening is gehouden bij de berekening van het vrij te laten bedrag.

3.6. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de voordracht van de rechter-commissaris tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van appellanten zal alsnog worden afgewezen.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af de voordracht van de rechter-commissaris tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X.] en [Y.], beiden wonende te [postcode] [woonplaats] aan de [woonadres];

verlengt de looptijd van de schuldsaneringsregeling met maximaal vierentwintig maanden en verstaat dat appellanten gedurende de resterende looptijd daarvan steeds tijdig en correct aan alle uit die regeling voortvloeiende verplichtingen dienen te voldoen, met dien verstande dat wat de afdrachtverplichting betreft vanaf 26 september 2011 slechts het wettelijk bewindvoerderssalaris aan de boedel hoeft te worden afgedragen;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Middelburg in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. Pouw, Mertens en Veldman en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2010.