Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2725

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
22-005459-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft de auto die zijn toenmalige echtgenote gebruikte, onbruikbaar gemaakt door van twee wielen enkele wielbouten te verwijderen. Met deze handelwijze heeft de verdachte een veilig gebruik van die auto gefrustreerd. Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij een gevaarzettende situatie voor zijn ex-partner in het leven heeft geroepen, wanneer zij in die auto was gaan rijden zonder op te merken dat enkele wielbouten van de wielen ontbraken. Het hof vindt dit een zeer naar feit. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 (zestig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005459-09

Parketnummer: 14-703568-07

Datum uitspraak: 12 juli 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

meervoudige kamer voor strafzaken

zitting houdende te 's-Gravenhage

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 12 november 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 17 februari 2010 en 28 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 26 mei 2007 in de gemeente Castricum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), (naar de woning van die [slachtoffer] is gereden en/of (vervolgens)) van twee althans een wiel(en) van een personenauto, die bij die [slachtoffer] in gebruik was (telkens) twee althans een wielbout(en) heeft verwijderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Subsidiair

hij op of omstreeks 26 mei 2007 in de gemeente Castricum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk (en met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) (naar de woning van die [slachtoffer] is gereden en/of (vervolgens)) van twee althans een wiel(en) van een personenauto, die bij die [slachtoffer] in gebruik was, (telkens) twee althans een wielbout(en) heeft verwijderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 26 mei 2007 in de gemeente Castricum opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk van twee, althans één, wiel(en) van die personenauto (telkens) twee, althans één, wielbout(en) en/of (telkens) de wieldop te verwijderen.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord vrijgesproken en ter zake van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vaststelling met betrekking tot verzoeken

Het hof stelt vast dat ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2010 de beslissingen met betrekking tot het horen van een tweede deskundige en het doen van proeven in verband met de vraag in hoeverre het over de kop slaan van de auto een aanmerkelijke kans op de dood met zich meebrengt, zijn aangehouden tot het nadere rapport en verhoor van de deskundige Ir. Ing. D.A.G.O. Langen ter terechtzitting van 28 juni 2010.

Voorts stelt het hof vast dat - nadat door de getuige-deskundige Langen een nader rapport was opgesteld en deze getuige-deskundige ter zitting van 28 juni 2010 is gehoord - de raadsman en de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 juni 2010 te kennen hebben gegeven geen nadere onderzoekswensen te hebben.

Salduz-verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2010 heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie van het bewijs dienen te worden uitgesloten, een en ander zoals verwoord in de door hem overgelegde pleitnotities.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat, gelet op de omstandigheid dat de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld vóór deze verhoren een advocaat te raadplegen, in strijd is gehandeld met de eisen die voortvloeien uit de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salduz en de daarop gebaseerde jurisprudentie van de Hoge Raad, hetgeen tot gevolg heeft dat de in die verhoren afgelegde verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden1

De verdachte kwam op 26 mei 2007 na een vakantie thuis en vond daar een briefje van zijn toenmalige echtgenote

[slachtoffer] inhoudende dat zij wat spullen had opgehaald.2 Vervolgens probeerde de verdachte die dag om omstreeks 18.50 uur [slachtoffer] te bellen, maar deze oproep werd door haar niet beantwoord.3 Daarop reed de verdachte naar de woning van zijn schoonouders, waar [slachtoffer] op dat moment verbleef. Voor de woning van zijn schoonouders stond de auto waar [slachtoffer] gebruik van maakte, geparkeerd. De verdachte parkeerde zijn auto voor die woning. Met behulp van gereedschap dat in de kofferbak van zijn auto lag, verwijderde de verdachte van de auto van [slachtoffer] de wieldop en twee naast elkaar bevestigde wielbouten van het linkervoorwiel. Bij het rechterachterwiel van die auto verwijderde de verdachte de wieldop en twee kruiselings bevestigde wielbouten. Vervolgens legde de verdachte de wieldoppen en wielbouten in de kofferbak van zijn auto.4

Vrijspraak

Uit de rapporten van 17 april 2008 en 16 juni 2010 van Ir. Ing. D.A.G.O. Langen en uit hetgeen door de getuige-deskundige Langen ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2010 is verklaard, kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat, wanneer [slachtoffer] met haar auto zou zijn gaan rijden, door omstandigheden die zich kunnen voordoen (verkeerssituatie, wegdek, eigen rijgedrag) zij de volledige controle over die auto zou kunnen verliezen en een ongeval zeer wel mogelijk is.

Naar algemene ervaringsregelen kan worden aangenomen dat, indien de bestuurder de volledige controle over een auto verliest er een ongeval kan plaatsvinden met als gevolg zwaar lichamelijk letsel of zelfs overlijden van de bestuurder, zeker wanneer met hoge snelheid wordt gereden. Uit de door [slachtoffer] ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring kan worden afgeleid dat zij bij het gebruik van de auto ook met hoge snelheid (100-120 kilometer per uur) reed.

Het hof acht het derhalve aannemelijk dat de verdachte wist dat de reële, concrete kans bestond dat [slachtoffer] zou verongelukken als zij met de door hem onbruikbaar gemaakte auto zou gaan rijden.

Het hof heeft, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, echter niet de overtuiging gekregen dat de verdachte - die op zichzelf als gezegd wetenschap had van de gevolgen die zijn handelen had kunnen hebben, meer in het bijzonder het verongelukken van [slachtoffer] - die gevolgen van zijn handelen ook bewust heeft aanvaard. Alles wijst erop, dat hij ervan uit ging dat het allemaal zo'n vaart niet zou lopen omdat [slachtoffer] wel tijdig zou opmerken dat de auto zodanig onklaar was gemaakt dat zij er niet mee (verder) kon rijden. Dat dit een te lichtzinnige aanname was, doet aan het gestelde niet af:

het hof acht het aannemelijk dat de verdachte zich niet heeft voorgesteld dat genoemd ongelukkig gevolg - het gaan rijden met de auto en een ongeluk krijgen - daadwerkelijk zou intreden. Er is derhalve geen sprake van (voorwaardelijk) opzet.

Het hof is daarom met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het opzet van de verdachte op het plegen van de - zowel in primaire als subsidiaire vorm - tenlastegelegde misdrijven. Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte van hetgeen onder primair en subsidiair is tenlastegelegd vrijspreken.

Gevoerd verweer en nadere bewijsoverweging

Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde pleitnotities ook vrijspraak bepleit van het meer subsidiair tenlastegelegde.

Naar het oordeel van het hof is evenwel sprake van het onbruikbaar maken van een auto. Immers, de verdachte heeft van de auto van [slachtoffer] bij twee wielen telkens twee wielbouten verwijderd, zodat die auto op dat moment niet te gebruiken was op de wijze waarop een auto bedoeld is gebruikt te worden, te weten met een veilige wielophanging. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 mei 2007 in de gemeente Castricum opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], onbruikbaar heeft gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk van twee wielen van die personenauto telkens twee wielbouten en telkens de wieldop te verwijderen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - in de voetnoten 1 tot en met 4 aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde en dat de verdachte ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft de auto die zijn toenmalige echtgenote gebruikte, onbruikbaar gemaakt door van twee wielen enkele wielbouten te verwijderen. Met deze handelwijze heeft de verdachte een veilig gebruik van die auto gefrustreerd.

Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij een gevaarzettende situatie voor zijn ex-partner in het leven heeft geroepen, wanneer zij in die auto was gaan rijden zonder op te merken dat enkele wielbouten van de wielen ontbraken. Het hof vindt dit een zeer naar feit.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, nu de inzendingstermijn van acht maanden niet in acht is genomen, maar ziet - gelet op de geringe mate van de overschrijding van drie maanden en de voortvarende behandeling in hoger beroep - geen aanleiding de op te leggen straf te matigen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 (zestig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. I.P.A. van Engelen en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 juli 2010.

1 Waar in dit arrest met betrekking tot het bewezenverklaarde wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, als bijlage opgenomen bij dossier nummer [dossiernummer] van de politie Noord-Holland Noord.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 29 oktober 2008, p. 1-2.

3 Proces-verbaal d.d. 14 juni 2007, p. 7 en proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2010, p. 2.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 mei 2007, p. 9, proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2007, p. 10 en proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2010, p. 3.