Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2713

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
200.044.669/01 en 200.044.671/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU2005, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BU2005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie en verdeling / verrekening van vermogen, op welke verdeling en verrekening Turks recht van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 mei 2010

Zaaknummer : 200.044.669/01 en 200.044.671/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 05-1587 en F1 RK 06-343

[verzoekster], in de huwelijksakte genaamd [naam],

thans verblijvende te [verblijfplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D. Akdemir te Rotterdam,

tegen

[verweerder], in de huwelijksakte genaamd [naam],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.G. Bannenberg te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 18 september 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 juni 2009 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 17 november 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 16 december 2009 en op 5 februari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 18 februari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen zijn ieder vergezeld door een beëdigd tolk in de Turkse taal, de vrouw door de heer T. Cetinkaya en de man door de heer M. Koyuncu. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de daaraan voorafgaande beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2006.

Bij laatstgenoemde beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, en is de behandeling voor het overige pro forma aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 24 november 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vrouw, indien zij nog de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats], die aan de man uitsluitend toebehoort en/of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de datum van de bestreden beschikking. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: de partneralimentatie) en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) aan haar ten laste van de man een bijdrage in haar levensonderhoud toe te kennen van € 500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, alsmede te bepalen dat deze bijdrage verhoogd zal worden met de jaarlijkse indexeringsbedragen conform artikel 1:402a BW en dat de man gehouden is de executiekosten te betalen indien en voor zover hij deze door niet tijdige betaling van enige bij deze beschikking op te leggen onderhoudsbijdrage veroorzaakt;

b) te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van huwelijksgoederengemeenschap van partijen op grond van het Turks recht aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 139.273,50, althans een nader door het hof vast te stellen bedrag, alsmede te bepalen dat de man dit bedrag in natura kan voldoen door overdracht van de eigendom van de echtelijke woning in Nederland aan de [adres] te [woonplaats] aan de vrouw, waarbij de vrouw de hypotheekschuld alsmede alle kosten verband houdende met deze overdracht zal dragen;

c) te bepalen dat de man gehouden zal zijn tot naleving van de in het voorjaar van juni 2003 tussen partijen gemaakte afspraken tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw tot aan het moment van overlijden van een der partijen, waarbij de vrouw de aan de woning verbonden lasten zal blijven voldoen, althans te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het voortgezette gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel tot zes maanden na de te dezen te wijzen (het hof leest:) beschikking.

3. De man bestrijdt het beroep en vraagt het hof de verzoeken van de vrouw in appel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Ter zitting van het hof is namens de vrouw verklaard dat zij niet meer in de echtelijke woning woont. Mede als gevolg hiervan heeft de vrouw haar petitum, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 2, als volgt aangepast en aangevuld:

- aan punt a) van het petitum wordt toegevoegd dat de vrouw het hof verzoekt om de partneralimentatie te bepalen met ingang van de datum van indiening van het verzoek in eerste aanleg;

- punt b) van het petitum komt als volgt te luiden:

te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeschap van partijen op grond van het Turks recht aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 139.273,50;

- subsidiair bij punt b) verzoekt de vrouw het hof, voor het geval het hof het bedrag van

€ 139.273,50 niet aan de vrouw zal toewijzen, een deskundige te benoemen teneinde de waarde van de woning te [woonplaats] te bepalen, alsmede de inbreng van de vrouw in die woning, en het recht van de vrouw op compensatie te bepalen;

- punt c) van het petitum komt te vervallen.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ingangsdatum

5. Alvorens op de behoefte en de draagkracht in te gaan, zal het hof eerst om proceseconomische redenen de ingangsdatum bepalen. Het hof wijst het verzoek van de vrouw om de partneralimentatie in te laten gaan op de datum van indiening van haar verzoek bij de rechtbank af. Deze datum is immers gelegen vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Nu de man zich niet heeft uitgelaten over de ingangsdatum, acht het hof het redelijk om als ingangsdatum te bepalen de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, derhalve 24 november 2006.

Behoefte

6. De vrouw verzoekt een bijdrage in haar levensonderhoud van € 500,- per maand. De man betwist dit verzoek, en stelt dat de vrouw geen behoefte heeft aan enige bijdrage.

7. Anders dan de man, is het hof van oordeel dat het feit dat de vrouw tot heden zonder bijdrage van de man heeft geleefd niet aan een behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud in de weg staat. De vrouw heeft immers onweersproken gesteld dat de meerderjarige kinderen geboren uit het huwelijk van partijen haar al die jaren financieel hebben bijgestaan. Het hof gaat voorts, onder verwijzing naar rechtsoverweging 21, voorbij aan de stelling van de man dat hij al een soort van alimentatie aan de vrouw heeft betaald door haar in de voormalige echtelijke woning te laten wonen onder voldoening door hem van de hypothecaire lasten.

8. Gelet op het vorenstaande zal het hof de behoefte van de vrouw bepalen. Het hof zal hierbij uitgaan van de hofnorm, nu de vrouw van deze norm is uitgegaan en de man daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Vast staat dat partijen in 2003 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Uit de jaaropgaaf 2003 van de vrouw blijkt van een bruto inkomen uit WAO-uitkering van

€ 12.625,-. Uit een tweetal jaaropgaven 2003 blijkt van een bruto inkomen van de man uit WW- en ZW-uitkering van in totaal € 14.287,-. Vorengenoemde bedragen leiden tot een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 1.793,- per maand.

Het hof houdt geen rekening met door de vrouw gestelde inkomsten uit vermogen gedurende de samenwoning van partijen, te weten inkomsten verkregen uit een woning en landerijen in Turkije, nu deze inkomsten niet uit de overgelegde stukken blijken.

Uit het vorenstaande volgt dat de behoefte van de vrouw, uitgaande van 60% van dit netto gezinsinkomen, moet worden gesteld op € 1.076,- netto per maand. Na indexering bedraagt de behoefte met ingang van de in rechtsoverweging 5 vastgestelde ingangsdatum € 1.125,- netto per maand.

Behoeftigheid

9. Het hof zal vervolgens beoordelen of de vrouw zelf in deze behoefte kan voorzien.

Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vrouw vanaf 1986 een (arbeidsongeschiktheids)uitkering ontvangt. De vrouw heeft gegevens met betrekking tot haar WAO-uitkering over de periode 2008 tot en met januari 2010 aan het hof overgelegd. Het hof zal voor de bepaling van de behoeftigheid van de vrouw uitgaan van haar inkomen zoals dit blijkt uit de jaaropgaaf 2008, nu dit het meest aansluit bij de ingangsdatum van 24 november 2006. Uit de jaaropgaaf 2008 blijkt van een jaarinkomen van € 14.535,- bruto, hetgeen neerkomt op een netto maandinkomen van € 851,-.

Uit het vorenstaande volgt dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud van € 274,- netto per maand, zijnde € 416,- bruto per maand.

Draagkracht

10. Het hof zal vervolgens beoordelen of de draagkracht van de man een dergelijke bijdrage toelaat. Het hof merkt hierover het volgende op. Het ligt op de weg van de man om een overzicht van zijn inkomsten en lasten gespecificeerd aan het hof voor te leggen, onderbouwd met verificatoire bescheiden. De man heeft dit nagelaten. Het hof beschikt, op een aanslag 2006 en een jaaropgaaf 2008 na, niet over (recente) financiële gegevens van de man, noch wat betreft zijn inkomsten noch wat betreft zijn lasten. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen draagkracht heeft om de bijdrage met ingang van 24 november 2006 van € 416,- per maand te voldoen.

Indexering en executie

11. Het hof wijst het verzoek van de vrouw te bepalen dat de onderhoudsbijdrage verhoogd zal worden met de jaarlijkse indexeringsbedragen af, nu een en ander uit de wet voortvloeit. Het hof wijst ook het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man gehouden is de executiekosten te betalen indien en voor zover hij deze door niet tijdige betaling van enige door het hof op te leggen onderhoudsbijdrage veroorzaakt af. Het betreft immers een onzekere gebeurtenis.

Huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling

12. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op grond van het Turkse recht aan haar verschuldigd is een bedrag van in totaal € 139.273,50. Dit bedrag dient ter compensatie voor haar aandeel in de (aankoop van de) onroerende zaken die op naam van de man staan.

De man betwist het verzoek van de vrouw, en stelt dat verrekening en/of verdeling niet aan de orde is, nu de vrouw haar vorderingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

13. Op verzoek van partijen is in eerste aanleg aan het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) te ’s-Gravenhage advies gevraagd. Bij de stukken bevindt zich het advies van het IJI van 30 oktober 2006.

14. Partijen zijn op 15 juli 1976 in Turkije met elkaar gehuwd. Vast staat dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Op 1 januari 2002 is in Turkije het nieuwe Turks Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW) in werking getreden. Het wettelijke stelsel is gewijzigd van een scheiding van goederen in een gemeenschap van aanwinsten, ook wel ‘deelgenootschap van verwervingen’ genoemd.

De woning in Nederland

15. De vrouw stelt dat uit het rapport van het IJI blijkt dat zij recht heeft op compensatie gebaseerd op haar financiële inbreng gedurende de gehele huwelijkse periode. Zij voert daartoe aan dat zowel de man als de vrouw heeft zorg gedragen voor de woonlasten en de gezamenlijke (huishoudelijke) lasten. Ter zitting heeft de vrouw nadrukkelijk gesteld dat zij in ieder geval recht heeft op een bedrag van € 61.500,-, zijnde de helft van de overwaarde van de woning. Dit bedrag wijkt af van de door de vrouw gegeven specificatie in haar appelschrift, waar zij een bedrag van € 47.773,50 noemt.

16. De man is van mening dat volgens het rapport van het IJI het oude Turkse recht gedurende het gehele huwelijk van kracht is, ook als dit in 2006 is geëindigd, en dat de vrouw derhalve geen recht heeft op compensatie. Zij heeft volgens de man immers niet aangetoond dat zij geld heeft ingebracht in de voormalige echtelijke woning.

17. Het hof is, met de vrouw, van oordeel dat uit het rapport van het IJI volgt, dat op grond van jurisprudentie van het Turkse Hooggerechtshof in gevallen die worden bestreken door het oude en het nieuwe Turkse recht, het recht op meerwaarde zoals bepaald in artikel 227 TBW wordt berekend gedurende de gehele huwelijkse periode.

Ter beantwoording van de vraag of de vrouw in dit kader een vordering op de man heeft, zal het hof beoordelen of de vrouw heeft bijgedragen aan de verkrijging, verbetering of het behoud van een aan de man toebehorend goed zonder dat zij daarvoor enige dan wel een passende vergoeding heeft gekregen. Uit de overgelegde stukken is het hof het volgende gebleken.

18. De voormalige echtelijke woning is in 1982 gekocht. De woning staat op naam van de man. Ten behoeve van de woning is door partijen gezamenlijk een hypothecaire geldlening aangegaan. Deze oorspronkelijke hypothecaire geldlening bij Ago is tweemaal omgezet in een andere hypothecaire geldlening, de eerste maal in 1996 bij Aegon en de laatste maal in 1999 in een hypothecaire geldlening bij de SNS Bank. Uit de door de vrouw bij brief van 5 februari 2010 als bijlage 8 overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat ook de laatste twee hypothecaire geldleningen op naam van de man en de vrouw zijn gesteld.

19. Bij voornoemde brief van 5 februari 2010 heeft de vrouw als bijlage 8 meerdere bankafschriften overgelegd van een rekening met nummer [nummer], achtereenvolgens bij de Bondsspaarbank, de VSB Bank en de Fortis Bank. Op de afschriften, die een periode beslaan van 25 mei 1988 tot en met 3 april 2002, staat de naam van de man vermeld.

Uit deze afschriften is op te maken dat de GAK-uitkering van de vrouw op dit rekeningnummer is gestort. Op de rekeningafschriften is bij de stortingen van de GAK-uitkering het nummer [nummer] vermeld. Dit nummer is, zoals blijkt uit de bij voornoemde brief door de vrouw overgelegde jaaropgaaf 2003 van het UWV, het nummer waaronder de vrouw bij het UWV is geregistreerd. Ook is op dit rekeningnummer het salaris en de uitkering van de man gestort.

Voorts blijkt uit de rekeningafschriften dat van rekeningnummer [nummer] betalingen ten behoeve van de hypothecaire geldlening zijn gedaan. Zo staat op de bankafschriften van de Bondsspaarbank en de VSB Bank “Aegon” vermeld. Op de rekeningafschriften van de Fortis Bank zijn betalingen ten behoeve van een hypothecaire geldlening met nummer [nummer] voldaan. Zoals onder meer blijkt uit de door de man in eerste aanleg bij brief van 20 maart 2009 overgelegde jaaropgave 2008 van de SNS Bank, correspondeert dit nummer met de hypothecaire geldlening van partijen bij de SNS Bank.

20. In het dossier bevinden zich voorts een aantal afschriften van een rekening bij de SNS Bank met rekeningnummer 82.13.92.875. Deze rekening betreft een ‘en/of rekening’. Uit de afschriften – gedateerd 9 april 2002, 1 maart 2003, 8 december 2007 en 1 maart 2008 - blijkt dat van dit rekeningnummer rentebetalingen ten behoeve van een hypotheek met nummer [nummer], derhalve ten behoeve van de hypothecaire geldlening bij de SNS Bank, worden voldaan.

21. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw haar stelling, dat zij met haar volledige inkomen heeft bijgedragen in de kosten van de hypothecaire geldlening, aannemelijk heeft gemaakt. Betalingen ten behoeve van de op de voormalige echtelijke woning gevestigde hypotheek zijn gedaan van de ‘en/of’ rekening bij de SNS Bank en van de rekening met nummer [nummer], op welke rekening de GAK-uitkering van de vrouw werd gestort. Dat deze laatste rekening alleen op naam van de man staat, doet aan het oordeel van het hof niet af. Immers, de vrouw heeft een brief van de Fortis Bank, gedateerd 29 januari 2003, overgelegd waarin wordt meegedeeld dat wanneer een rekening op meer namen staat, het rekeningoverzicht aan de eerstgenoemde rekeninghouder wordt gericht. Aan het oordeel van het hof doet voorts niet af of de betalingen aflossing dan wel rente betreffen, aangezien ook rentebetalingen kunnen worden aangemerkt als bijdragen ter behoud en verbetering van een goed in de zin van artikel 227 TBW.

22. Door de man is niet gesteld en het hof is niet gebleken dat de vrouw voor haar bijdragen in de kosten van de hypothecaire lasten enige dan wel een passende vergoeding heeft gekregen, zodat zij naar het oordeel van het hof recht heeft op compensatie van haar financiële inbreng gedurende de gehele huwelijkse periode. Ter zitting van het hof heeft de vrouw gesteld dat zij in dit kader recht heeft op een bedrag van € 61.500,-, zijnde de helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. De vrouw heeft dit bedrag berekend aan de hand van door de man bij brief van 6 mei 2008 in het geding gebrachte stukken. Uit deze stukken blijkt van een WOZ-waarde op waardepeildatum 1 januari 2007 van € 172.000,- en een hypothecaire schuld van € 54.453,63, hetgeen zou leiden tot een bedrag van € 58.773,19. Nu de man zich niet heeft uitgelaten over de wijze van bepaling en de omvang van een door hem aan de vrouw te betalen passende vergoeding, zal het hof overeenkomstig het verzoek van de vrouw beslissen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat op basis van de inkomens van partijen de inbreng van de man in de gezamenlijke lasten van partijen wellicht hoger was dan de inbreng van de vrouw, maar de man volgens het Turkse recht de plicht heeft te voorzien in de kosten van de huishouding. Het hof neemt voorts in aanmerking dat het huwelijk van partijen op 24 november 2006 is ontbonden.

23. Nu het hof overeenkomstig het verzoek van de vrouw het bedrag aan compensatie met betrekking tot de voormalige echtelijke woning zal bepalen op een bedrag van € 61.500,-, behoeft punt b) van het petitum van de vrouw naar het oordeel van het hof op dit punt geen nadere bespreking meer.

De overige onroerende zaken

24. Het hof zal het verzoek tot verdeling afwijzen voor zover het betreft de onroerende goederen die zich in Turkije bevinden. Tussen partijen bestaat verschil van mening over de (wijze van verkrijging van de) eigendom van deze onroerende zaken. Door partijen zijn verschillende stukken in het geding gebracht, maar de echtheid van deze stukken wordt door partijen over en weer betwist. Nu partijen het hof nauwelijks inzicht hebben verschaft in de omvang en de waarde van de te verdelen vermogensbestanddelen in Turkije en de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, is het voor het hof niet mogelijk om tot verdeling hiervan over te gaan. Het verzoek van de vrouw tot verdeling wordt derhalve in zoverre afgewezen.

Overige

25. Gelet op de wijziging van het petitum door de vrouw, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4, behoeft de derde grief van de vrouw geen bespreking meer.

26. Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 24 november 2006 op € 416,- per maand;

bepaalt dat de man in het kader van de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling op grond van het Turkse recht aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 61.500,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Husson en Bos, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2010.