Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2584

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
22-005390-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte een beroep op noodweer gedaan. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte door aangeefster werd aangevallen en zij, de verdachte, aangeefster ter verdediging heeft geduwd - onder andere om haar uit het huis te krijgen - en tijdens dit duwen haar hand heeft omgebogen. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte niet strafbaar is. Dit brengt met zich mee dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005390-09

Parketnummer: 10-612852-08

Datum uitspraak: 10 juni 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortedag] 1952,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 27 mei 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 maart 2008 te Vlaardingen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) tegen het lichaam heeft geduwd en/of aan het haar heeft getrokken en/of de vingers van de (linker)hand van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of naar achteren getrokken, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken vinger), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is er beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 21 maart 2008 te Vlaardingen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), tegen het lichaam heeft geduwd en aan het haar heeft getrokken en de vingers van de linkerhand van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en naar achteren getrokken, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken vinger) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte een beroep op noodweer gedaan. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte door aangeefster werd aangevallen en zij, de verdachte, aangeefster ter verdediging heeft geduwd - onder andere om haar uit het huis te krijgen - en tijdens dit duwen haar hand heeft omgebogen.

Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van noodweer.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof na te melden omstandigheden aannemelijk geworden.

In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, heeft de verdachte haar zus [persoon] uitgenodigd bij moeders woning, die thans in eigendom toebehoort aan verdachte. [persoon] bleek vergezeld van een andere zus, [slachtoffer], het latere slachtoffer. De verdachte wilde [slachtoffer] niet toelaten tot de woning, maar deze verschafte zich desondanks toegang, en wenste - hoewel daartoe verplicht door de verdachte - deze niet te verlaten. Nadat de bril van het hoofd van de verdachte was afgeslagen en [slachtoffer] zich aanhoudend dreigend opstelde, heeft de verdachte gepoogd om [slachtoffer] naar buiten te duwen. Daarbij heeft zij ook de hand van [slachtoffer] gepakt, waarbij het letsel aan de vinger is ontstaan.

Naar het oordeel van het hof is er - gelet op voornoemde omstandigheden - in dit geval sprake van een situatie waarin voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging van haar eigen lijf en goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdachte mocht zich derhalve tegen het door aangeefster jegens haar uitgeoefende geweld verdedigen. Het hof acht de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd niet buitenproportioneel.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte niet strafbaar is. Dit brengt met zich mee dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] (vertegenwoordigd door mr. M. Tjakkes-Rissewijck van ARAG Rechtsbijstand) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 22.704,33.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 22.704,33.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat de verdachte ter zake niet strafbaar is en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, mr. D. Jalink en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier mr. S. Zamani.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2010.