Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2531

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
200.028.443-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil inzake toedeling van de zorg- en opvoedingstaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 31 maart 2010

Zaaknummer : 200.028.443/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 08-1376 en F2 RK 08-2359

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.R.P. Drielsma te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. V.T.M. Smeets te Alphen aan den Rijn.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 13 maart 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 december 2008 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 8 september 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 5 januari 2010 een aanvullend stuk ingekomen.

Op 18 februari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat en namens de raad: mevrouw E.M. van Dijk. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De hierna te noemen minderjarigen zijn in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen als volgt zal zijn:

- eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 19.00 uur waarbij de moeder de minderjarigen op vrijdag bij de vader brengt en de vader ze op zondagavond weer terugbrengt bij de moeder;

- de helft van de vakanties en feestdagen;

- de verjaardagen in onderling overleg, waarbij de minderjarigen de kans krijgen om op de verjaardagen van de vader, de moeder en de grootouders aanwezig te zijn.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken van de vader, meer specifiek de vaststelling van de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het contact tussen de vader en de minderjarigen [de minderjarigen], beiden geboren in 1998 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen), alsmede de inschrijving van één van de minderjarigen op het adres van de vader.

2. De vader verzoekt - na wijziging ter terechtzitting - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vastgestelde omgangsregeling en, opnieuw beschikkende:

a. primair: de omgangsregeling uit te breiden, in die zin dat de minderjarigen:

- de oneven weken bij de vader verblijven van dinsdag tussen 17.30 uur en 18.00 uur tot maandagochtend naar school;

- de even weken bij de vader verblijven van woensdag tussen 17.30 uur en 18.00 uur tot vrijdagochtend naar school;

- de vakanties, feestdagen en verjaardagen bij de vader verblijven bij helfte in onderling overleg;

b. subsidiair: een ruimere omgangsregeling vast te stellen zoals het hof in het belang van alle betrokkenen zal achten, met een minimum van vijf dagen per veertien dagen bij de vader alsmede de helft van de vakanties.

Voorts verzoekt de vader te bepalen dat één van de minderjarigen op zijn adres wordt ingeschreven.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt:

- primair: het beroep van de vader ongegrond te verklaren;

- subsidiair: een zorg- en contactregeling vast te stellen zoals het hof vermeent te behoren nadat de minderjarigen gehoord zijn door het hof, dan wel nadat zij door een door het hof aangestelde onafhankelijke instelling gehoord zijn, en de brieven van drs. O.M.C. Melief van 24 november 2008 (producties 2 en 3 van het verweerschrift) onderdeel te laten uitmaken van deze procedure, dan wel een zorg- en contactregeling vast te stellen zoals het hof vermeent te behoren.

De procedure

4. Het hof ziet aanleiding allereerst de tweede grief van de vader te behandelen. Deze grief betreft een klacht over de door de rechtbank gevolgde procedure. De vader stelt dat de rechtbank door kennis te nemen van de twee brieven van drs. O.M.C. Melief, integratief kindertherapeut, van 24 november 2008 het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, aangezien de vader niet in de gelegenheid is geweest om op deze - voor hem onbekende - brieven te reageren.

5. Het hof overweegt als volgt. Nu de vader in hoger beroep ten volle in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren tegen deze brieven kan de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg er niet toe leiden dat de bestreden beschikking op die grond moet worden vernietigd. Deze grief wordt gepasseerd.

Toedeling van de zorg- en opvoedingstaken

6. In de eerste grief stelt de vader aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de moeder voorgestelde omgangsregeling niet onaanvaardbaar is. Volgens de vader was de insteek van partijen dat zij als ex-partners gezamenlijk de zorg en opvoeding voor de minderjarigen vorm zouden geven. Ter terechtzitting heeft de vader gesteld dat er meer rust is gekomen en dat de ouders een meestal beleefde vorm van communicatie met elkaar gevonden hebben. De vader merkt op dat hij door de moeder buitengesloten wordt in zaken betreffende de minderjarigen. Dat het één en ander aan de communicatie tussen hen beiden schort, mag volgens de vader geen beletsel zijn voor een gelijkwaardig ouderschap. Voorts stelt de vader dat het voor hem in het kader van gelijkwaardig ouderschap van belang is dat bij iedere ouder één van de kinderen staat ingeschreven.

7. De moeder heeft de grief van de vader gemotiveerd weersproken en gesteld - kort samengevat dat zij de door de vader verzochte omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen acht. Als de zorg- en contactregeling in het laatste belangrijke basisschooljaar wordt uitgebreid, terwijl de minderjarigen hier nog niet aan toe zijn, voorziet de moeder dat dit zijn weerslag op hen zal hebben. Bij een gedeeld ouderschap voorziet de moeder grote problemen, aangezien de ouders niet goed met elkaar kunnen samenwerken en communiceren. Zij wenst te voorkomen dat de minderjarigen in een onzekere en onrustige situatie terecht komen die daardoor gecreëerd wordt. Voorts stelt de moeder dat de wijze waarop concreet invulling dient te worden gegeven aan het gelijkwaardig ouderschap, in beginsel dient aan te sluiten bij de wijze waarop partijen gedurende het huwelijk invulling gaven aan het ouderschap en dat dit in het belang van de minderjarigen dient te zijn.

8. Het hof stelt voorop dat het voor de ontwikkeling van kinderen belangrijk is dat zij, ook na de scheiding van de ouders, contact hebben met beide ouders en dat zij zich gezamenlijk verantwoordelijk blijven voelen voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling. Vaststaat dat dit bij beide partijen het geval is.

9. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat partijen gedurende de echtscheidingsprocedure en ook daarna een moeizame periode hebben gekend en dat hun onderlinge communicatie moeizaam verliep. Dit heeft ook, zoals partijen ter terechtzitting hebben erkend, zijn weerslag gehad op de minderjarigen. Inmiddels lijkt de onderlinge verstandhouding tussen partijen te zijn verbeterd en de rust enigszins wedergekeerd. Gelet op de spanningen die de minderjarigen hebben ervaren tijdens de echtscheidings-procedure, acht het hof het op dit moment van belang dat de door de rechtbank vastgestelde regeling gehandhaafd blijft. In deze regeling verblijven de minderjarigen, evenals tijdens het huwelijk, het merendeel van de tijd bij de moeder. Zij hebben baat bij rust, structuur en stabiliteit. Het hof verwacht dat de verbeterde verstandhouding tussen partijen er op termijn toe zal leiden dat de minderjarigen vaker contact zullen hebben met de vader. Het hof acht het in het belang van de minderjarigen - die beiden bijna de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt - dat zij de vrijheid hebben om dit contact (naast de vastgestelde omgangsregeling) zonder vaste strakke omlijnde kaders in te vullen. Zij hebben zelf nadrukkelijk te kennen gegeven dat zij behoefte hebben aan deze vrijheid. Op deze wijze kan het vertrouwen van de minderjarigen in hun vader groeien en kunnen de contacten uitgebreid worden. Een regeling die in weerwil van hetgeen de minderjarigen wensen wordt opgelegd, acht het hof niet in hun belang. Het hof gaat er van uit dat de moeder de minderjarigen zal blijven stimuleren en motiveren ten aanzien van hun contact met de vader, zoals zij reeds doet.

10. Ten aanzien van het verzoek van de vader om te bepalen dat één van de minderjarigen op zijn adres wordt ingeschreven, overweegt het hof als volgt. De minderjarigen - een tweeling - staan nu beiden ingeschreven bij de moeder. Gelet op de huidige contactregeling verblijven zij het merendeel van de tijd thans bij de moeder. Het hof ziet daarin grond om geen wijziging te brengen in het adres waar de minderjarigen, althans één van hen, verblijven, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

11. Ten aanzien van het verzoek van de moeder om te bepalen dat de brieven van drs. Melief voornoemd onderdeel zullen uitmaken van deze procedure, overweegt het hof dat deze stukken daar reeds onderdeel van uitmaken, nu de vader deze bij zijn beroepschrift heeft overgelegd. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen bij gebrek aan belang.

12. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mink en Hulsebosch, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2010.