Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2361

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
200.029.159
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding en verdeling huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 juni 2010

Zaaknummer : 200.029.159/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-1029

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.R Klaver te Bergen op Zoom,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.C.E. Eikenboom te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 20 maart 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 december 2008 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 18 september 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 21 augustus 2009, 29 maart 2010 en 30 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 8 april 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en voorts onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap als volgt vastgesteld:

aan de man is toegedeeld:

- de echtelijke woning aan [adres], waarde € 415.000,-- ;

- de polis van levensverzekering (kapitaalverzekering) bij de ABN-AMRO BANK, gekoppeld aan de hypothecaire geldlening, genaamd Meegroeihypotheek, met investeringsnummer [nummer]., waarde per 31 december 2007 € 24.252,--;

- drie polissen van levensverzekering bij Nieuw Rotterdam, te weten:

. polisnummer [nummer], Alpha Spaarplan;

. polisnummer [nummer], overlijdensrisicoverzekering;

. polisnummer [nummer], Alpha Plus Risicoverzekering;

- saldo spaarloonrekening ten name van de man bij de Rabobank met

nummer [nummer];

- saldo bankrekening ten name van de man bij de ABN-AMRO Bank met

nummer [nummer];

- saldo girorekening bij de Postbank (en/of rekening) met nummer [nummer];

- saldo spaarloonrekening bij [naam] ten name van de man, [nummer];

- de (inboedel)goederen uit de echtelijke woning met uitzondering van die (inboedel)-goederen die aan de vrouw worden toegedeeld, zoals hierna onder de toedeling van de vrouw is vermeld;

- de ten name van de man gestelde teruggaven/aanslagen Inkomstenbelasting

2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007,

zulks onder zijn verplichting om de op de echtelijke woning rustende hypothecaire geldlening bij de de ABN-AMRO Bank leningdeel [nummer] ad € 163.360,88

en leningdeel [nummer] ad € 34.487,32, derhalve in totaal € 197.848,20 voor zijn rekening te houden en deze te voldoen als zijn eigen schuld met uitsluiting van de vrouw, en daarenboven er voor zorg te dragen dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijkheid van de verplichtingen ter zake van de hypothecaire geldlening bij de ABN-AMRO Bank.

aan de vrouw is toegedeeld:

- saldo bankrekening ten name van de vrouw bij de ABN-AMRO Bank met nummer [nummer], saldo per 21 februari 2008 € 1.339,--;

saldo Ohra Internetspaarrekening ten name van de vrouw met

nummer [nummer] saldo per 3 maart 2008 € 7.138,78;

- auto Suzuki, kenteken [nummer], bouwjaar 2003, waarde per 15 april 2008 € 6.800,--; - de navolgende (inboedel)goederen:

de antieke kast (van oma), de dekenkist, het houtentafeltje, drieladen kastje, het bureau (in gebruik bij de oudste minderjarige), de televisie van de slaapkamer van de oudste minderjarige, Wedgewood servies, glasservies en persoonlijke bezittingen en enige kleinere roerende zaken die de vrouw in november 2005 heeft meegenomen;

- de ten name van de vrouw gestelde teruggaven/aanslagen Inkomstenbelasting 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007,

zulks onder haar verplichting de schuld aan de heer [naam] ten bedrage van € 9000,-- voor haar rekening te houden en deze te voldoen als haar eigen schuld met uitsluiting van de man.

De man is veroordeeld om ten titel van overbedeling aan de vrouw te betalen een bedrag van € 100.000,--, door hem te voldoen binnen één maand nadat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de eerste dag dat de hiervoor omschreven betalingstermijn zal zijn verstreken tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de echtscheiding en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair nader vast te stellen dat de echtscheiding nog niet wordt uitgesproken en voorts voor zover het hof al tot een verdeling mocht komen, dat daarbij uitgesloten is de verdeling van de overwaarde van de woning. Voorts verzoekt hij te bepalen dat geen verdeling van de gemeenschap wordt vastgesteld zoals door de rechtbank is gedaan, maar een verdeling met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon ingevolge de wet. Subsidiair verzoekt de man een zodanige verdeling van de gemeenschap dat daarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de man ten titel van overbedeling van de overwaarde van de echtelijke woning niet kan financieren en dat daarbij rekening dient te worden gehouden met de vaststelling van de hoogte van het bedrag ten titel van overbedeling met het feit dat dit bedrag niet fiscaal aftrekbaar is en derhalve het bedrag ten titel van overbedeling vast te willen stellen op een zodanig bedrag zoals het hof zal vermenen te behoren, daarbij rekening houdend met de voorwaarden die de man heeft aangegeven van financiering en fiscaliteit en voorts.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te achten, dan wel het hoger beroep van de man ongegrond te achten en de bestreden beschikking - zonodig onder verbetering van gronden - te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van appel.

4. De man verzet zich tegen de uitgesproken echtscheiding. Hij is van mening dat de echtscheiding niet kan worden uitgesproken als de gevolgen van de echtscheiding nog niet goed geregeld zijn. Hij betwist daarom vooralsnog de duurzame ontwrichting van het huwelijk.

5. De vrouw is primair van mening dat de man in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen, omdat hij in eerste aanleg zijn verweren heeft prijsgegeven, door zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Subsidiair handhaaft de vrouw haar stelling dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

6. Het hof is van oordeel dat de man kan worden ontvangen in zijn hoger beroep, nu hij in hoger beroep kan terugkomen op zijn referte door alsnog verweer te voeren.

7. Het hof overweegt met betrekking tot de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen als volgt. Het hof is van oordeel dat indien eenmaal door de eerste rechter de echtscheiding is uitgesproken, het hoger beroep slechts op grond van door de echtgenoot die het instelt aan te voeren bijzondere omstandigheden kan worden gebezigd, teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. Door de man zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd - hetgeen hij heeft aangevoerd over de financiële- en fiscale consequenties van de verdeling en zijn onderhoudverplichting zijn daartoe niet voldoende - zodat het hof de man in dit onderdeel van zijn verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren. De grief van de man faalt derhalve.

8. De man stelt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat er geen verdeling dient plaats te vinden van de overwaarde van de echtelijke woning. Volgens hem zijn partijen destijds bij de omzetting van de huwelijkse voorwaarden naar de gemeenschap van goederen overeengekomen dat partijen geen aanspraak kunnen maken op de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning.

9. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken.

10. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat zij in 2006 hun huwelijkse voorwaarden hebben opgeheven en dat zij sedertdien zijn gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. De opvatting van de man dat partijen zijn overeengekomen dat zij geen aanspraak kunnen maken op de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning, die deel uitmaakt van de gemeenschap van goederen, moet worden verworpen. De vrouw heeft het bestaan van een overeenkomst met deze inhoud gemotiveerd ontkend, terwijl ook overigens het hof het bestaan van die overeenkomst niet is gebleken. Ook deze grief van de man faalt derhalve.

11. Subsidiair stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij ten titel van overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 100.000,- zal dienen te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, zonder daarbij rekening te houden met het feit dat nog niet vaststaat in hoeverre de man dit bedrag kan financieren en hoe hij dit moet financieren en voorts, zolang daarin nog niet is meegenomen de fiscale consequentie van het feit dat dit bedrag niet aftrekbaar is, indien de bank al tot een verhoging van de hypothecaire geldlening zou komen om dit bedrag aan overbedeling te financieren.

12. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken.

13. Het hof is van oordeel dat, voor zover de stellingen van de man ter zake van de eventuele (on)mogelijkheid om de overbedelingsuitkering ten behoeve van de vrouw te financieren al een rol spelen bij het vaststellen van de verdeling (en de hoogte van de overbedelingsuitkering), niet gebleken is dat de man concreet stappen heeft ondernomen om duidelijkheid te verkrijgen over zijn financiële positie. Een cijfermatige onderbouwing van zijn stellingen ter zake van de bereidheid van de bank om een hypothecaire geldlening aan de man te verstrekken en de fiscale aftrekbaarheid van de rente van de hypothecaire geldlening heeft de man niet in het geding gebracht. Het hof ziet in de stellingen van de man dan ook geen aanleiding om een voorbehoud ten aanzien van de verdeling te maken door te bepalen dat de verdeling ten overstaan van een notaris moet plaatsvinden. De derde (en laatste) grief van de man slaagt derhalve evenmin.

14. Voor zover de man een grief heeft willen richten tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen waarde van de woning van € 415.000,- is het hof van oordeel dat de man onvoldoende feitelijk heeft gesteld en met bescheiden heeft onderbouwd dat van de door hem bepleite waarde van € 380.000,- moet worden uitgegaan.

15. Nu de grieven van de man falen, zal het hof de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

16. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

17. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw verzoek, de man te veroordelen in de kosten in hoger beroep en zal dit verzoek dan ook afwijzen.

18. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de echtscheiding;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzocht af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Dusamos en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010.