Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2169

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
200.020.571-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbetaalde facturen belastingdeskundige; kunstfout belastingdeskundige; deskundigenbericht over hoogte nota's? minnelijke regeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Uitspraak: 20 juli 2010

Zaaknummer hof: 200.020.571/01

Zaaknummer rechtbank: 44099

Arrest van de derde civiele kamer

in de zaak van:

[Naam],

wonende te [plaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.H. Westendorp te 's-Gravenhage,

tegen:

de maatschap naar burgerlijk recht

[Naam],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 30 september 2008 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Middelburg van 9 juli 2008 (eindvonnis), in het geding in conventie en reconventie tussen partijen gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen het vonnis en tegen het eerder in deze zaak tussen partijen gewezen vonnis van 8 augustus 2007 (derde tussenvonnis) aangevoerd, voor zover deze vonnissen betrekking hebben op het geding in conventie. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Tot slot hebben partijen het hof gevraagd aan de hand van een kopie van hun procesdossiers arrest te wijzen.

Beoordeling van het hoger beroep

uitgangspunten

1. In hoger beroep kan van de onder 2 in het eerder in deze zaak in het geding in conventie en reconventie tussen partijen gewezen vonnis van 7 december 2005 (eerste tussenvonnis) vastgestelde feiten worden uitgegaan nu hiertegen geen grieven zijn gericht.

2. Het hof zal de hierna vermelde bedragen op hele guldens of euro's afronden.

3. In het geding in conventie gaat het om de vraag, kort weergegeven, of [geïntimeerde] aanspraak kan maken op de betaling door [appellant] van € 26.174 wegens door [geïntimeerde] in de periode 2000-2003 ten behoeve van [appellant] verrichte werkzaamheden, onder meer met betrekking tot enkele belastingprocedures over de aan [appellant] opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting (en vermogensbelasting) over de jaren 1985 tot en met 1988.

4. In het derde tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld, kort weergegeven, dat het aantal door [geïntimeerde] in rekening gebrachte uren in beginsel als uitgangspunt kan worden genomen en dat [geïntimeerde] met de korting van € 1.361 op de rekening van 22 januari 2002 het dubbele werk en de extra werkzaamheden als gevolg van computerproblemen in voldoende mate heeft verrekend.

Voorts heeft de rechtbank in dit vonnis [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om haar vordering met betrekking tot de voor haar medewerker [W] en haar belastingconsulent [C] in rekening gebrachte tarieven aan te passen.

5. In het eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde], na de door de rechtbank verlangde correcties met betrekking tot de uurtarieven, in voldoende mate aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen en heeft de rechtbank de vordering in conventie tot € 21.971 (in het dictum staat abusievelijk € 21.791 vermeld) toegewezen.

grieven

6. De eerste grief en vijfde grief zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.4 in het eindvonnis dat [appellant] de door [geïntimeerde] toegepaste berekening van de vordering op € 21.971 niet heeft betwist en tegen zijn veroordeling tot betaling van dit bedrag met rente en kosten.

De tweede en derde grief zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.4 in het derde tussenvonnis dat de tijdsoverzichten van [appellant] niet bepalend kunnen zijn voor de op te stellen rekening omdat deze niet door [geïntimeerde] zijn goedgekeurd en dat de door [geïntimeerde] toegepaste korting van € 1.361 een redelijke korting is, zodat hiermee het dubbele werk en de extra werkzaamheden van de medewerkers van [geïntimeerde] als gevolg van computerproblemen redelijkerwijs zijn verrekend.

De vierde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.6 in dit tussenvonnis dat [geïntimeerde] voldoende aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen na de door de rechtbank verlangde aanpassing van de uurtarieven van [W] en [C].

7. In zijn toelichting op de grieven heeft [appellant], kort weergegeven, de volgende standpunten ingenomen:

a. [appellant] heeft de berekening van [geïntimeerde] (in haar akte van 29 augustus 2007) in zijn antwoordakte van 10 oktober 2007 gemotiveerd bestreden en tegenover de berekening van [geïntimeerde] een alternatieve berekening overgelegd waarbij enerzijds wordt uitgegaan van het aantal door [geïntimeerde] berekende uren en anderzijds van de urenopgaaf van [appellant]. Het ligt voor de hand dat bij de berekening van het door [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigde bedrag van de door hem opgestelde tijdsoverzichten wordt uitgegaan nu de rechtbank eveneens heeft overwogen dat [appellant] nauwgezet aantekening maakte van de gesprekken met medewerkers van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] zijn tijdsoverzichten niet heeft betwist.

b. [appellant] heeft in zijn antwoordakte gemotiveerd aangegeven welke werkzaamheden niet voor zijn rekening dienen te komen. Het gaat bij deze werkzaamheden en uren om herstelkosten wegens verkeerd uitgevoerde werkzaamheden en computerproblemen die niet voor rekening van [appellant] kunnen worden gebracht. Partijen hebben hierover de afspraak gemaakt dat [geïntimeerde] deze uren op haar facturen in mindering zou brengen. Tot nog toe is [geïntimeerde] in gebreke gebleven om deze afspraak na te komen en deze urenaftrek toe te passen. Als met deze afspraak en aftrek rekening wordt gehouden is [appellant] nog slechts € 1.400 aan [geïntimeerde] verschuldigd zoals uit de berekening onder 9 van zijn antwoordakte blijkt.

weren

8. [geïntimeerde] heeft tegenover de grieven, samengevat en voor zover van belang, de volgende standpunten ingenomen:

a. Het is gebruikelijk dat de vergoeding voor de opdrachtnemer wordt vastgesteld op grond van diens urenregistratie, tenzij partijen anders overeenkomen. Het feit dat [appellant] aantekeningen heeft gemaakt van zijn gesprekken met medewerkers van [appellant] maakt dit niet anders. Het werk van een adviseur is slechts voor een deel voor een cliënt zichtbaar. De vraag die moet worden beantwoord is of de uiteindelijk in rekening gebrachte bedragen gebruikelijk of redelijk zijn.

b. Het aantal uren dat in rekening is gebracht is reëel. Voor zover er een afspraak is gemaakt om de uren te corrigeren, is deze afspraak door [geïntimeerde] nagekomen. Het gaat hierbij om een korting van f 3.000 vanwege zaken van typetechnische aard. Verder is afgesproken dat de systeembeheerder/helpdesk geen tijd zou schrijven. Andere correcties zijn niet toegezegd of afgesproken.

c. De rechtbank heeft in het eerste tussenvonnis het aantal uren vastgesteld. [appellant] kan niet opnieuw het aantal in rekening gebrachte uren betwisten. Bovendien heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerde] met de correctie van de uurtarieven voldoende aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen. Hiertegen is [appellant] in hoger beroep niet met nieuwe bezwaren gekomen.

d. Ingevolge artikel 7:405, tweede lid, BW is de opdrachtgever het op gebruikelijke wijze berekende loon verschuldigd of bij gebreke hiervan een redelijk loon. De rechtbank heeft niet meer gedaan dan een redelijk loon vastgesteld. [appellant] heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Terecht heeft de rechtbank [appellant] uiteindelijk veroordeeld tot betaling van € 21.971, met rente en kosten.

beoordeling grieven en weren

9. Het verweer van [geïntimeerde] dat de rechtbank in het eerste tussenvonnis het aantal uren heeft vastgesteld en dat [appellant] niet opnieuw het aantal in rekening gebrachte uren kan betwisten, is ongegrond. [appellant] heeft in beginsel het recht om bij de nadere omschrijving van haar hoger beroep in de memorie van grieven eveneens grieven te richten tegen beslissingen die in aan het beroepen vonnis voorafgaande tussenvonnissen zijn betrokken. Hierbij is niet van belang dat [appellant] deze vonnissen niet aanstonds in haar appeldagvaarding heeft vermeld. Feiten of omstandigheden die een uitzondering op dit beginsel rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken.

10. De door [geïntimeerde] bij [appellant] in rekening gebrachte werkzaamheden hebben voor een groot deel betrekking op enkele belastingprocedures over de aan [appellant] opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting (en vermogensbelasting) over de jaren 1985 tot en met 1988. In de zaak die tussen partijen bij het hof aanhangig is met het zaaknummer 105.006.503/01, heeft het hof heden eveneens uitspraak gedaan. In dit arrest heeft het hof in rechtsoverwegingen 7 en 9 geoordeeld dat uit de verklaringen van de door [appellant] naar voren gebrachte getuigen redelijkerwijs geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [C] tegenover [appellant] in de periode 2000-2003 heeft erkend dat hij bij de behandeling van deze belastingprocedures is tekortgeschoten en dat [appellant] en [C] vervolgens de afspraak hebben gemaakt dat [geïntimeerde] de hieruit voor [appellant] voortvloeiende (belasting)schade voor haar rekening zal nemen, evenals de aan deze procedures verbonden kosten van juridische bijstand. Tot slot heeft het hof in rechtsoverweging 10 geoordeeld dat [geïntimeerde] aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [appellant] geleden schade als gevolg van de in het nadeel van [appellant] uitgevallen belastingprocedures en dat deze schade aan de hand van de maatstaf van artikel 6:98 BW in een schadestaatprocedure dient te worden vastgesteld.

11. Uit deze oordelen vloeit voort dat [appellant] de bij hem in rekening gebrachte bedragen met betrekking tot de behandeling van deze procedures niet (meer) aan [geïntimeerde] is verschuldigd. [geïntimeerde] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om haar vordering dienovereenkomstig aan te passen en te beperken tot de overige werkzaamheden. Het hof verzoekt [geïntimeerde] bij akte een nieuwe berekening en specificatie in het geding te brengen van haar overblijvende vordering met een concrete omschrijving en datering van de werkzaamheden waarop de vordering betrekking heeft zodat deze voor [appellant] en het hof controleerbaar en verifieerbaar zijn. [appellant] zal hierop bij akte kunnen reageren. Het hof verzoekt [appellant] hierin zo nodig tevens aandacht te besteden aan het door [geïntimeerde] tegenover de grieven gevoerde verweer. Het hof verzoekt [appellant] verder te vermelden of hij zich in staat acht de door hem gestelde en hiervoor onder 7 b vermelde afspraak te bewijzen en welke concrete bewijsmiddelen hem hiertoe ten dienste staan.

12. Tot slot geeft het hof partijen in overweging om op louter praktische gronden via onderling overleg hun resterende geschilpunt over het aantal in rekening gebrachte uren en (daarmee) de prijs van de overige werkzaamheden alsnog tot een einde te brengen. Als partijen het over de hoogte hiervan niet eens worden, moet ermee rekening worden gehouden dat het hof te gelegener tijd behoefte aan de voorlichting van een onpartijdig deskundige heeft over de beantwoording van de vraag welk bedrag als een gebruikelijke of redelijke vergoeding voor deze werkzaamheden kan worden aangemerkt. Partijen voorkomen met een onderlinge regeling hierover verdere (aanzienlijke) kosten. Het lijkt van wijs beleid te getuigen als partijen het verschil tussen hun tot op heden over dit geschilpunt ingenomen standpunten weten te overbruggen, mede gelet op de te verwachten duur van een voorzetting van de procedure en de onzekere uitkomst die hieraan (voor beide partijen) inherent is.

Beslissing

Het gerechtshof:

- verwijst de zaak naar de rol van 26 oktober 2010 voor het nemen van een akte door [geïntimeerde];

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. Vierhout, E.J. van Sandick en E.D. Wiersma, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2010 in het bijzijn van de griffier.