Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2148

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
22-001380-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld tot 240 dagen gevangenisstraf, waarvan 198 voorwaardelijk, voor diefstal (meerdere malen gepleegd) en opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001380-09

Parketnummer(s): 11-500287-08

Datum uitspraak: 18 mei 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 12 maart 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1965,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 mei 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 mei 2008 en/of 16 mei 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit (een kantoor in) een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een kluis en/of een beeldscherm en/of een computerkast en/of een toetsenbord, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (de zorginstelling) ASVZ ([naam zorginstelling]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door een ruit in te slaan, althans te vernielen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 april 2008 tot en met 15 mei 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (werk)boot (te weten: de "[naam boot]", gelegen in de "[naam polder]") heeft weggenomen een en/of meerdere (hoeveelhe(i)d(en)) plastic beker(s) en/of suiker en/of creamer en/of (een) (lege plastic) fles(sen) en/of (een) jerrycan(s) (met brandstof) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Natuur en recreatieschap de Hollandse Biesbosch, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2007 tot en met 02 juni 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een en/of meerdere handdoek(en) en/of washandje(s), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan (de zorginstelling) ASVZ ([naam zorginstelling]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4.

primair

hij op of omstreeks 31 oktober 2007 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkel van Aldi (gelegen aan de [straat]) heeft weggenomen meerdere, althans een, (elektrische) kettingza(a)g(en) (merk: Topcraft), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Aldi Roosendaal b.v., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair

hij op of omstreeks 31 oktober 2007 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, meerdere, althans een, (elektrische) kettingza(a)g(en) (merk: Topcraft) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kettingza(a)g(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 en 4 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 198 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van kort gezegd reclasseringstoezicht, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen Natuur- en recreatieschap De Hollandsche Biesbosch en Aldi Roosendaal BV als nader in het vonnis vermeld.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Ingevolge het vorengaande zal de vordering van de benadeelde partij Natuur- en recreatieschap De Hollandsche Biesbosch in hoger beroep niet meer aan de orde zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks 15 mei 2008 en 16 mei 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in (een kantoor in) een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een kluis en een beeldscherm en een computerkast en een toetsenbord toebehorende aan (de zorginstelling) ASVZ ([naam zorginstelling]), waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, te weten door een ruit in te slaan, althans te vernielen;

3.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2007 tot en met 02 juni 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen handdoeken en washandjes toebehorende aan (de zorginstelling) ASVZ ([naam zorginstelling]);

4. subsidiair

hij op of omstreeks 31 oktober 2007 te Dordrecht een, elektrische kettingzaag (merk: Topcraft) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die kettingzaag wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken omdat er geen sprake kan zijn van overtuiging ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij het feit. De raadsman wijst daarbij, op gronden als nader in de schriftelijke pleitaantekeningen omschreven, op de onbetrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 1].

Het hof overweegt dat de verklaring van [persoon 1] niet gebezigd zal worden voor het bewijs, zodat reeds daarom het verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 1] geen verdere beschouwing behoeft. Voor zover de raadsman bedoelde te stellen dat de verklaringen van [persoon 2] niet betrouwbaar zijn, overweegt het hof ten overvloede hetzelfde als de rechtbank:

Het dossier bevat een verklaring van [persoon 2] (PL1810/08-060383, pagina 1181) over twee inbraken bij (ASVZ) [naam zorginstelling]. [persoon 2] verklaart dat [persoon 1], [verdachte] en een oudere Antiliaan daarbij betrokken waren en dat zij twee keer een kluis hebben meegenomen en ook een keer een computer. In zijn verklaring afgelegd op 20 juni 2008 (PL 1810/08-067508, pagina 1325) bevestigt [persoon 2] dat er twee keer een kluis is gestolen bij de [naam zorginstelling] en dat [verdachte] dit samen met [persoon 1] heeft gedaan. Hij heeft ze zelf met de kluis gezien. Geconfronteerd met een computerkast Tulip STD/BTO System ASVZ, welke is aangetroffen in het huis van [persoon 3], verklaart [persoon 2] (PL 1810/08-060383, pagina 1185) dat dat de computer is die [verdachte] en [persoon 1] hebben weggehaald bij de [naam zorginstelling] en dat er ook een beeldscherm bij was. De hiervoor bedoelde systeemkast en een toetsenbord zijn door een ICT-medewerker van het ASVZ herkend als weggenomen uit het kantoor van de [naam zorginstelling] tussen 15 mei 2008 22.00 uur en 16 mei 2008 6.55 uur.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [persoon 2] betrouwbaar zijn en verwijst daartoe onder meer naar het proces-verbaal bevindingen PL 1810/08-067508 (pagina 1347) waaruit blijkt dat er bij ASVZ [naam zorginstelling] in de periode van 15 april 2008 tot 16 mei 2008 twee maal een kluis is gestolen. Dit stemt overeen met de verklaringen die hierover door [persoon 2] zijn afgelegd. Voor aanwijzingen dat de verklaringen van [persoon 2] onbetrouwbaar zouden zijn omdat hij zijn eigen aandeel in de inbraak daarmee zou willen teniet doen vindt het hof geen steun in het dossier, temeer nu [persoon 2] in het uitgebreide politieonderzoek waar deze zaak deel van uitmaakt, zichzelf niet spaart waar het gaat om zijn rol bij strafbare feiten.

Het hof is van oordeel dat op grond van het vorenstaande de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de computerkast en de kluis uit het kantoor van de [naam zorginstelling] voldoende is komen vast te staan en verwerpt om die reden het verweer van de raadsman.

Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit omdat de verdachte - kort gezegd - stellig ontkent dat er sprake was van diefstal. Verdachte ging logeren bij zijn vriend [persoon 3] en heeft in verband daarmee - voor eigen gebruik - handdoeken en washandjes meegenomen.

Het hof acht dit verweer ongeloofwaardig en overweegt daartoe overeenkomstig het vonnis van de rechtbank het volgende. In het dossier bevindt zich een verklaring van [persoon 2] (PLI8IO/08-067508, pagina 1324) waarin deze verklaart dat hij zelf een keer handdoeken en washandjes bij de [naam zorginstelling] heeft gepakt en dat [verdachte] drie andere keren handdoeken en washandjes uit het rek heeft gepakt. Daarvan had [persoon 2] dan ook een deel meegenomen. [persoon 2] verklaart dat zij op die manier ongeveer 16 à 20 washandjes en net zoveel handdoeken hebben gestolen. Het dossier bevat voorts de weergave van afgeluisterde telefoongesprekken (PL 1810/08-067508, pagina 1304) waarbij de verdachte op 11 april 2008 vanaf een telefoonlijn in gebruik bij ASVZ [naam zorginstelling] belt met [persoon 1]. [persoon 1] vraagt aan [verdachte] of deze naar hem toekomt en wat handdoeken meeneemt. Enige tijd later belt [verdachte] opnieuw met [persoon 1] en geeft in dat gesprek aan dat hij wel handdoeken en washandjes heeft maar dat hij geen lakens mee kan nemen omdat deze achter slot en grendel liggen. Tenslotte wordt gewezen op de verklaring van een assistent begeleider van de [naam zorginstelling] d.d. 28juni 2008 (PLI81O/08-067508, pagina 1313) waaruit blijkt dat hij de verdachte ongeveer twee maanden voordien 5 of 6 keer met een volle rugzak het gebouw uit heeft zien lopen waarna de verdachte dan iedere keer na ongeveer anderhalf uur met een lege rugzak terugkwam. De begeleider heeft de verdachte de laatste keer zijn rugzak open laten maken waaruit 5 à 6 handdoeken van de [naam zorginstelling] tevoorschijn kwamen.

Op grond van het bovenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat - in tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft betoogd - er geen sprake is van het meenemen van een handdoek voor een logeerpartij maar van diefstal van een behoorlijk aantal handdoeken en washandjes op verschillende tijdstippen door de verdachte en een aantal van zijn kennissen. Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken. Op gronden als nader omschreven in de schriftelijke pleitaantekeningen heeft hij daartoe aangevoerd dat de verdachte zijn Legitimatiebewijs een aantal keer is kwijtgeraakt en deze ook in onderpand heeft gegeven. De omstandigheid daarnaast, dat niet kan worden uitgesloten dat [persoon 4] niet controleert of een aan hem getoond Legitimatiebewijs daadwerkelijk toebehoort aan degene die spullen komt brengen, laat ruimte open voor de mogelijkheid dat iemand anders dan de verdachte op de bewuste dag de kettingzaag bij [persoon 4] heeft gebracht. Daarnaast is betoogd dat er geen bewijs is dat de verdachte wist dat het goed van misdrijf afkomstig was en voor de voor opzetheling vereiste opzet. Tot slot is betoogd dat ook geen bewijs voorhanden is voor schuldheling nu er geen verband kan worden gelegd tussen de diefstal en het door de verdachte bij [persoon 4] aangeboden goed.

Ook de advocaat-generaal heeft op gronden als nader omschreven in haar schriftelijke requisitoiraantekeningen geconcludeerd tot vrijspraak ter zake van het onder 4 subsidiair tenlastegelegde omdat haars inziens niet kan worden vastgesteld dat de bij [persoon 4] ingeleverde kettingzaag dezelfde was als één van de bij de Aldi weggenomen kettingzagen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de aangifte van de Aldi Roosendaal BV staat vast dat er op woensdagavond 31 oktober 2007 bij het filiaal in Dordrecht aan de [straat] is ingebroken en dat daarbij 2 kettingzagen van het merk Topcraft zijn gestolen. Voorts heeft de bedrijfsleider van het Aldi-filiaal verklaard dat het merk Topcraft exclusief wordt verkocht door de Aldi. In het dossier bevindt zich als bijlage bij een proces-verbaal bevindingen (PL 1810/07-124074) het in- en verkoopregister van [persoon 4], handelaar in tweedehands goederen, waaruit blijkt dat er - de volgende dag na de inbraak - op 1 november 2007 een kettingzaag van het merk Topcraft is aangeboden door een persoon gebruik makend van een identiteitsbewijs met het nummer [nummer identiteitsbewijs] op naam van [verdachte]. Het opgegeven adres is [adres] te Sliedrecht. Dit is het adres van de instelling waar de verdachte woonachtig is ([naam zorginstelling]), welk adres niet staat vermeld op zijn identiteitskaart. Onmiskenbaar is, dat het identiteitsbewijs van de verdachte is gebruikt bij het aanbieden van de Topcraft kettingzaag bij [persoon 4]. Op grond van de geringe tijdspanne tussen de diefstal van de kettingzagen op 31 oktober 2007 en het aanbieden daarvan de volgende dag op 1 november 2007, alsmede op grond van de exclusiviteit van het merk acht het hof aannemelijk dat het hier gaat om één van deze van diefstal afkomstige kettingzagen. Nu het uitlenen van verdachtes identiteitskaart niet aannemelijk is geworden, de verdachte ten tijde van het verhoor bij de politie in juni 2008 beschikte over dezelfde identiteitskaart en de aanbieder van de kettingzaag het adres van de verdachte heeft genoemd terwijl dit niet op de identiteitskaart is vermeld, gaat het hof er evenals de rechtbank van uit dat de verdachte de kettingzaag op 1 november 2007 heeft aangeboden bij [persoon 4]. Daarbij heeft het hof gelet op de verklaring van [persoon 2], die op 8 juli 2008 (pagina 1183 en verder van het politiedossier) tegenover de politie, naar aanleiding van in het huis van [persoon 3] aangetroffen goederen, onder meer heeft verklaard dat [verdachte] liever gereedschappen had dan een computer. Hij wilde zaagmachines en schuurmachines en leverde die dan in bij [persoon 4]. De omstandigheid dat de verdachte, kennelijk tegen beter weten in, blijft ontkennen dat hij de van misdrijf afkomstige kettingzaag heeft aangeboden bij [persoon 4] leidt ertoe dat het hof mede op die grond het bewijs aanwezig acht voor het feit dat de verdachte wist dat het door hem aangeboden goed van een misdrijf afkomstig was. Het hof verwerpt derhalve evenals de rechtbank het verweer dat opzetheling niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het verweer van de verdediging ten aanzien van de meer subsidiair tenlastegelegde schuldheling komt gelet hierop niet meer aan de orde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

En ten aanzien van het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde:

Opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal, waarvan één maal met braak, van goederen van de zorginstelling waar hij verbleef. Daarnaast heeft hij een kettingzaag waarvan hij wist dat die gestolen was verkocht aan een in- en verkoper van tweedehands goederen. Diefstal en ook heling, nu dat diefstallen bevordert, zijn laakbare feiten, aangezien zij enkel gepleegd worden uit oogpunt van persoonlijk gewin en voor de slachtoffers financieel nadeel en overlast met zich mee brengen.

Ten nadele van de verdachte weegt mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 april 2010 reeds eerder meermalen veroordeeld is voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Anderzijds heeft het hof acht geslagen op de diverse rapportages omtrent de verdachte, in het bijzonder het psychologisch onderzoek van drs. Zwegers d.d. 4 februari 2009 en het psychiatrisch onderzoek van drs. Van Dam en drs. Van der Meer d.d. 21 januari 2009, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte verstandelijk zeer beperkt is. Ook is meegewogen hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 mei 2010 omtrent de moeizame en veel aandacht behoevende persoonlijke omstandigheden van de verdachte is medegedeeld door de getuige-deskundige de heer J. Vos, sociaal pedagogisch werker bij ASVZ [naam zorginstelling], de zorginstelling waar de verdachte thans nog steeds woonachtig is.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Mede gelet op hetgeen door de getuige-deskundige de heer Vos ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, zal het hof aan het voorwaardelijk deel van deze straf niet de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht verbinden.

Vordering tot schadevergoeding Aldi Roosendaal B.V.

In het onderhavige strafproces heeft Aldi Roosendaal B.V. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.113,84. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof overweegt dat de verdachte ter zake van het onder 4 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Nu de schade met name de braak betreft, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen.

Bepaalt, dat een op 198 (honderdachtennegentig) dagen bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de benadeelde partij Aldi Roosendaal B.V. niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij Aldi Roosendaal B.V. in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. R.C.A. Duindam, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 mei 2010.