Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2139

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.049.097-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; vordering van student tot toelating om propedeuse aan Hogeschool af te ronden afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.049.097/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 337961/KG ZA 09-938

Arrest van de derde civiele kamer d.d. 20 juli 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant in het principale beroep,

geïntimeerde in het incidentele beroep,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,

tegen

Stichting Hogeschool Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in het principale beroep,

appellante in het incidentele beroep,

hierna te noemen: de Hogeschool,

advocaat: mr. E. Grabandt te ‘s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 27 oktober 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van

29 september 2009 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen in kort geding heeft gewezen. Nadat de zaak abusievelijk was aangebracht bij het gerechtshof

´s-Hertogenbosch als nevenzittingplaats van het gerechtshof ´s-Gravenhage, heeft [appellant] bij herstelexploot van 9 november 2009 onder handhaving van voormelde appeldagvaarding van 27 oktober 2009 de Hogeschool opgeroepen te verschijnen op 24 november 2009 voor het gerechtshof ´s-Gravenhage in het Paleis van Justitie te ´s-Gravenhage. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van eis (met producties) twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke grieven de Hogeschool bij memorie van antwoord (met producties) heeft bestreden. Daarbij heeft de Hogeschool van haar kant onder aanvoering van één grief tegen het vonnis incidenteel geappelleerd. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [appellant] de incidentele grief bestreden. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De in het vonnis onder 2 vastgestelde feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

2. Met haar incidentele grief betwist de Hogeschool opnieuw het spoedeisend belang van [appellant] bij zijn vordering in dit kort geding. De grief faalt. Vóór september aanstaande dient [appellant] zich in te schrijven voor een opleiding aan de Hogeschool Zeeland. De Hogeschool heeft ook in hoger beroep onvoldoende betwist dat een behaalde propedeuse van belang kan zijn voor het verkrijgen van een vrijstelling bij die opleiding. Daarmee is ook thans het spoedeisend belang bij de vordering in dit kort geding, welke ertoe strekt dat [appellant] zijn propedeuse alsnog kan halen, gegeven. Aan het algemene bewijsaanbod van de Hogeschool wordt reeds hierom voorbijgegaan omdat een kort geding als het onderhavige zich niet leent voor nadere bewijslevering.

3. Met grief I komt [appellant] op tegen de verwerping door de voorzieningenrechter (vonnis onder 4.2.1.) van het standpunt van [appellant] dat artikel 3.1.1. van het Reglement Studieadvies en Afwijzing slechts het volgen van dezelfde bacheloropleiding verhindert en niet het afronden van de propedeuse. [appellant] betoogt opnieuw dat het hier gaat om de afronding van de propedeutische fase van de opleiding, welke fase een geheel andere is dan die van de bacheloropleiding, die volgens hem op de propedeutische fase volgt. Artikel 3.1.1 verhindert dat [appellant] de bacheloropleiding verder volgt en zich hiervoor inschrijft. Dit vordert hij niet. Hij vordert slechts te worden toegelaten om één vak (kit01) af te kunnen ronden.

4. De grief mist doel. Artikel 3.1.1. van het Reglement Studieadvies en Afwijzing bepaalt (voor zover van belang) dat de student aan wie een afwijzing is gegeven zich niet meer aan de Hogeschool voor diezelfde bacheloropleiding als student kan inschrijven. Blijkens de artikelen 2.1 en 2.2 van dat Reglement gaat het om de afwijzing die is verbonden aan een advies dat is uitgebracht aan een student aan het einde van diens tweede jaar van inschrijving voor de propedeutische fase en dat betrekking heeft op de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bepaalt in artikel 7.3 lid 1 dat het initiële onderwijs wordt aangeboden in de vorm van opleidingen, in artikel 7.3a lid 2 dat binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden bacheloropleidingen en masteropleidingen, in artikel 7.8. lid 2 dat een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een propedeutische fase omvat en in artikel 7.32. lid 3 dat de inschrijving voor een opleiding geschiedt. Uit deze bepalingen kan niet anders worden afgeleid dan dat het standpunt van [appellant] dat een bindend studieadvies (BSA) tot afwijzing slechts betrekking heeft op de bacheloropleiding als te onderscheiden van de propedeuse, onjuist is. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat een inschrijving louter met als doel de propedeutische fase af te ronden na een BSA, op dezelfde onderwijsinstelling als de onderwijsinstelling die het BSA gaf, niet mogelijk is.

5. Genoemd artikel 3.1.1. houdt verder in dat de student een verzoek kan richten aan de Instituutsdirectie om opnieuw toegelaten te worden. In dit verzoek dient aannemelijk gemaakt te worden dat de student de bacheloropleiding met vrucht zal kunnen volgen. De Hogeschool heeft het verzoek van [appellant] afgewezen. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de Hogeschool met deze afwijzing jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens de voorzieningenrechter (vonnis onder 4.2.2.) is onvoldoende aannemelijk geworden dat de Hogeschool ten onrechte tot deze afwijzing is gekomen. Grief II klaagt daarover, maar faalt. Het hof kan zich met het oordeel van de voorzieningenrechter en de daarvoor gegeven motivering verenigen. Naar aanleiding van de toelichting op de grief wordt het volgende overwogen.

6. De Hogeschool heeft aangevoerd dat zij, na raadpleging van de opleidingsmanager en de docenten Autotechniek, tot de conclusie is gekomen dat [appellant] niet geschikt is voor het volgen van onderwijs aan de Hogeschool. De hieraan ten grondslag gelegde omstandigheden, te weten de slechte studieresultaten, het ontbreken van progressie daarin en de slechte studiehouding van [appellant], heeft [appellant] in eerste aanleg niet weersproken. Dat doet hij in wezen in hoger beroep ook niet, maar hij brengt daartegen in dat hij zich altijd volledig voor zijn studie heeft ingezet, dat hij ondanks zijn suikerziekte nooit absent was, dat in het tweede jaar de resultaten achteruit gingen door verkeerde medicijnen tegen deze ziekte en de intensievere lessen, dat hij op de Hogeschool werd gediscrimineerd en getreiterd, waartegen de Hogeschool ondanks meldingen niets heeft ondernomen, en dat de docent van het vak kit01 niet objectief was en de Hogeschool ten onrechte heeft geweigerd [appellant] bij een andere docent in dat vak examen te laten doen.

7. Het oordeel van de Hogeschool dat [appellant] niet aan de studie-eisen voldeed kan niet als onzorgvuldig worden aangemerkt omdat [appellant] zich wel volop voor de studie zou hebben ingezet en nimmer absent was. Ook in hoger beroep heeft [appellant] niet, dan wel onvoldoende weersproken dat hij niet eerder dan in juli 2009 de Hogeschool in kennis heeft gesteld van zijn suikerziekte, hoewel hem al in maart 2007, bij de schriftelijke mededeling dat een BSA dreigde, werd verzocht eventuele relevante bijzondere omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn op de studieresultaten, te melden. De Hogeschool merkt terecht op dat juist door het ontbreken van absentie er geen reden was te vermoeden dat [appellant] leed aan suikerziekte. Indien inderdaad de studieresultaten minder waren als gevolg van (de verkeerde medicijnen tegen) de suikerziekte, wat bij gebreke van nadere onderbouwing niet zonder meer aangenomen kan worden, moet dit voor risico van [appellant] blijven. De als bijlage E overgelegde verklaring van [internist], internist, is daarom niet van belang. De discriminatie en het treiteren bestonden volgens [appellant] hierin dat hij ’s nachts door andere mannen werd gebeld omdat medestudenten hem op een homosite hadden geplaatst. De Hogeschool betwist dat zij hiervan op de hoogte was. [appellant] heeft niet nader gespecificeerd wanneer, op welke wijze en bij welke medewerker hij de Hogeschool van een en ander in kennis heeft gesteld. In dit kort geding kan er dan niet van worden uitgegaan dat de Hogeschool met het gestelde discrimineren en treiteren bekend was. De Hogeschool heeft [appellant] verscheidene malen de gelegenheid gegeven in het vak kit01 examen te doen. Het beroep tegen het besluit inzake de beoordeling van het mondeling deeltentamen kit01, welk beroep werd ingegeven doordat [appellant] de docent niet als objectief beschouwd, is door het College van Beroep van de Hogeschool ongegrond verklaard. Ook op dit punt kan de Hogeschool geen onzorgvuldigheid worden verweten.

8. [appellant] heeft zich ten slotte beroepen op een hardheidsclausule in genoemd reglement c.q. de redelijkheid en billijkheid. Aan dat beroep zijn de hiervoor besproken omstandigheden ten grondslag gelegd. Uit het voorgaande volgt dat dit beroep niet kan slagen.

9. De slotsom is dat het vonnis zal worden bekrachtigd. Als de telkens in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] de kosten van het principale beroep en de Hogeschool die van het incidentele beroep hebben te dragen. Aan het algemene bewijsaanbod van [appellant] wordt reeds hierom voorbijgegaan omdat een kort geding als het onderhavige zich niet leent voor nadere bewijslevering.

Beslissing

Het hof:

in het principale beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principale beroep, tot op heden aan de zijde van de Hogeschool begroot op € 313,= aan vast recht en € 894,= (1 punt tarief II) aan salaris advocaat;

in het incidentele beroep

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Hogeschool in de kosten van het incidentele beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 447,= (½ punt tarief II) aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2010 in aanwezigheid van de griffier.