Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2054

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
22-006003-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is schuldig bevonden aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het Hof vindt de verdachte echter niet strafbaar omdat deze gedurende het plegen van het strafbaar feit volledig ontoerekeningvatbaar was. Het Hof heeft de volgende maatregel opgelegd: plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006003-09

Parketnummer: 10-631147-09

Datum uitspraak: 22 april 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1957,

[adres],

thans verblijvende in Amsterdam PPC te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

8 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 juli 2009 te Rotterdam [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ben crimineel, ik heb er al tien doodgemaakt en jij wordt nummer elf. Ik maak je dood, je vertelt het niemand na. Als ik met je klaar ben kun je niet meer kijken, kun je niet meer horen, kun je niet meer voelen, dan doe je het niet meer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 03 juli 2009 te Rotterdam [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Hé kankerlijer, ik ga je dood maken. Ik ben een misdadiger, ik heb er al tien dood gemaakt en jij bent de volgende. Over vijf minuten beweeg je niet meer, loop je niet meer, doe je helemaal niets meer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 12 juli 2009 te Rotterdam [aangever 3], inspecteur van politie Rotterdam-Rijnmond heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb een mitrailleur onder de vloer. Ik kan de gezichten goed kijken. Ik ga de politieagenten vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en is zijn plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 jaar gelast. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden

Aangever [aangever 1] bevond zich op 1 juli 2009, tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden als sociaal beheerder zwaar overlast bij woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging], in de [straat] te Rotterdam toen hij verdachte hoorde schreeuwen vanuit het raam van zijn woning. Aangever heeft getracht de situatie handelbaar te krijgen, doch verdachte reageerde niet op de woorden van aangever. Toen aangever een foto van de situatie maakte werd verdachte heel boos. Hij kwam daarop zijn woning uit en stormde op aangever af. Verdachte ging vlak voor het gezicht van aangever staan, waardoor aangever de adem van verdachte op zijn gezicht voelde. Aangever voelde zich door de intimiderende nabijheid van verdachte bedreigd en was bang. Aangever hoorde dat verdachte tegen hem schreeuwde: "Ik ben crimineel, ik heb er al tien doodgemaakt en jij wordt nummer elf. Ik maak je dood, je verteld het niemand na. Als ik met je klaar ben kun je niet meer kijken, kun je niet meer horen, kun je niet meer voelen, dan doe je het niet meer".1

Aangever [aangever 2] liep op 3 juli 2009, tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden als complex-beheerder bij woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging], in de [straat] te Rotterdam toen verdachte vanuit het raam van zijn woning tegen aangever schreeuwde: "Hé kankerlijer, ik ga je dood maken. Ik ben een misdadiger, ik heb er al tien doodgemaakt en jij bent de volgende. Over vijf minuten beweeg je niet meer, loop je niet meer, doe je helemaal niets meer." Aangever voelde zich bedreigd door verdachte omdat hij had gehoord dat verdachte een onberekenbare persoon is.2

Aangever [aangever 3] hoorde, nadat hij een gesprek had gehad met verdachte, van collega politieambtenaar [verbalisant 1] dat de verdachte bij zijn aanhouding op 12 juli 2009 te Rotterdam in het Papiamento een woordelijke bedreiging in de richting van de politie had geuit. [verbalisant 1] was kort na de aanhouding van de verdachte aangesproken door [getuige 1], één van de omstanders. [getuige 1] had de verdachte in het Papiamento horen roepen: "Ik heb een mitrailleur onder de vloer. Ik kan de gezichten goed kijken. Ik ga de politieagenten vermoorden."3

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat hem de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 jaar zal worden opgelegd.

Standpunt van de verdachte en de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat er op 1, 3 en 12 juli 2009 iets is voorgevallen in de [straat] te Rotterdam en verklaarde de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde bedreigingen niet te hebben geuit.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verweer gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen.

Het oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is

tenlastegelegd. Het hof is van oordeel dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat de betreffende woorden -gelet op de algemene strekking daarvan alsmede op de indirecte wijze waarop deze zijn geuit- bij aangever [aangever 3] een serieus gevoel van bedreiging kunnen hebben teweeg gebracht. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Anders dan de verdediging acht het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2

is tenlastegelegd. Het hof is, gezien de aard van de door de verdachte geuite bedreigingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, van oordeel dat bij aangevers [aangever 1] en [aangever 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreigingen geëffectueerd zouden kunnen worden.

Het door de verdediging gedane beroep op het ontbreken van opzet op deze bedreigingen faalt, nu uit de rapportages van psychiater dr. D.J. Vinkers d.d. 3 augustus 2009 en psycholoog drs. J.J. van der Weelde d.d. 8 september 2009 -in weerwil van het betoog van de raadsvrouw- niet valt af te leiden dat bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken en dit evenmin anderszins aannemelijk is geworden.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 01 juli 2009 te Rotterdam [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ben crimineel, ik heb er al tien doodgemaakt en jij wordt nummer elf. Ik maak je dood, je vertelt het niemand na. Als ik met je klaar ben kun je niet meer kijken, kun je niet meer horen, kun je niet meer voelen, dan doe je het niet meer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op 03 juli 2009 te Rotterdam [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Hé kankerlijer, ik ga je dood maken. Ik ben een misdadiger, ik heb er al tien dood gemaakt en jij bent de volgende. Over vijf minuten beweeg je niet meer, loop je niet meer, doe je helemaal niets meer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Over de persoon van de verdachte hebben dr. D.J. Vinkers, psychiater, en drs. J.J. van der Weele, psycholoog, beiden vast gerechtelijk deskundige, op respectievelijk 3 augustus 2009 en 8 september 2009 gerapporteerd.

Uit de rapportage van de psychiater blijkt dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie van het paranoïde type. Dit was ook het geval ten tijde van het plegen van de -thans bewezen verklaarde- feiten. De ziekelijke stoornis van de geestvermogens beïnvloedde het gedrag van de verdachte ten tijde van de feiten in volledige mate. Geadviseerd wordt de verdachte op grond hiervan als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Uit de rapportage van de psycholoog volgt eveneens dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten (paranoïde) schizofrenie dan wel een schizoaffectieve stoornis met (thans) vooral maniforme ontremming. Dit was ook het geval ten tijde van het plegen van de -thans bewezen verklaarde- feiten. De ziekelijke stoornis van de geestvermogens beïnvloedde de gedragingen van de verdachte ten tijde van de feiten, waardoor de verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

Het hof heeft bij zijn beslissing acht geslagen op de inhoud van bovengenoemde rapportages en de daarin vervatte conclusies. Het hof neemt op basis daarvan aan dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat de onder invloed van die stoornis gepleegde bedreigingen hem wegens die stoornis niet kunnen worden toegerekend. De verdachte is derhalve niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsook op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood van [aangever 1] en [aangever 2], hetgeen gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers heeft veroorzaakt en waarvan de slachtoffers blijkens de schriftelijke slachtofferverklaringen d.d. 18 februari 2010 respectievelijk 17 februari 2010 thans nog nadelige psychische gevolgen ondervinden.

De psychiater concludeert dat de verdachte geen ziekte-inzicht heeft en dat niet aannemelijk is gebleken dat de verdachte zich vrijwillig onder behandeling zal stellen. De psychiater stelt dat de kans op recidive voor gelijksoortige delicten zonder gedwongen behandeling zeer hoog is. Geadviseerd wordt de verdachte voor de duur van ten hoogste één jaar te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis, zodat hij daar medicamenteus kan worden behandeld.

De psycholoog concludeert eveneens dat de kans op recidive zonder verdere behandeling zeer groot en feitelijk onvermijdelijk is. Geadviseerd wordt om de verdachte psychiatrisch te laten opnemen ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van ten hoogste één jaar, teneinde hem te motiveren om medicatie te nemen en daarmee door te gaan ook na de geadviseerde opname.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden geplaatst voor de duur van één jaar. Aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan nu:

- de strafbare feiten wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend;

- het gevaar bestaat dat verdachte met zijn hinderlijke gedrag agressie zal oproepen van anderen en het gevaar bestaat dat de psychische gezondheid van anderen zal worden aangetast;

- de verdachte door twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines -een psychiater en een psycholoog- is onderzocht en door dezen afzonderlijke met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende adviezen (d.d. 3 augustus 2009 respectievelijk 8 september 2009) zijn uitgebracht.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 300,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

Voorts heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van

€ 1000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in hoger beroep gevorderde bedrag van € 300,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen tot een bedrag van € 200,- elk en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen voor het overige.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat beide benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van

het onder 1 respectievelijk 2 bewezenverklaarde. De vorderingen lenen zich -naar maatstaven van billijkheid- ieder voor toewijzing tot een bedrag van € 200,-.

Voor het overige acht het hof de vorderingen van de benadeelde partijen niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het onderhavige strafproces. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37, 62 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en ontslaat deze te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor de termijn van 1 (één) jaar.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] tot een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] tot een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. D. Jalink en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 april 2010.

1 Proces-verbaal van aangifte van de politie Rotterdam-Rijnmond,

nr. 2009235882-1, d.d. 8 juli 2009;

proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2009235882-3, d.d. 14 juli 2009.

2 Proces-verbaal van aangifte van de politie Rotterdam-Rijnmond,

nr. 2009242130-1, d.d. 13 juli 2009;

proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2009242130-3, d.d. 14 juli 2009.

3 Proces-verbaal van aangifte van de politie Rotterdam-Rijnmond,

nr. 2009241739-6, d.d. 12 juli 2009;

proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2009241739-5, d.d. 12 juli 2009;

proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2009241739-15, d.d. 14 juli 2009.