Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2007

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.035.508.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dat Nederlands recht van toepassing is en vervolgens vaststelling dat de man, de biologische vader, in dit geval geen gezag heeft (verkregen) over de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 7 juli 2010

Zaaknummer : 200.035.508/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-9081

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Spek te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden en Z-H Noord

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de stichting Bureau Jeugdzorg,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 11 juni 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 april 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De raad heeft op 2 september 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 17 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 17 mei 2010 het raadsrapport van 10 november 2008 ingekomen.

Op 26 mei 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw H. Ahmad, tolk in de Arabische taal. De tolk heeft de belofte afgelegd. Voorts is verschenen namens de raad: de heer R.C. van der Touw en namens Jeugdzorg: de heer R. Grootes. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, Jeugdzorg tot tijdelijk voogdes over de minderjarige [X], geboren [in 2002] te [land] (hierna: de minderjarige), benoemd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag ten aanzien van de minderjarige.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, in hoger beroep bij beschikking voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het verzoek tot benoeming van een (tijdelijke) voogd af te wijzen.

3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de beschikking te bekrachtigen.

4. De man stelt zich op het standpunt dat er sprake is van schending van hoor en wederhoor nu de man niet in de procedure is opgeroepen. Voorts stelt de man dat ten onrechte door de rechtbank is overwogen dat de moeder het eenhoofdig gezag over de minderjarige had, aangezien de moeder bij de geboorte van de minderjarige is overleden. Verder is ten onrechte overwogen dat er gegronde vrees bestaat dat de belangen van de minderjarige worden verwaarloosd indien de man wordt belast met het gezag over de minderjarige.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat de man in het raadsonderzoek is betrokken en dat het raadsrapport waarschijnlijk aan de man is toegezonden. Voorts stelt de raad dat er sprake is van een gezagsvacuüm, nu de moeder van de minderjarige is overleden en de minderjarige niet staande huwelijk is geboren. Hierdoor is noch naar Islamitisch recht, noch naar Nederlands recht voorzien in het gezag over de minderjarige. De raad is verder van mening dat het niet in het belang van de minderjarige is wanneer de man met het gezag over hem zal worden belast.

6. Jeugdzorg heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de minderjarige thans in een perspectief biedend pleeggezin verblijft, waar het goed met hem gaat. Gelet op de rust en stabiliteit die de minderjarige thans ervaart is een verandering in de gezagssituatie niet in zijn belang.

7. Het hof overweegt als volgt.

Schending hoor en wederhoor

8. Voorzover er ten tijde van de behandeling in de eerste aanleg sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor, is dit gebrek naar het oordeel van het hof hersteld, doordat ter terechtzitting in hoger beroep de man alsnog voldoende heeft kunnen reageren op het verzoekschrift van de raad in eerste aanleg en het raadsrapport. De eerste grief faalt derhalve.

Gezag

9. De man heeft gesteld dat de moeder van de minderjarige bij zijn geboorte is overleden en dat de man, als de vader, het gezag heeft over de minderjarige. Er is immers nooit een procedure geweest tot ontheffing van de vader uit het ouderlijk gezag. Tot zijn komst naar Nederland is de minderjarige verzorgd door familie in [land]. Toen dit niet langer mogelijk was, heeft de man gezinshereniging aangevraagd en is de minderjarige bij de man komen wonen. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de man een kopie van de geboorteakte van de minderjarige overgelegd alsmede een kopie van de overlijdensakte van de moeder van de minderjarige. Beide akten zijn vertaald door een beëdigd vertaler “Koerdisch”. Het hof stelt vast dat, nog daargelaten dat het te dezen geen authentieke akten betreft, op de genoemde geboorteakte van de minderjarige bij het hokje ‘De vader’, níet de naam van de man staat ingevuld. Naar stelling van de man is de naam van zijn broer op die plaats genoteerd omdat deze, in mei 2005, een nieuwe geboorteakte heeft aangevraagd nadat het originele exemplaar bij de IND verloren is gegaan.

10. Het hof overweegt als volgt. Wat er ook zij van het biologisch vaderschap van de man, vast staat dat de man ongeveer 18 jaar in Nederland woont en dat hij de minderjarige in mei 2008 vanuit [land] naar Nederland heeft laten overkomen met de stellige bedoeling hem hier verder te laten opgroeien in zijn gezin. Daarmee heeft de minderjarige, naar het oordeel van het hof, zijn gewone verblijf gekregen in Nederland. Op grond daarvan is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 in samenhang met artikel 1 van Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen, 5 oktober 1961, Trb. 1968, 101 (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961), de Nederlandse rechter bevoegd met toepassing van Nederland recht, maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van de persoon en de goederen van de minderjarige.

11. De juistheid van de stelling van de man dat, niet tegenstaande het feit dat hij niet met de moeder was getrouwd, tussen hem en de minderjarige een familierechtelijke betrekking bestaat in de zin dat hij - als biologische vader - naar Islamitisch recht het gezag heeft over de minderjarige, kan in het midden blijven nu de man naar Nederlands recht geen gezag heeft. Nu daar ook anderszins niet in was voorzien, was het verzoek van de raad voor toewijzing vatbaar. De tweede en derde grief, die beide op het gezagsrecht van de man zijn gegrond, zijn mitsdien vruchtloos voorgesteld. Uit het voorgaande volgt dat ook de vraag óf de man de biologische vader is van de minderjarige, in deze procedure in het midden kan blijven.

12. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking, met aanvulling van gronden, zal worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Van den Wildenberg en Kamminga, bijgestaan door mr. Pol als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2010.