Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1839

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.029.853.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, behoefte en draagkracht. Verschillende periodes; nieuwe partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 juni 2010

Zaaknummer : 200.029.853/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 08-1881

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.G. van Heusden te Amsterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H. Durdu te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 3 april 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 februari 2009 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 11 augustus 2009 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De vader heeft op 24 september 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 29 juli 2009, 10 augustus 2009 en 12 oktober 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 11 augustus 2009 en 24 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 31 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vader de navolgende aanvullende stukken overgelegd:

- een brief van 4 januari 2010 van [naam werkgever], de werkgever van de vader;

- een brief van 17 februari 2010 van het UWV, gericht aan de nieuwe echtgenote van de vader;

- een brief van 14 juli 2009 van het UWV gericht aan de vader;

- de jaaropgave 2009 van het UWV van de nieuwe echtgenote van de vader;

- de jaaropgave 2009 van het UWV van de vader;

- twee salarisspecificaties van de vader van februari en maart 2010.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is – voor zover hier van belang – bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 27 juni 2008, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] en [naam minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen), voor wat betreft de na heden te verschijnen termijn telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 165,- per maand per kind, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze minderjarigen kan of zal worden verleend.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, hierna ook kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de beslissingen inzake de kinderalimentatie voor de minderjarigen, en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat kinderalimentatie voor de minderjarigen nihil bedraagt.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (zo begrijpt het hof:) in principaal appel alle grieven van de vader integraal af te wijzen en in incidenteel appel de bestreden beschikking in eerste aanleg te vernietigen en, naar het hof begrijpt: opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader een kinderalimentatie zal betalen voor de minderjarigen van € 200,- per kind per maand, bij vooruitbetaling per maand aan de moeder te voldoen, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht.

4. Het hof ziet aanleiding om allereerst het incidenteel appel van de moeder te behandelen.

Incidenteel appel

5. De moeder stelt zich in haar eerste en enige incidentele grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de aflossing van de schuld van € 23.602,55. Volgens de moeder lost de vader feitelijk niet af op de schuld en dient daarom de schuld buiten beschouwing te blijven bij de berekening van de draagkracht van de vader, zodat de vader voldoende draagkracht heeft om een kinderalimentatie van € 200,- per maand per kind te betalen. De vader verzet zich hiertegen.

6. Het hof overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op de draagkracht van de onderhoudsplichtige in beginsel al diens schulden van invloed zijn. Of al dan niet wordt afgelost op een schuld is niet doorslaggevend. Het hof is, mede gelet op hetgeen de vader omtrent de aflossing van de schuld ter terechtzitting – onweersproken – heeft verklaard, namelijk dat hij wel degelijk heeft afgelost op de schuld en dat de schuld is afgenomen tot € 16.000,-, van oordeel dat de grief van de moeder dat er een hogere draagkracht aan de zijde van de vader zou zijn omdat hij niet aflost op de schuld, faalt.

Principaal appel

7. De vader stelt in zijn eerste en enige grief dat de rechtbank voor de berekening van de behoefte van de minderjarigen en zijn draagkracht ten onrechte is uitgegaan van zijn laatst verdiende salaris. De vader kan zich niet verenigen met de door de rechtbank in de draagkrachtberekening opgenomen woonlasten en omgangskosten. Daarnaast stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zijn nieuwe partner geen inkomen heeft in verband met haar naderende bevalling en hij betoogt dat de kinderalimentatie ten onrechte op € 165,- per maand is vastgesteld.

8. De moeder heeft de stellingen van de vader gemotiveerd betwist.

Behoefte

9. Het hof overweegt als volgt. Het debat van partijen heeft zich in de stukken en tijdens de terechtzitting toegespitst op de draagkracht van de vader. Het hof gaat er derhalve vanuit dat het door de rechtbank vastgestelde eigen aandeel in de kosten minderjarigen (behoefte) van de minderjarigen van € 438,50 per maand tussen partijen niet is geschil is en dus vaststaat.

Draagkracht vader

10. Het hof overweegt als volgt. Door de rechtbank is de ingangsdatum van de kinderalimentatie bepaald op 27 juni 2008. Nu hiertegen door partijen niet is gegriefd, zal het hof van die datum uitgaan. Voorts zal het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vader uitgaan van de verschillende wijzigingen die zich inmiddels hebben voorgedaan. Aldus zal het hof diverse periodes onderscheiden.

Periode vanaf 27 juni 2008 tot 1 december 2008

11. Vanaf 1 mei 2007 tot 1 oktober 2008 heeft de vader een inkomen uit dienstverband gehad. Met ingang van 1 december 2008 ontving de vader een WW-uitkering, tot 7 juli 2009, zijnde de datum waarop hij in dienst is getreden bij een nieuwe werkgever. Bij voornoemd einde van zijn dienstverband per 1 oktober 2008 heeft de vader een ontslagvergoeding ontvangen waarmee hij, zo heeft hij ter terechtzitting erkend, de twee maanden tot zijn WW-uitkering op 1 december 2008 financieel heeft kunnen overbruggen.

Nu de vader ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat hij in de periode tot 1 december 2008 de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie kon betalen omdat hij toen lagere woonlasten en inkomen uit arbeid had, zal het hof hiervan uitgaan en de bestreden beschikking wat betreft de periode tot 1 december 2008 bekrachtigen.

Bijstandsnorm

12. De vader heeft ter terechtzitting een jaaropgave 2009 van het UWV van zijn nieuwe partner overgelegd waaruit blijkt dat zij in 2009 een fiscaal inkomen had van € 2.389,- bruto. Ook heeft hij een brief van 17 februari 2010 van het UWV overgelegd waaruit blijkt dat zijn nieuwe partner tot 13 februari 2010 een WW-uitkering had. Ter terechtzitting heeft de vader verklaard dat zijn nieuwe partner voordat zij met zwangerschapsverlof ging, werkte als sportmasseuse en ook als receptioniste in een hotel. Met ingang van het moment dat zij met zwangerschapsverlof is gegaan, heeft zij een Ziektewetuitkering ontvangen, aldus de vader.

13. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door de vader overgelegde stukken onvoldoende welke inkomsten de nieuwe partner genoot voordat zij met zwangerschapsverlof ging en een Ziektewetuitkering ontving. Bij gebrek aan deze informatie gaat het hof ervan uit dat de nieuwe partner in staat was om in de periode van 1 december 2008 tot 1 juli 2009 in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof zal de vader dan ook beschouwen als alleenstaande, en ervan uit gaan dat de nieuwe partner in deze periode in staat was de helft van de woonlasten te dragen.

14. Ter zitting heeft de vader laten weten dat zijn nieuwe partner vooreerst voornemens is niet te gaan werken. Het hof overweegt als volgt. Het staat de partner van de man uiteraard vrij haar leven op de door haar gewenste wijze in te vullen. Echter de financiële gevolgen van de keuzes van de man en zijn nieuwe partner - de aanschaf van een nieuwe woning met relatief hoge woonlasten, en het na de geboorte van hun kind afzien van het generen van eigen inkomsten door de partner - dienen zij voor eigen rekening te nemen en niet af te wentelen op de kinderen uit het eerste huwelijk van de man. Het hof zal dan ook voor de periode ingaande 1 juli 2009 er van uit gaan dat de partner in eigen levensonderhoud kan voorzien en de man aanmerken als alleenstaande, zij het dat het hof, gezien de leeftijd van haar kind, voorlopig uitgaat van een niet-voltijdse baan van de partner waardoor zij per 1 juli 2009 geacht wordt niet langer te kunnen bijdragen in de woonlasten.

Periode vanaf 1 december 2008 – 1 juli 2009

15. In deze periode gaat het hof bij de berekening van de draagkracht van de vader uit van het navolgende inkomen en de navolgende lasten.

Inkomen

16. De vader heeft ter terechtzitting een jaaropgave 2009 van het UWV overgelegd. Daaruit blijkt dat de vader van 1 januari 2009 tot 6 juli 2009 een WW-uitkering heeft ontvangen van totaal € 17.285,- bruto. Het hof zal van dit inkomen uitgaan bij de berekening van de draagkracht in deze periode.

Lasten

17. Bij de berekening van de draagkracht van de vader zal het hof uitgaan van de navolgende lasten.

Woonlasten

18. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader in juli 2007 een nieuw te bouwen woning heeft gekocht waarin hij sinds december 2008 woont en dat hij hypothecaire rentelasten heeft.

De vader heeft gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met hypothecaire rentelasten ter hoogte van € 1.568,96 per maand, en met de premie levensverzekering van € 19,- per maand. De moeder heeft betoogd dat slechts met de helft van de woonlasten rekening dient te worden gehouden omdat de nieuwe partner van de vader de helft van de woonlasten kan betalen.

19. Het hof is van oordeel dat, nu de nieuwe partner geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zij ook in staat moet worden geacht om de helft van de woonlasten van de vader, zijnde de helft van € 1.568,96 per maand, de helft van het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand en de helft van € 19,- per maand (levensverzekering) te betalen. Ook zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening houden met de helft van het eigenwoningforfait.

Premie zorgverzekering

20. Het hof zal rekening houden met de niet, dan wel onvoldoende bestreden, maandelijkse premie ziektekostenverzekering van € 94,16, te vermeerderen met de inkomensafhankelijke ZVW-bijdrage en een eigen risico van € 13,-, te verminderen met de gemiddelde nominale premie, welk deel wordt geacht te zijn inbegrepen in de voor de man toepasselijke bijstandsnorm.

Omgangskosten

21. Ter terechtzitting heeft de vader erkend dat hij de minderjarigen slechts één dag per twee maanden ziet omdat hij niet in staat is om de minderjarigen vaker op te halen. Hij heeft gesteld dat hij hoopt dat hij de minderjarigen in de toekomst weer vaker zal zien en dat derhalve toch met de omgangskosten van € 29,25 per maand rekening dient te worden gehouden.

Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vader voor wat betreft de omgangskosten uitgaan van de situatie zoals deze thans is en rekening houden met € 10,- per twee maanden aan omgangskosten, zijnde € 5,- per maand.

Schulden

22. De vader heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat hij op de schuld van € 23.602,55 aan zijn moeder vanaf 1 januari 2007 tot heden (onregelmatig) heeft afgelost. Thans bedraagt de schuld nog € 16.000,-.

23. Gelet op het voorgaande, gaat het hof ervan uit dat de vader van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2010 een bedrag van € 7.602,55 heeft afgelost van de schuld bij zijn moeder. Omgerekend over voornoemde periode, komt dat neer op een maandelijkse aflossing van € 194,94 per maand. Nu de vader te kennen heeft gegeven niet consequent de afgesproken € 650,- per maand aan aflossing te betalen aan zijn moeder, acht het hof het redelijk om bij de berekening van zijn draagkracht uit te gaan van een aflossing van € 195,- per maand. Verder zal het hof rekening houden met € 61,- per maand aan aflossing van de studieschuld.

24. Voorts zal het hof rekening houden met de gebruikelijke heffingskortingen en een draagkrachtpercentage van 60.

25. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader een kinderalimentatie toelaat van € 103,- per maand per kind, zodat de bestreden uitspraak voor deze periode zal worden vernietigd.

Periode 1 juli 2009 - 6 april 2010

26. Vaststaat dat de vader op 7 juli 2009 een nieuw dienstverband is aangegaan, welk dienstverband op 6 april 2010 is geëindigd. Verder is op 3 juli 2009 de nieuwe partner van de vader bevallen van hun kind. Nu de datum van indiensttreding van de vader en de bevalling van zijn nieuwe partner dicht bij elkaar liggen, ziet het hof aanleiding om de derde periode te laten aanvangen op 1 juli 2009.

Inkomen

27. In deze periode gaat het hof bij de berekening van de draagkracht van de vader uit van zijn inkomen uit dienstbetrekking bij [naam werkgever]. van € 3.500,- bruto per maand.

Lasten

28. Gelet op het hierboven genoemde inkomen, is het hof van oordeel dat de door de vader opgevoerde hypothecaire rentelasten en de premie levensverzekering, niet redelijk zijn. Het hof zal dan ook een korting wegens onredelijke woonlast toepassen, die in deze periode neerkomt op € 208,- per maand. Voorts houdt het hof rekening met een eigenwoningforfait van € 1.485,- per jaar zoals blijkt uit de door de vader overgelegde draagkrachtberekening.

Voor het overige gaat het hof uit van dezelfde lasten als in de voorgaande periodes, een draagkrachtpercentage van 70 en de bijstandsnorm van een alleenstaande.

29. Het hof zal met ingang van 1 juli 2009 de draagkracht van de vader gelijkelijk verdelen over de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. In deze periode zal het hof de draagkracht van de vader dan ook verdelen over drie kinderen.

30. Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de vader in deze periode een kinderalimentatie toelaat van € 120,- per maand per kind, zodat de bestreden beschikking ook in zoverre zal worden vernietigd.

Periode vanaf 6 april 2010

31. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat per 6 april 2010 het dienstverband van de vader bij [naam werkgever] is beëindigd. Bij gebrek aan andere gegevens gaat het hof ervan uit dat de WW-uitkering, dan wel een nieuwe baan, van de vader voldoende zal zijn om € 120,- per kind per maand te blijven voldoen.

32. Het hof zal als navolgend beslissen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de periode vanaf 1 december 2008 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- in de periode vanaf 1 december 2008 tot 1 juli 2009 op € 103,- per maand per kind;

- in de periode vanaf 1 juli 2009 op € 120,- per maand per kind,

wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Stille en Husson, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010.