Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1834

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.052.962-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie- behoefte, behoeftigheid en draagkracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 7 juli 2010

Zaaknummer : 200.052.962/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-214

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. Beumer te Spijkenisse,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. van Dijk te Oud-Beijerland.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 december 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 september 2009 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 4 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 21 januari 2010, 7 mei 2010 en 10 mei 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 10 mei 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 21 mei 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw en de man, bijgestaan door hun respectieve advocaten. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de man tot wijziging van de door de rechtbank bij beschikking van 30 januari 2008 ten laste van de man aan de vrouw toegekende uitkering tot levensonderhoud afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de alimentatieverplichting ten laste van de man, als opgelegd bij de beschikking van 30 januari 2008 van de rechtbank Dordrecht, dient te worden gewijzigd, in dier voege dat de alimentatieverplichting ten laste van de man, ten behoeve van de vrouw met ingang van 23 oktober 2008 dient te worden bepaald op nihil, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum op nihil, althans te bepalen op een bijdrage ter hoogte van en ingaand op een moment als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel, althans het appel van de man af te wijzen.

4. De man heeft drie grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd.

Behoefte vrouw

5. In de eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat van de vrouw niet verwacht mag c.q. kan worden dat zij inmiddels in staat zou moeten zijn een inkomen te verwerven, waarmee zij in eigen levensonderhoud kan voorzien. De man is van mening dat het op de weg van de vrouw had gelegen zich tot het uiterste in te spannen om inkomen te genereren waarmee zij grotendeels in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien.

6. De vrouw stelt dat zij haar werkzaamheden bij haar huidige werkgever niet kan uitbreiden vanwege reorganisatieplannen. Zij stelt dat zij nog immer behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man ter hoogte van de vastgestelde uitkering tot levensonderhoud. De vrouw stelt dat voor de behoefte van de vrouw aansluiting dient te worden gezocht bij de 60% norm. Het nettogezinsinkomen bedroeg destijds € 2.500,- per maand, de vrouw geniet een inkomen van € 5.463,- per jaar. Rekening houdend met de kosten ten behoeve van de minderjarige van € 150,- per maand en de eigen verdiencapaciteit van de vrouw, heeft de vrouw volgens de hofnorm behoefte aan een aanvullende bijdrage in haar kosten van levensonderhoud van € 1.318,- per maand. De vrouw heeft ter terechtzitting verwezen naar een door haar in eerste aanleg in het geding gebrachte behoefteberekening waaruit, volgens de vrouw, blijkt dat zij behoefte heeft.

7. Het hof overweegt als volgt. Krachtens vaste jurisprudentie dient de rechter bij het bepalen van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde, rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. De vrouw heeft in eerste aanleg bij het verweerschrift als productie 2 een behoefteberekening in het geding gebracht. Ter staving van haar behoefte heeft de vrouw een aantal financiële gegevens in het geding gebracht, waaronder een lijst met inkomsten en uitgaven. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stelling, inhoudende dat zij een huwelijksgerelateerde behoefte heeft van € 1.318,- netto per maand, voldoende heeft onderbouwd. Het hof is gebleken dat de behoefteberekening van de vrouw hierop aansluit, de vrouw genoeg concrete gegevens in het geding heeft gebracht en man de opgevoerde posten onvoldoende concreet heeft betwist. Gelet ook op het gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van partijen komt de behoefte van de vrouw het hof alleszins redelijk voor.

Behoeftigheid

8. Gelet op de door de vrouw overgelegde stukken en hetgeen zij ter zitting naar voren heeft gebracht, is het hof van oordeel dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat zij heeft getracht volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien maar dat dit niet geheel is gelukt. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij haar huidige werkzaamheden bij [werkgever] niet kan uitbreiden. Gelet op de duur van het huwelijk, de opleiding van de vrouw en haar arbeidsverleden kan op dit moment ook niet van haar verlangd worden dat zij een andere passende baan kan vinden waarbij zij fulltime kan werken. Wel is het hof van oordeel dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij op korte termijn zich actief gaat mengen op de arbeidsmarkt. Het hof gaat er derhalve van uit dat, gelet op de hoogte van het inkomen van de vrouw, zij nog steeds behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud.

Draagkracht man

9. De man stelt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat voor de bepaling van de draagkracht van de man de inkomenspositie dient te worden bepaald aan de hand van de jaaropgave 2007. De man is in 2008 niet langer in staat overwerk te verrichten. De man stelt dat brandweerlieden, op grond van de wijziging van de Arbeidstijdenwet, niet meer dan 48 uur gemiddeld per week mogen werken, behoudens een opt-out die de man heeft getekend, waardoor hij 60 uur gemiddeld kan werken. De man heeft deze uren aangewend voor vrijwillige werkzaamheden. De man is van mening dat bij de bepaling van zijn draagkrachtpositie het inkomen van 2008 leidend is, welk in 2008 € 39.674,- per jaar bedroeg.

10. De vrouw stelt dat het de vrijwillige keuze van de man is om de extra toegestane uren (van de opt-out regeling) bij de [werkgever] werkzaam te zijn. De man heeft willens en wetens zijn inkomen verlaagd, terwijl hij een alimentatieplicht jegens de vrouw heeft.

11. Het hof is gebleken dat de man in 2009 een fiscaal loon heeft genoten van € 40.716,- en het hof zal dit inkomen als uitgangspunt nemen bij de bepaling van de draagkracht van de man. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de inkomensverandering aan de zijde van de man niet geheel voor zijn rekening en risico dient te komen, te meer nu gebleken is dat zijn inkomen ten opzichte van 2008 weer enigszins gestegen is en dat hij ook tijdens het huwelijk al bij de [werkgever] werkzaamheden heeft verricht.

Woonlasten

12. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de nieuwe partner van de man de helft van de woonlasten voor haar rekening dient te nemen. De man is van mening dat hij aangemerkt dient te worden als alleenstaande en dat de volledige woonlast ten laste van zijn draagkracht dient te worden gebracht, nu zijn relatie met zijn partner beëindigd is. Hij stelt dat er bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden dient te worden met een bedrag aan hypotheekrente van € 886,67 per maand, premie levensverzekering van € 15,- per maand, overige eigenaarslasten van € 95,- per maand en een eigen woningforfait van € 1.050,- per jaar. Voorst stelt de man dat er rekening gehouden moet worden met een bijdrageverplichting met betrekking tot de minderjarige [naam], welke geboren is uit zijn laatste relatie.

13. De vrouw stelt dat de rechtbank terecht ervan uit is gegaan dat de partner van de man in haar levensonderhoud kan voorzien en derhalve de helft van de woonlasten voor haar rekening neemt. Door de man is immers niets gesteld omtrent de verdiencapaciteit van de partner. Voorts stelt de vrouw een korting in de woonlasten voor van € 200,- per maand. Verder betwist de vrouw de premie levensverzekering voor € 36,- per maand, de premie voor uitkering bij ziekte/ongeval of invaliditeit voor € 81,- per maand en de kosten voor de omgangsregeling.

14. Het is het hof gebleken dat de partner van de man op enig moment bij hem is ingetrokken. Op 27 februari 2009 is uit de relatie de minderjarige [minderjarige] geboren. Per 1 september 2009 is de relatie tussen de man en zijn partner beëindigd. Gelet op het vorenstaande zal het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening houden met twee periodes.

15. Vanaf de periode van de samenwoning is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de partner van de man in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en wordt rekening gehouden met een alleenstaande oudernorm en een draagkrachtpercentage van 60. Het feit dat er een kind is geboren doet er niet aan af. Niet is gebleken dat er voor de partner van de man enige beperking is om werkzaamheden te verrichten. Voor deze periode zal het hof rekening houden met de navolgende woonlasten: een bedrag aan hypotheekrente van € 443,34 per maand, premie voor de levensverzekering gekoppeld aan de hypothecaire lening van € 7,50 per maand, overige eigenaarslasten van € 47,50 en een eigenwoningforfait van € 525,25 per jaar.

16. Voor de periode vanaf 1 september 2009 houdt het hof rekening houden met de alleenstaande norm, nu de partner van de man met de minderjarige [naam] de woning heeft verlaten. Voor deze periode zal het hof rekening houden met de navolgende woonlasten: een bedrag aan hypotheekrente van € 886,67 per maand, premie voor de levensverzekering gekoppeld aan de hypothecaire lening van € 15,- per maand, overige eigenaarslasten van € 95,- en een eigenwoningforfait van € 1.050,- per jaar.

17. Voorts is het hof gebleken dat de man op vrijwillige basis een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam] aan zijn partner betaalt ten bedrage van € 155,- per maand en tevens betaalt de man € 155,85 per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de thans jongmeerderjarige dochter van partijen. Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man voor beide periodes met deze bedragen rekening houden, mede gelet op de hoge prioriteit van kinderalimentatie.

18. Ten aanzien van de stelling van de vrouw over de onredelijke woonlast overweegt het hof als volgt. Het plafond voor ‘de redelijke woonlast’ ligt gewoonlijk rond een derde van het netto besteedbaar inkomen. Gezien het besteedbaar inkomen van de man, en de totale woonlasten, zal het hof geen korting toepassen in verband met een onredelijke woonlast.

Overige lasten

19. Het hof zal geen rekening houden met de omgangskosten, nu niet is gebleken dat de man feitelijk deze kosten maakt voor omgang met de minderjarige [naam]. Evenals de rechtbank zal het hof ook geen rekening houden met de premie levensverzekering en de premie voor uitkering bij ziekte/ongeval of invaliditeit, nu de noodzaak voor deze verzekeringen niet aannemelijk zijn geworden.

Verdeling

20. Voorts zal het hof, noch in het kader van de draagkracht van de man, noch ten aanzien van de behoefte van de vrouw, rekening houden met de bedragen die partijen in het kader van de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap ontvangen hebben, nu partijen hierover geen voldoende inzage hebben verschaft.

Conclusie

21. Rekeninghoudend voorts met de overige door de man gestelde, en door de vrouw niet bestreden posten, alsook rekeninghoudend met de overige financiële omstandigheden zoals door de rechtbank vastgesteld, en waartegen geen van partijen bezwaar heeft gemaakt, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man een partneralimentatie toelaat ter hoogte van de door de rechtbank bij beschikking van 30 januari 2008 vastgestelde bijdrage van € 533,- per maand ten behoeve van de vrouw.

22. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

23. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

24. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Labohm en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2010.