Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1438

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
200.048.668.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betaling kinderalimentatie door derde (werkgever moeder). Tijdelijk kinderalimentatie voldoen door interen op vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 mei 2010

Zaaknummer : 200.048.668/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-167

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P. Verbraaken te ‘s-Gravenhage,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.J. Montanus te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 10 november 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 augustus 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 30 december 2009 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De vader heeft op 16 februari 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 27 november 2009, 5 januari 2010 en 19 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 31 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de vader voor de periode van 25 augustus 2009 tot 1 januari 2010 een bijdrage dient te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen),

van € 40,- per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2010 € 216,18 per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, hierna ook kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, in hoger beroep bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bijdrage van hem in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 7 december 2008, althans 7 januari 2009, althans met ingang van een zodanig datum als het hof in goede justitie zal menen te behoren, wordt gesteld op € 40,- per maand en per kind, althans een zodanige bijdrage als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt in principaal appel de vader in het door hem gedane verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn grieven af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, en in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen en, indien het hof van oordeel is dat de inkomensvermindering van de vader niet herstelbaar is, opnieuw beschikkende, de vader te veroordelen met ingang van 25 augustus 2009 een bedrag aan kinderalimentatie te betalen van € 140,- per maand.

4. De vader verzet zich daartegen en verzoekt de moeder in het door haar gedane verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar grieven af te wijzen en de moeder in het door haar gedane verzoek om hem te veroordelen met ingang van 25 augustus 2009 een bedrag van € 140,- per maand te betalen eveneens niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen.

Principaal appel

5. De behoefte van de minderjarigen staat als niet weersproken vast.

6. De vader stelt in zijn eerste grief – kort weergegeven – de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 25 augustus 2009 van de kinderalimentatie ter discussie. Hij stelt dat hij slechts door leningen aan te gaan de kinderalimentatie heeft kunnen voldoen aan de moeder.

In zijn tweede grief betoogt de vader – kort samengevat – dat de rechtbank ten onrechte de kinderalimentatie slechts tot 1 januari 2010 heeft verlaagd naar € 40,- per maand en dus met ingang van 1 januari 2010 de kinderalimentatie ten onrechte heeft verhoogd naar € 216,18 per maand per kind. Volgens de vader heeft hij, nu hij een WW-uitkering ontvangt, een sollicitatieplicht. Tot nu toe heeft hij, ondanks zijn vele sollicitaties, geen nieuwe baan gevonden.

De vader stelt te zijn aangemeld voor begeleiding bij het vinden van werk en een opleiding tot sportmasseur te volgen om zijn kansen op de arbeidsmarkt te verbreden. Volgens de vader is zijn inkomensverlies onherstelbaar en wordt het vinden van een nieuwe functie bemoeilijkt door de aangifte die de moeder tegen hem heeft gedaan in verband met huiselijk geweld. De moeder heeft de stellingen van de vader gemotiveerd betwist.

7. Het hof overweegt als volgt.

De vader vraagt met ingang van 7 december 2008 of 7 januari 2009 verlaging van de tot 25 augustus 2009 geldende kinderalimentatie. Uit de stukken, met name uit de aangifte Inkomstenbelasting van de vader over 2008, en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader op 31 december 2008 beschikte over een bedrag van € 31.717,- aan spaargeld. Het hof gaat er, nu niet gebleken is dat de vader dit geld aan iets anders heeft uitgegeven, vanuit dat de vader tot 25 augustus 2009 de door de rechtbank bij beschikking van 6 december 2006 vastgestelde kinderalimentatie mede uit dit spaargeld kon voldoen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om in de periode tot 25 augustus 2009 de kinderalimentatie te verlagen.

8. Voor wat betreft de periode vanaf 25 augustus 2009 overweegt het hof als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader sinds 12 september 1989 werkzaam was bij [bedrijf X]. De moeder, eveneens werkzaam bij [bedrijf X] als medewerker [naam afdeling], heeft [bedrijf X] ervan op de hoogte gesteld dat de vader niet zijn juiste woonadres aan [bedrijf X] had opgegeven en dat hij ten onrechte reiskostenvergoeding ontving. Vervolgens is de arbeidsovereenkomst van de vader met [bedrijf X] op 7 december 2008 beëindigd, naar het hof aanneemt mede op aangeven van de moeder. De vader heeft bij het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst geen ontslagvergoeding ontvangen. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat de vader voor de periode van 25 augustus 2009 tot 1 januari 2010 een kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen van € 40,- per maand per kind. De moeder heeft ter terechtzitting bij het hof – onweersproken – gesteld dat de [bedrijf X], bij wijze van klokkenluidersvergoeding, het verschil tussen het bedrag aan kinderalimentatie dat de vader op grond van de bestreden beschikking aan haar diende te voldoen en het oorspronkelijke bedrag, voor de maanden september tot en met december 2009 aan haar heeft betaald. Daarnaast is door de vader – onweersproken – gesteld dat hij tot op heden alle aan de moeder verschuldigde kinderalimentatie heeft betaald.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat beide partijen er geen belang bij hebben dat de kinderalimentatie in de periode van 25 augustus 2009 tot 1 januari 2010 wordt vastgesteld op een lager bedrag. Het hof zal dan ook de kinderalimentatie bepalen op het bedrag aan kinderalimentatie dat feitelijk door de vader, danwel de [bedrijf X], aan de moeder is betaald en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

Het hof zal hierna beoordelen of de vader in staat is om met ingang van 1 januari 2010 de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 216,18 per maand per kind te betalen.

9. Het hof is van oordeel dat ook in de periode vanaf 1 januari 2010, mede gezien de hoge prioriteit van kinderalimentatie, de vader zijn spaargeld van € 31.717,- mede kan aanwenden om het oorspronkelijk vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie te betalen. Het hof acht het redelijk dat de vader dat, zo nodig, doet gedurende de periode van 1 jaar, zijnde tot 1 januari 2011. Het hof is voorts van oordeel dat de vader in staat moet worden geacht om met ingang van 1 januari 2011 een passende baan te vinden met tenminste hetzelfde inkomen als vóór zijn ontslag bij [bedrijf X]. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de vader sinds zijn ontslag bij [bedrijf X] op 7 december 2008 al de gelegenheid heeft gehad om te solliciteren naar een passende functie met tenminste hetzelfde inkomen als voor zijn ontslag.

Incidenteel appel

10. Gelet op het hiervoor overwogene komt het hof aan de beoordeling van het incidenteel appel van de moeder niet toe.

11. Het hof zal als navolgend beslissen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de periode van 25 augustus 2009 tot 1 januari 2010 betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt de aan de moeder in de periode van 25 augustus 2009 tot 1 januari 2010 verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen vast op het bedrag dat de vader, danwel de [bedrijf X], tot die datum in feite heeft betaald aan de moeder;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Husson, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2010.