Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1209

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
BK-09-00549
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Park-line parkeren. Belanghebbende heeft bij het telefonisch aanmelden van het parkeren van de auto de onjuiste gebiedscode ingetoetst. Aangezien belanghebbende er zelf voor heeft gekozen om de parkeerbelasting te voldoen met gebruikmaking van Park-line, blijft het foutief intoetsen van de gebiedscode voor zijn rekening en risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1064
FutD 2010-1784
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00549

Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer d.d. 6 juli 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] BV te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2009, nummer AWB 08/4534 PARKBL-T2, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 22 augustus 2008 voor het op 18 juli 2008, om 21.56 uur, parkeren van een voertuig van het merk Volkswagen en met kenteken [xx-xx-xx] (hierna: de auto) op de locatie [a-straat] te [Z] een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd die haar in duplicaat is toegezonden. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Op het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 mei 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 18 juli 2008 op of omstreeks 21.56 uur stond de auto, waarvan belanghebbende houder is, geparkeerd aan de [a-straat] te [Z]. Deze locatie is door Burgemeester en Wethouders aangewezen als plaats waar mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. Op de bedoelde plaats mag met een geldige parkeervergunning, met een geldig parkeerkaartje dan wel door het in werking stellen van parkeerapparatuur worden geparkeerd.

3.2. Tijdens een controle op voormelde datum en tijdstip heeft een parkeercontroleur vastgesteld dat in de auto van belanghebbende niet een geldige parkeervergunning dan wel een geldig parkeerkaartje aanwezig was. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd. Deze bestaat uit een bedrag van € 1,30 aan parkeerbelasting en € 49 aan kosten.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en dienaangaande het volgende overwogen waarbij voor "eiser" gelezen dient te worden: belanghebbende, en voor "verweerder" gelezen dient te worden: de Inspecteur.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder b, van de Verordening parkeerregulering en

parkeerbelasting 2008 (hierna: de Verordening) wordt onder de naam "parkeerbelasting" een belasting geheven ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Ingevolge artikel 12 van de Verordening worden de kosten van de naheffingsaanslag terzake van de belasting bedoeld in artikel 5, onder b, vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Niet in geschil is dat ter plaatse op het betrokken tijdstip voor het parkeren met de auto parkeerbelasting was verschuldigd.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de in geding zijnde naheffingsaanslag ten onrechte bij de uitspraak op bezwaar is gehandhaafd, omdat hij het parkeren van de auto telefonisch had aangemeld bij de centrale computer van Park-line, maar daarbij wegens een hem niet aan te rekenen vergissing niet de voor de betrokken locatie juiste gebiedscode '[1]' had ingetoetst, maar de gebiedscode '[2]'.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Aangezien eiser er zelf voor heeft gekozen om de parkeerbelasting te voldoen met gebruikmaking van Park-line, blijft het foutief intoetsen van de gebiedscode voor zijn rekening en risico. De gestelde slechte leesbaarheid van de op betrokken parkeerzuil vermelde gebiedscode - wat daar verder ook van zij - kan daaraan niet afdoen. Zo eiser in het donker de cijfers moeilijk kon onderscheiden, was het aan hem om van dichterbij de code te controleren, dan wel te kiezen voor een andere wijze van voldoening van de parkeerbelasting. Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat voor het parkeren met de auto op de betrokken locatie niet de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan, zoals door de parkeercontroleur is geconstateerd.

De door eiser gestelde telefonische mededeling van medewerkers van Stadstoezicht van de gemeente Rotterdam, dat bij de beantwoording van de vraag of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan niet van belang is of een belanghebbende zich voor het goede gebied heeft aangemeld, maar alleen of het juiste tarief is betaald, leidt niet tot het oordeel dat de bestreden uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Niet alleen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat die mededelingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde ambtenaar, maar ook moet worden geconstateerd dat in dit geval door het foutief intoetsen van de gebiedscode wél een lager tarief in rekening is gebracht.

Voor een door eiser bepleite matiging van de gehandhaafde naheffingsaanslag vanwege de wél betaalde lagere parkeerbelasting voor een andere locatie, ontbreekt een wettelijke grondslag. Gewezen wordt op artikel 234, vierde lid, van de Gemeentewet, waarin staat dat ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, deze wordt berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling heeft geparkeerd gestaan. Ingevolge de bij de Verordening behorende tarieventabel bedragen de kosten van de naheffingsaanslag € 49,--, te verhogen met één uur gederfde belastinginkomsten volgens het een na laagste tarief, zijnde € 1,30. De naheffingsaanslag, zoals gehandhaafd bij de uitspraak op bezwaar, is in overeenstemming daarmee opgelegd."

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt acht het Hof - mede gelet op hetgeen de Inspecteur daar tegenover heeft gesteld - onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

6.3. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Beslist moet worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Th. Groeneveld. De beslissing is op 6 juli 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.P. Baldewsing. Wegens ontstentenis van de griffier is de uitspraak niet door hem ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.