Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1173

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
BK-09-00355
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende betoogt dat zijn partner tegen zijn wil van de auto gebruik heeft gemaakt, zodat de uitzondering genoemd in artikel 3, lid 3, van de Verordening parkeerbelastingen 2008 van toepassing is. Hij heeft zijn partner gebruik van zijn auto toegestaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij bij gebruik geen verkeers- dan wel parkeerboetes/naheffingen mag belopen. In dat geval dient de onderhavige naheffingsaanslag niet aan belanghebbende maar aan zijn partner te worden opgelegd. De voormelde voorwaarde kan niet wegnemen dat belanghebbendes partner met zijn toestemming van de auto gebruik heeft gemaakt. De voorwaarde heeft betrekking op de wijze waarop met de auto gebruik van de weg wordt gemaakt en tast de daaraan voorafgaande toestemming niet aan. Aan de uitzondering van artikel 3, lid 3, van de Verordening wordt naar ’s Hofs oordeel niet toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1209
V-N 2010/48.1.4
FutD 2010-1785
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00355

Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer d.d. 6 juli 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 april 2009, nummer AWB 08/7141 PARKBL, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is op 24 juni 2008 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Gravenhage, de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Op het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 mei 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

De gemeenteraad van de gemeente 's-Gravenhage heeft op 1 november 2007 (rb 154) vastgesteld de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen (Verordening parkeerbelastingen 2008) met de bijbehorende tarieventabel. Deze verordening is bekendgemaakt op 19 december 2007 en in werking getreden op 1 januari 2008. Tevens is op 27 december 2007 in De Posthoorn het Besluit tot aanwijzing plaatsen betaald parkeren en toepassing wielklem 2008 bekend gemaakt en in werking getreden op 1 januari 2008. Voor zover van belang voor het onderhavige beroep luiden de bepalingen van deze Verordening als volgt:

"Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. (...).

(...).

d. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen danwel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

(. . . .)

Artikel 2

Parkeerbelastingen

Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het - anders dan krachtens een vergunning als bedoeld in onderdeel b en met inachtneming van de daaraan verbonden voorwaarden - parkeren van een voertuig op een bij, danwel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 3

Belastingplicht

1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het

voertuig heeft geparkeerd.

2. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

a. degene, die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven

de belasting te willen voldoen;

b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a,

heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, (...)

3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op

de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd

wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een

ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik heeft gemaakt en dat hij dit

gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

4. (...)."

De Verordening parkeerbelastingen 2008, de tarieventabel en het Besluit tot aanwijzing plaatsen betaald parkeren en toepassing wielklem 2008 behoren in kopie tot de gedingstukken.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

4.1. Op 24 juni 2008 op of omstreeks 15.13 uur stond de personenauto van belanghebbende, van het merk Smart, kleur grijs, kenteken [xx-xx-xx], geparkeerd aan de [a-straat] te [Z]. Deze locatie is door Burgemeester en Wethouders van deze gemeente aangewezen als plaats waar mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. Op de bedoelde plaats mag met een geldige parkeervergunning of met een geldig parkeerkaartje worden geparkeerd.

4.2. Tijdens een controle op voormelde datum en tijdstip heeft een parkeercontroleur vastgesteld dat in de auto van belanghebbende niet een geldige parkeervergunning dan wel een geldig parkeerkaartje aanwezig was. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd. Deze bestaat uit een bedrag van € 1,90 aan parkeerbelasting en € 49 aan kosten.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

7.1. Belanghebbende betoogt dat zijn partner tegen zijn wil van de auto gebruik heeft gemaakt, zodat de uitzondering genoemd in artikel 3, lid 3, van de Verordening van toepassing is. Hij heeft zijn partner gebruik van zijn auto toegestaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij bij gebruik geen verkeers- dan wel parkeerboetes/naheffingen mag belopen. In dat geval dient de onderhavige naheffingsaanslag niet aan belanghebbende maar aan zijn partner te worden opgelegd.

7.2. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft belanghebbende gesteld dat er tussen hem en zijn partner ter zake van het gebruik van de auto een leaseovereenkomst bestaat op grond waarvan zijn partner wel van de auto gebruik mag maken, zij het onder voormelde voorwaarde dat er met dat gebruik geen verkeers- dan wel parkeerboetes/naheffingen worden belopen.

7.3. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de betwisting van de Inspecteur, het bestaan van de door hem gestelde leaseovereenkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende noch in de bezwaarfase, noch in de procedure voor de rechtbank en evenmin in de hoger beroepsprocedure een kopie van de leaseovereenkomst heeft overgelegd, maar eerst op het laatste moment, namelijk ter zitting van het Hof, heeft gesteld dat er een leaseovereenkomst is. Het aanbod van belanghebbende deze overeenkomst alsnog over te leggen, dient naar 's Hofs oordeel onder die omstandigheden terzijde te worden gesteld als in strijd met de goede procesorde.

7.4. De onder 7.1. genoemde voorwaarde kan niet wegnemen dat belanghebbendes partner met zijn toestemming van de auto gebruik heeft gemaakt. De voorwaarde heeft betrekking op de wijze waarop met de auto gebruik van de weg wordt gemaakt en tast de daaraan voorafgaande toestemming niet aan. Aan de uitzondering van artikel 3, lid 3, van de Verordening wordt naar 's Hofs oordeel niet toegekomen.

7.5. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Beslist moet worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Th. Groeneveld. De beslissing is op 6 juli 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.P. Baldewsing. Wegens ontstentenis van de griffier is de uitspraak niet door hem ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.