Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0828

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
200.051.811.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling vaderschap. Nu de vader, na daartoe voor de tweede keer in de gelegenheid te zijn gesteld, niet de uitslagen van een DNA-test heeft overgelegd, gaat het hof ervan uit dat de vader erin berust dat hij de biologische vader van de minderjarige is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 juni 2010

Zaaknummer : 200.051.811/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 09-1345

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. Th. Mulder te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.C. van Asperen te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 15 december 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 augustus 2009 van de rechtbank Rotterdam, welke beschikking hem op 23 september 2009 is betekend.

De moeder heeft op 26 januari 2010 een verweerschrift ingediend.

Op 9 april 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de door de man aan de moeder met ingang van 21 augustus 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige bepaald op € 200,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vraag of de man de biologische vader is van de minderjarige [naam kind], geboren [in 2008] te [geboorteplaats] (hierna: [kind]), die bij de moeder verblijft. Voorts is in geschil de door de man aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [kind].

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair een DNA-onderzoek te gelasten ten einde het vaderschap van de man uit te sluiten en subsidiair het inleidend verzoek van de moeder om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] van € 200,- per maand, af te wijzen, en meer subsidiair een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof het beroep van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De man stelt dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat [kind] uit de affectieve relatie van partijen geboren is en dat de man derhalve de biologische vader van hem is. De man betwist dat hij een affectieve relatie met de moeder heeft gehad reden waarom hij niet de vader van [kind] kan zijn. In het licht van de eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte een door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] van € 200,- heeft vastgesteld.

5. De moeder betwist dat er geen sprake is geweest van een affectieve relatie. Zij stelt dat de man de biologische vader is van [kind] en dat het beroep van de man ongegrond moet worden verklaard wanneer middels een DNA-test zal blijken dat hij de biologische vader is van [kind].

6. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat de man de kosten van een DNA-test zou betalen met betrekking tot het onderzoek of hij al dan niet de biologische vader is van [kind].

7. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij de DNA-test via internet bankieren heeft betaald.

8. Gezien de stelling van de man heeft het hof de man alsnog in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 7 mei 2010 de DNA-test in het geding te brengen.

9. Het hof heeft niet van de man de uitslag van de DNA-test ontvangen.

10. Gezien de afspraak die partijen hebben gemaakt inzake de DNA-test rust op de man de verplichting om hieraan zijn medewerking te verlenen. Nu hij dit niet heeft gedaan, en hij geen grond heeft aangevoerd waarom hij geen uitvoering heeft gegeven aan hetgeen is overeengekomen inzake de DNA-test, gaat het hof ervan uit dat de man erin berust dat hij de biologische vader is van [kind].

11. Het hof beslist mitsdien als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Labohm en Engel, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010.