Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0816

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
200.027.101.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP8687, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP8687
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eerste vaststelling partneralimentatie, in dit geval geen terugbetaling teveel ontvangene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 april 2010

Zaaknummer : 200.027.101.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-6909

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.J. Eijsberg te Capelle aan den IJssel,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats, land],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.A.M. Perquin te Zoetermeer.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 27 februari 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 februari 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 19 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 11 augustus 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 4 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 19 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. E.M. Richel, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is, met wijziging van de beschikking van 2 januari 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage, de door de man per 1 september 2008 aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud vastgesteld op € 1.740,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie), haar behoefte en behoeftigheid, en de vaststelling van een termijn voor de door de man aan haar te betalen uitkering tot levensonderhoud.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw alsnog in haar verzoek niet te ontvangen dan wel haar dit te ontzeggen (het hof begrijpt: het verzoek af te wijzen). De man heeft ter terechtzitting zijn beroep met betrekking tot de behoefte van de vrouw gewijzigd in die zin dat hij thans verzoekt de behoefte jaarlijks met 10% af te bouwen, totdat de levensstandaard in [woonplaats], die naar zijn mening 25% lager ligt dan de Nederlandse, bereikt is.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking, zonodig met verbetering van gronden, te bekrachtigen.

4. De man stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van de vrouw heeft bepaald op € 3.073,-- per maand en de behoeftigheid van de vrouw op € 1.740,-- per maand. Voorts heeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om een baan te verwerven en ten onrechte de verdiencapaciteit van de vrouw uitsluitend gerelateerd aan werken in het onderwijs. Ten slotte betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte geen termijn heeft gesteld aan de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie. De vrouw heeft de stellingen van de man betwist.

5. Het hof zal, zoals ter zitting aangegeven, behoudens op de overgelegde salarisspecificatie van de vrouw, geen acht zal slaan op de door partijen in het geding gebrachte Engelstalige stukken nu deze stukken niet van een zo eenvoudige aard zijn dat vertaling in het Nederlands achterwege had kunnen blijven.

6. De man had in zijn eerste grief aanvankelijk betoogd dat de behoefte van de vrouw ten onrechte was vastgesteld op € 3.073,-- per maand, nu de vrouw geen beroep had gedaan op de 60% norm en de behoefte niet had onderbouwd. Thans stelt hij dat de behoefte, gelet op de lagere levensstandaard in de staat [woonplaats] in [land], waar de vrouw woont, ongeveer 25% lager is dan naar Nederlandse maatstaven en dat de behoefte jaarlijks met 10% dient te worden afgebouwd tot dat lagere peil bereikt is. Hieruit leidt het hof af dat hij zijn eerdere stelling heeft laten varen.

7. Het hof acht het, anders dan de man heeft betoogd, geen feit van algemene bekendheid dat er een verschil in levensstandaard zou bestaan tussen Nederland en de staat [woonplaats] in [land]. Omdat de vrouw betwist dat het prijspeil in de staat [woonplaats] in [land] verschilt van dat van Nederland en de man zijn stelling dienaangaande niet met voor het hof kenbare stukken heeft onderbouwd, zal het hof die stelling passeren en uitgaan van een behoefte van € 3.073,-- per maand. De eerste grief van de man faalt derhalve.

8. In zijn tweede tot en met vierde grief stelt de man dat rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw voldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële omstandigheden en de inspanningen die zij heeft verricht om een baan, binnen of buiten het onderwijs, te vinden waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien.

9. Het hof leidt uit de stukken en uit de stellingen van de vrouw af dat zij een baan heeft als onderwijsassistent en dat zij binnenkort de licentie ontvangt om als leerkracht te kunnen werken. Dat zij daarmee niet volledig in haar behoefte voorziet is aannemelijk geworden, zodat de tweede grief van de man faalt. Dat de vrouw voldoende inspanningen heeft verricht om binnen de door de rechtbank in haar beschikking van 2 januari 2008 gestelde termijn, dan wel daarna een andere, beter betaalde baan te vinden, hetgeen door de man wordt betwist, heeft zij echter onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van de vrouw gelegen de man en het hof daarover helderheid te verschaffen, hetgeen zij heeft nagelaten. Als gevolg daarvan zal het hof de omstandigheid dat de vrouw thans nog steeds niet volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet voor haar rekening en risico laten. De derde en vierde grief van de man slagen, zodat op grond daarvan de bestreden beschikking - met inachtneming van het hierna te melden - zal worden vernietigd en het hof het inleidend verzoek van de vrouw alsnog zal afwijzen.

10. Voor zover de man in zijn vijfde grief een beroep doet op limitering van de partneralimentatie zal het hof deze grief passeren, omdat in dat geval sprake is van een nieuw verzoek dat voor het eerst in hoger beroep is gedaan. Voor zover deze grief bedoeld is als een verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie, behoeft deze, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de derde en vierde grief, geen bespreking meer.

11. De afwijzing van het inleidende verzoek van de vrouw, zoals onder 9 overwogen, heeft voor de vrouw gevolgen in verband met hetgeen door de man in de periode vanaf de bestreden beschikking tot de datum van deze uitspraak in feite is betaald of verhaald. Hoewel door geen van partijen iets is gesteld omtrent een terugbetaling van hetgeen (eventueel) teveel betaald is, overweegt het hof als volgt. De rechter kan een wijziging van partneralimentatie laten ingaan op een tijdstip gelegen vóór de uitspraak, doch van die bevoegdheid dient behoedzaam gebruik te worden gemaakt gelet op de mogelijke ingrijpende financiële gevolgen voor - in dit geval - de vrouw. Het hof acht het aannemelijk dat de vrouw vanaf de datum van de bestreden beschikking ongeveer ($ 600 per 2 weken =) $ 1.300,- netto per maand heeft verdiend en dat zij – gelet op haar hiervoor onder rechtsoverweging 7 overwogen behoefte het eventueel door de man betaalde zal hebben aangewend tot haar levensonderhoud. Afwijzing van het inleidende verzoek van de vrouw zonder meer brengt een (eventuele) terugbetalingsverplichting mee die tot ingrijpende financiële gevolgen zou kunnen leiden. Van de vrouw kan om die reden in redelijkheid niet worden verlangd dat zij gehouden is tot terugbetaling van hetgeen de man eventueel als uitkering tot haar levensonderhoud, teveel heeft betaald.

12. Het bovenstaande brengt mee dat het hof de bestreden uitspraak zal vernietigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen

en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de vrouw alsnog af;

bepaalt dat de vrouw niet is gehouden terug te betalen hetgeen ter uitvoering van de vernietigde beschikking is betaald of verhaald;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Mos-Verstraten en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2010.