Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0736

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
200.059.169.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige: de gronden zijn nog altijd aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 juni 2010

Zaaknummer : 200.059.169/01

Rekestnr. rechtbank : 09-3187

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. drs. P.R.L.V.M. Kruik te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

locatie Den Haag Centrum/Scheveningen,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 9 maart 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 december 2009 van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage.

De raad heeft op 9 april 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 20 april 2010 en 3 mei 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 6 mei 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens de raad: de heer [naam] en mevrouw [naam]. Voorts zijn namens Jeugdzorg verschenen: mevrouw [naam] en de heer [naam]. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. De nader te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de nader te noemen minderjarige van 29 december 2009 tot 29 december 2010 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd de nader te noemen minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een logeerhuis van Jeugdformaat van 29 december 2009 tot 29 december 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit van 11 augustus 2009. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van de minderjarige:

[naam], geboren op [geboortedatum in] 1995 te [geboorteplaats], verder: [de minderjarige].

De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast. [de minderjarige] verblijft thans feitelijk in een logeerhuis van Jeugdformaat.

2. De moeder verzoekt de rechterlijke uitspraak waarin de zienswijze van de raad is gevolgd, te herroepen, althans te bepalen dat een eventuele verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] korter zal zijn dan één jaar.

Het hof begrijpt het petitum in het licht van het lichaam van het beroepschrift en het verhandelde ter terechtzitting aldus, dat de moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verkorten.

3. De raad bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] aanwezig zijn. Daartoe voert zij het volgende aan. De ondertoezichtstelling is niet noodzakelijk, aangezien er geen opvoedingsomstandigheden bestaan die maken dat sprake is van een bedreiging voor [de minderjarige]. De enkele omstandigheid dat er ruzie is geweest tussen de moeder en [de minderjarige] vormt onvoldoende grond om een inbreuk op het ouderlijk gezag te maken in de vorm van een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing. De moeder is zich bewust van haar verplichtingen jegens [de minderjarige]. Zij is een zorgzame moeder die zeer betrokken is bij [de minderjarige] en heeft steeds haar verantwoording genomen aangaande zijn opvoeding. Zij weerspreekt dan ook dat zij pedagogisch onmachtig zou zijn om hem te verzorgen en op te voeden. Voorts heeft de moeder altijd alle medewerking en openheid gegeven aan de verschillende instanties. Zij en [de minderjarige] kunnen en willen alle hulp gebruiken die nodig is. Deze hulpverlening behoeft niet in het kader van een ondertoezichtstelling plaats te vinden. Met betrekking tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] is de moeder van mening dat deze op disproportionele wijze afbreuk doet aan de rechten van [de minderjarige] en haar om in elkaars nabijheid te zijn. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing hebben volgens de moeder een averechtse werking op het gezin, nu deze bij de moeder en [de minderjarige] spanningen genereren.

Ter terechtzitting is namens de moeder verklaard dat de moeder in 2009 heeft ingestemd met het inleidend verzoek van de raad, omdat zij in de veronderstelling was dat zij hulp van de instanties aangeboden zou krijgen. Deze hulp is echter uitgebleven. Het contact tussen de moeder en [de minderjarige] is inmiddels verbeterd, hetgeen niet een gevolg hoeft te zijn van de uithuisplaatsing, aldus de moeder. Voorts staat zij het contact tussen [de minderjarige] en de vader toe.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. De vader en de moeder spreken negatief over elkaar, waardoor [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit en gedragsproblemen vertoont. De ouders zijn niet in staat gebleken met elkaar in gesprek te gaan om de ontstane problemen ten goede te keren. Daarbij komt dat de moeder het contact tussen [de minderjarige] en de vader belemmert. Hiermee stelt zij haar eigen ongenoegens boven het belang van [de minderjarige]. [de minderjarige] wordt hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De raad is van mening dat de moeder, hoewel zij zeer betrokken is op [de minderjarige], pedagogisch onmachtig is de bedreigde ontwikkeling af te wenden, met name wegens gebrek aan controle en structuur. Hulpverlening in het vrijwillige kader is hierbij ontoereikend gebleken. De raad acht dan ook een ondertoezichtstelling noodzakelijk teneinde de hulpverlening op gang te brengen en daarmee de ontwikkeling van [de minderjarige] te beïnvloeden en de ouders de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben. Voorts is de raad van mening dat de band tussen de moeder en [de minderjarige] zodanig is beschadigd dat hij niet meer thuis kan wonen. Het is belangrijk dat beiden duidelijkheid krijgen over de woonplek van [de minderjarige]. Hierbij dient te worden bekeken of de relatie op termijn door middel van hulpverlening hersteld kan worden.

Ter terechtzitting is namens de raad verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige] bij Jeugdformaat, waar hij duidelijkheid en structuur aangeboden krijgt. Volgens de raad is het van belang dat de ouders met elkaar gaan communiceren, desnoods onder begeleiding van de gezinsvoogd. Op dit moment is het belangrijk dat er rust komt en dat in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing door Jeugdzorg gekeken wordt naar de toekomst van [de minderjarige].

6. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting verweer gevoerd en is verklaard dat [de minderjarige] zich thans in een veilige en gestructureerde omgeving bevindt. Hij heeft zowel contact met de moeder als met de vader en op school is de situatie van [de minderjarige] verbeterd. Volgens Jeugdzorg is het van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt omtrent de opvoedingssituatie van [de minderjarige]. Doordat de ouders niet met elkaar communiceren en het gedrag van de moeder het maken van afspraken bemoeilijkt, is dit nog niet gelukt. Nu de ouders geen contact met elkaar hebben en niet communiceren, geraakt [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict. Daarnaast maakt hij misbruik van deze situatie, waarbij hij vluchtgedrag vertoont.

7. Het hof stelt vast dat [de minderjarige] op vrijwillige basis uit huis is geplaatst in een logeerhuis van Jeugdformaat. Bij de bestreden beschikking is deze uithuisplaatsing geformaliseerd.

8. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter terecht heeft geoordeeld dat de gronden voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] aanwezig zijn. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking. Uit het raadsrapport van 6 november 2009 volgt, dat [de minderjarige] opgroeide in een opvoedingssituatie waarin hij weinig rust, duidelijkheid en structuur geboden kreeg. Voorts communiceren de moeder en de vader niet over [de minderjarige] en spreken zij negatief over elkaar, waardoor [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict is geraakt en gedragsproblemen vertoonde en nog vertoont. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [de minderjarige] ernstig werd en wordt bedreigd in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] is verbeterd en dat zij de vader en [de minderjarige] inmiddels ruimte geeft tot het onderhouden van contact met elkaar is positief te noemen, doch doet aan dit oordeel van het hof niet af. Het hof acht de moeder niet in staat de hiervoor genoemde ontwikkelingsbedreiging in samenwerking met de hulpverlening binnen het vrijwillige kader af te wenden. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat de moeder nog steeds heftig emotioneel gedrag vertoont, waardoor het maken van afspraken met de hulpverleningsinstanties wordt bemoeilijkt. Nu de ouders onvoldoende aansluiten op de behoeften van [de minderjarige] en hij zich bovendien goed ontwikkelt in het logeerhuis bij Jeugdformaat, is naar het oordeel van het hof een voortzetting van de plaatsing van [de minderjarige] in het logeerhuis noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Het hof benadrukt daarbij dat het van belang is dat Jeugdzorg het contact tussen de betrokkenen coördineert, zodat er duidelijke afspraken over [de minderjarige] kunnen worden gemaakt waaraan [de minderjarige] zich niet kan onttrekken.

9. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing onverkort aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

10. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, De Haan-Boerdijk en Van der Burght, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010.