Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0641

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
22-004140-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, voor de handel in harddrugs. Het Salduz-verweer van de raadsman is gehonoreerd door het Hof. Het verweer van de raadsman ten aanzien van het gebruik van de verslagen van uitgeluisterde telefoongesprekken is daarentegen door het Hof verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004140-08

Parketnummers: 10-750054-07 en 13-047774-03 (tul)

Datum uitspraak: 20 april 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2008 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

gba-adres: [adres],

thans verblijvende in de PI Almelo – locatie ZBBI Niendure - te Almelo.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 20 maart 2009, 15 december 2009 en de onderbroken terechtzitting van 30 maart 2010 en 6 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot 1 december 2006 te Rotterdam, in elk geval in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot 1 december 2006 te Rotterdam, in elk geval in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) heroïne en/of cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s),

- telefoongesprekken gevoerd en/of sms-berichten gewisseld met (een) (buitenlandse) afnemer(s) over de levering en/of betaling van hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en/of

- telefoongesprekken gevoerd en/of sms-berichten gewisseld met (een) mede-dader(s) over de levering en/of het vervoer van heroïne en/of cocaïne en/of

- heroïne en/of cocaïne voor de levering verworven en/of getracht te verwerven en/of

- vervoer voor hoeveelheden heroïne en/of cocaïne geregeld;

3.

hij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Rotterdam, en/of elders in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

4.

hij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Arlon (België) en/of in de omgeving van Arlon en/of op (een) andere plaats(en) in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) in België heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of verkocht (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

5.

hij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6.

hij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn verdachtes mededader(s):

- telefoongesprekken gevoerd en/of sms-berichten gewisseld met (een) afnemer(s) over de levering en/of betaling van hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en/of

- telefoongesprekken gevoerd en/of sms-berichten gewisseld met (een) mede-dader(s) over de levering en/of het vervoer van heroïne en/of cocaïne en/of

- heroïne en/of cocaïne voor levering verworven en/of getracht te verwerven en/of

- geld voor de handel in heroïne en/of cocaïne voorhanden gehad en/of

- vervoer voor hoeveelheden heroïne en/of cocaïne geregeld;

7.

hij, op of omstreeks 06 november 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 103,3 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging, als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij, in de periode van 1 november 2006 tot 1 december 2006 in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht handelshoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

hij, in de periode van 1 november 2006 tot 1 december 2006 in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededaders,

- telefoongesprekken gevoerd met (buitenlandse) afnemers over de levering en/of betaling van hoeveelheden cocaïne en

- telefoongesprekken gevoerd met mededaders over de levering en/of het vervoer van cocaïne en

- cocaïne voor de levering verworven en getracht te verwerven en

- vervoer voor hoeveelheden cocaïne geregeld;

3.

hij, in de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, handelshoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne encocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

4.

hij, in de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 in de omgeving van Arlon en/of op andere plaatsen in België, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, in België heeft afgeleverd en verstrekt en verkocht handelshoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

5.

hij, in de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6.

hij, in de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van handelshoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn verdachtes mededaders:

- telefoongesprekken gevoerd en sms-berichten gewisseld met afnemers over de levering en/of betaling van hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en

- telefoongesprekken gevoerd en sms-berichten gewisseld met mededaders over de levering en/of het vervoer van heroïne en/of cocaïne en

- heroïne en/of cocaïne voor levering verworven en/of getracht te verwerven en

- geld voor de handel in heroïne en/of cocaïne voorhanden gehad en

- vervoer voor hoeveelheden heroïne en/of cocaïne geregeld;

7.

hij, op 06 november 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 103 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren door de raadsman gevoerd:

Strijd met artikel 6 artikel 6 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (verder:EVRM)

De raadsman heeft betoogd onder verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salduz (EHRM 27 november 2008, Salduz tegen Turkije) en verkort en zakelijk weergegeven, dat alle verklaringen door de verdachte bij de politie afgelegd maar in ieder geval zijn eerste verklaring waarin hij antwoord geeft op de vraag naar zijn mobiele telefoonnummer, van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu hij voorafgaand aan de verhoren niet steeds is gewezen op zijn recht een advocaat te kunnen raadplegen.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat wanneer een verdachte niet vóór zijn eerste politieverhoor is gewezen op zijn recht om een raadsman te raadplegen alle door de betrokken verdachte ten overstaan van opsporingsambtenaren afgelegde verklaringen van het bewijs uitgesloten dienen te worden wegens een schending van artikel 6 EVRM en dat een dergelijk wijzen op zijn recht om een raadsman te raadplegen voorafgaande aan ieder verhoor dient plaats te vinden, overweegt het hof dat zulks geen steun vindt in het recht en in zoverre wordt het verweer dan ook verworpen.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte voorafgaande aan zijn eerste verhoor door de politie, dat plaatsvond op 7 november 2007 om 13.55 uur, is gewezen op zijn recht om een raadsman te raadplegen; in het desbetreffende proces-verbaal van verhoor staat niet vermeld dat de verdachte daarop is gewezen en volgens de verdachte is dat niet gebeurd. Uit het dossier blijkt overigens wel dat bij de inverzekeringstelling van de verdachte op 7 november 2007 een raadsman is toegevoegd en dat die raadsman op enig moment op 7 november 2007 ook als zodanig is opgetreden; het tijdstip waarop dat heeft plaatsgevonden is op het afschrift van de verklaring optreden piket dat zich in het dossier bevindt, evenwel niet ingevuld.

Het hof zal dan ook voornoemde eerste politieverklaring van de verdachte niet voor het bewijs van de hem tenlastegelegde strafbare feiten bezigen, omdat het ervoor moet worden gehouden dat toen aan de verdachte het recht op aanspraak op rechtsbijstand is onthouden hetgeen een schending van artikel 6 van het EVRM oplevert.

Het gebruik voor het bewijs van de verslagen van uitgeluisterde telefoongesprekken.

De raadsman heeft betoogd dat voornoemde verslagen niet voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten gebruikt kunnen worden omdat –verkort en zakelijk weergegeven- de herkenning van de stem van de verdachte niet op wetenschappelijke grondslag heeft plaatsgevonden nu daarvoor gebruik is gemaakt van tolken die daarvoor niet hadden mogen worden ingezet terwijl bovendien over de kwaliteiten van de tolken niets bekend is en er fouten zijn gemaakt in vertalingen.

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.

Anders dan de raadsman kennelijk meent kan uit het enkele feit dat in de Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers in het opsporingsonderzoek in strafzaken opgesteld door het College van Procureurs Generaal niets staat vermeld over het toestaan van stemherkenningen door tolken, niet de conclusie worden getrokken dat er voor tolken in het kader van de herkenning van stemmen bij het uitluisteren van telefoongesprekken geen plaats is en derhalve ter zake niet mogen worden ingezet. Dat in dezen in strijd is gehandeld met enige dwingende bepaling op dit specifieke punt is het hof niet gebleken.

[verbalisant], brigadier/tactisch coördinator bij de regionale politie Rotterdam Rijnmond heeft op 5 november 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam verkort en zakelijk weergegeven het navolgende verklaard.

In het opsporingsonderzoek [naam opsporingsonderzoek], tegen onder meer de verdachte, is bij het vertalen van afgeluisterde telefoongesprekken gebruik gemaakt van verschillende tolken. Als één van de tolken een stem herkende werd direct aan een andere tolk gevraagd hetzelfde gesprek te beluisteren. Meestal legde ook die tolk een verband met een ander gesprek. In een dergelijk geval werd door de verbalisant, betrokken bij het uitwerken van de tapgesprekken, ook een stemvergelijking uitgevoerd. Als een persoon door middel van stemherkenning werd geïdentificeerd, dan werd in het verslag van het betreffende tapgesprek de aanduiding “[aanduiding]” opgenomen. Ook al zou de betreffende verbalisant niets van het gesprek begrijpen, dan is deze door het horen van bijvoorbeeld de intonatie in staat tot een stemvergelijk te komen.

Er zijn naar het oordeel van het hof uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding geven om aan de juistheid van hetgeen door Lagendijk voornoemd is verklaard, te twijfelen.

Aan de raadsman kan worden toegegeven dat de wijze van stemherkenning in dezen niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig hetgeen staat vermeld in de vakbijlage d.d. november 2007 opgesteld door A.P.A. Broeders verbonden aan het Maastricht Forensic Institute en in de vakbijlag versie 1.2, januari 2005 van het Nederlands Forensisch Instituut, maar die omstandigheid maakt de resultaten van de uitgevoerde stemherkenningen naar het oordeel van het hof daarmee niet onbruikbaar voor het bewijs.

Naar het oordeel van het hof brengt het ontbreken van concrete informatie over opleiding, certificering en taal van iedere bij het vertalen van de in het geding zijnde telefoongesprekken betrokken zijn geweest evenmin zonder meer mee dat de processen-verbaal van die uitgeluisterde telefoongesprekken niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Door de raadsman is verder betoogd dat naast inmiddels bekende fouten in de vertaling van uitgeluisterde gesprekken er ook fouten zijn gemaakt in de vertaling van gesprekken die de medeverdachte [medeverdachte 1] zou hebben gevoerd in de Franse taal.

[verbalisant] voornoemd heeft in zijn al eerder aangehaalde verhoor verklaard – verkort en zakelijk weergegeven – dat bij het vaststellen van een stemherkenning meerdere tolken en een verbalisant betrokken waren en dat tijdens een verhoor van de verdachte de vertaling van een uitgeluisterd telefoongesprek een keer door de verdachte is betwist. Dat telefoongesprek is toen opgezocht en door een andere tolk vertaald. Bij proces-verbaal van 16 april 2008 heeft hij de fout rechtgetrokken. Er zijn naar het oordeel van het hof uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding geven om aan de juistheid van hetgeen ter zake door [verbalisant] voornoemd is verklaard, te twijfelen.

Dat de verdachte tijdens enig verhoor vaker een vertaling heeft betwist is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Anders dan de raadsman mogelijk meent betekent de enkele omstandigheid dat in een vertaling van een uitgeluisterd telefoongesprek een fout is gemaakt niet dat ervan moet worden uitgegaan dat er zo veel fouten zijn gemaakt dat de desbetreffende processen-verbaal onbetrouwbaar moeten worden geacht. Uit het enkele feit dat de medeverdachte [medeverdachte 2] voor de medeverdachte [medeverdachte 1] sms-jes heeft vertaald rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat die [medeverdachte 1] niet zelf een telefoongesprek in de Franse taal zou kunnen voeren.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de processen-verbaal inhoudende de vertalingen van uitgeluisterde telefoongesprekken die zich in het dossier van de verdachte bevinden, voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. De verdachte heeft voldoende mogelijkheden gehad om concrete passages uit die vertalingen te betwisten en nader te laten onderzoeken. Bedoelde processen-verbaal kunnen dan ook naar het oordeel van het hof voor bewijs van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten worden gebezigd.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat betwisting door medeverdachten in het opsporingsonderzoek [naam opsporingsonderzoek] van concrete vertalingen van telefoongesprekken, die zich ook in het dossier van de verdachte bevinden en waarvan moet worden aangenomen dat die op de door [verbalisant] voornoemd uiteengezette wijze tot stand zijn gekomen, uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van de verdachte niet zijn gebleken, terwijl de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht en desgevraagd heeft aangegeven geen prijs te stellen op het voorhouden van de voor hem belastende, vertaalde telefoongesprekken die door de rechtbank voor het bewijs zijn gebezigd en door de officier van justitie in zijn requisitoir voor het bewijs zijn aangedragen; in die proceshouding heeft de verdachte volhard ook nadat hij door het hof is gewezen op de mogelijke gevolgen daarvan in dit verband.

Het ontbreken van het opzet gericht op het onder 7 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

De raadsman heeft betoogd dat niet vaststaat dat de verdachte enige wetenschap had van de in de woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam aangetroffen verdovende middelen.

Het hof verwerpt dit verweer omdat uit de inhoud van door het hof gebezigde wettige bewijsmiddelen de opzet van de verdachte op het aanwezig hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne volgt.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen;

- een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 en 3 bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen;

- een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 en 4 bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen;

- een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 en 5 bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen;

- een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich – samen met zijn mededaders – gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan de handel in heroïne en cocaïne in zowel Nederland als in België, alsmede aan diverse voorbereidingshandelingen daartoe. Verder heeft de verdachte samen met zijn echtgenote een hoeveelheid harddrugs in zijn woning voorhanden gehad.

Dit zijn ernstige delicten die bijdragen aan het gebruik van genoemde verdovende middelen, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en tevens andere vormen van criminaliteit worden bevorderd. Zij veroorzaken veel schade en onrust in de samenleving.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2010, is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er evenwel kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd door de eerste rechter en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2004 onder parketnummer 13-047774-03, is de verdachte – voor zover ten dezen van belang - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag waarop in eerste aanleg niet is beslist zal het hof – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu niet kan worden vastgesteld aan wie dit geldbedrag toebehoort.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt, dat een op 1 (één) jaar bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 22 december 2004 onder parketnummer 13-047774-03 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Gelast de bewaring van een geldbedrag van € 12.000,--, ten behoeve van de rechthebbende.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. Chr.A. Baardman en mr. A.M.P. Gaakeer,

in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 april 2010.