Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0619

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-04-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
22-004210-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BU4227, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU4227
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan de in- en uitvoer van harddrugs. Salduz-verweer van de raadsman door het Hof verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004210-08

Parketnummer: 10-750157-07

Datum uitspraak: 20 april 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 20 maart 2009, 15 december 2009 en de onderbroken terechtzitting van 30 maart 2010 en 6 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

zij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Arlon (België) en/of de omgeving van Arlon en/of (een) andere plaats(en) in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) in België heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of verkocht (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

3.

zij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) haar, verdachtes, mededader(s):

- telefoongesprekken gevoerd en/of sms-berichten gewisseld met (een) afnemer(s) over de levering en/of betaling van hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en/of

- telefoongesprekken gevoerd en/of sms-berichten gewisseld met (een) mede-dader(s) over de levering en/of het vervoer van heroïne en/of cocaïne en/of

- heroïne en/of cocaïne voor de levering verworven en/of getracht te verwerven en/of

- geld voor de handel in heroïne en/of cocaïne voorhanden gehad en/of

- vervoer voor hoeveelheden heroïne en/of cocaïne geregeld;

4.

zij, op of omstreeks 06 november 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 103,3 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij, in de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, handelshoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

zij, in de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 in de omgeving van Arlon en/of op andere plaatsen in België, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, in België heeft afgeleverd en verstrekt en verkocht handelshoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

3.

zij, in de periode van 1 juni 2007 tot en met 6 november 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van handelshoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of (een) ander(en) inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) haar, verdachtes, mededaders:

- telefoongesprekken gevoerd en sms-berichten gewisseld met afnemers over de levering van hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en

- telefoongesprekken gevoerd en sms-berichten gewisseld met mede-daders over de levering en/of het vervoer van heroïne en/of cocaïne

4.

zij, op 06 november 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 103 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren van de raadsman

Strijd met artikel 6 artikel 6 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (verder:EVRM)

De raadsman heeft betoogd onder verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salduz (EHRM 27 november 2008, Salduz tegen Turkije), verkort en zakelijk weergegeven, dat de eerste door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring (het hof begrijpt: de verklaring afgelegd op 11 december 2007 om 09.30 uur) van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu zij voorafgaand aan dat verhoor niet in de gelegenheid is gesteld een raadsman te raadplegen.

Te dien aanzien overweegt het hof als volgt. Het hof stelt op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep vast dat de verdachte in de loop van 11 december 2007 een gekozen raadsman heeft geraadpleegd en dat zij na deze consultatie in haar verhoor op 12 december 2007 niet is teruggekomen op haar eerdere verklaring en is doorgegaan met zichzelf te belasten. Ook tijdens latere politieverhoren heeft de verdachte niet te kennen gegeven dat zij wilde terugkomen op hetgeen zij bij gelegenheid van haar eerste politieverhoor heeft verklaard, zodat het hof ook de politieverklaring van de verdachte van 11 december 2007 in beginsel bruikbaar acht om voor het bewijs te worden gebezigd. De omstandigheid dat de verdachte later tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam wel is teruggekomen op haar eerdere verklaringen, doet aan het vorenstaande niet af. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Het gebruik voor het bewijs van de processen-verbaal houdende de vertaling van uitgeluisterde telefoongesprekken

De raadsman heeft betoogd dat in één van de zich in het dossier bevindende vertalingen van uitgeluisterde telefoongesprekken een aantoonbare en cruciale vertaalfout is gemaakt met betrekking tot het onderscheid tussen softdrugs ('wiet') en harddrugs ('wit'). Volgens de raadsman roept dit twijfels op over de bewijswaarde van alle vertaalde uitgeluisterde telefoongesprekken, zodat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof constateert met de raadsman dat er inderdaad in één van de tapgesprekken een vertaalfout is gemaakt. Die enkele omstandigheid rechtvaardigt echter geenszins de conclusie dat vervolgens aan de juistheid van alle vertalingen moet worden getwijfeld. Het hof is dan ook van oordeel dat de tapgesprekken voor het bewijs kunnen worden gebruikt, zodat het verweer wordt verworpen.

Ontbrekend bewijs voor het medeplegen van de verdachte tenlastegelegde feiten.

Tenslotte heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is geweest van het medeplegen door de verdachte van de haar tenlastegelegde feiten. Haar aandeel in de feiten heeft slechts bestaan uit het verlenen van beperkte hand- en spandiensten in de vorm van secretariële ondersteuning. Van de aanwezigheid van cocaïne in de woning aan de [straat] in Rotterdam wist zij niets. Dit levert volgens de raadsman slechts een vorm van medeplichtigheid op en dat is niet tenlastegelegd.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Gelet op de inhoud van wettige bewijsmiddelen - onder meer het proces-verbaal van verhoor van de verdachte op 12 december 2007 inhoudende haar ten overstaan van de politie afgelegde verklaring - acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten, dat sprake is van medeplegen. Het verweer wordt daarom verworpen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 3 en 1 bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door

- zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 en 2 bewezenverklaarde:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door

- zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich - samen met haar mededaders - gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan handel in harddrugs in Nederland en in België alsmede aan diverse voorbereidingshandelingen daartoe. Verder heeft de verdachte samen met haar echtgenoot een hoeveelheid harddrugs voorhanden gehad in haar woning.

Dit zijn ernstige delicten die bijdragen aan het gebruik van harddrugs, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en tevens andere vormen van criminaliteit worden bevorderd. Zij veroorzaken veel schade en onrust in de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte neemt het hof in aanmerking dat zij blijkens een op haar naam gesteld uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2010, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke misdrijven.

Het hof heeft in dit verband voorts acht geslagen op een tweetal rapporten van Reclassering Nederland, d.d.

28 maart en 3 juli 2008, waarin wordt geadviseerd de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met toepassing van reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd en bepleit dat aan de verdachte, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, meer in het bijzonder de zorg voor een jong kind, een taakstraf in de vorm van een werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Naar het oordeel van het hof doet een werkstraf in het onderhavige geval evenwel onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte doen hieraan niet toe of af.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, met toepassing van na te melden bijzondere voorwaarde, een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een op 6 (zes) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig oordeelt.

Verstrekt aan deze instelling opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. Chr.A. Baardman en mr. A.M.P. Gaakeer,

in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 april 2010.