Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0570

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.048.974.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie: wijziging van omstandigheden, draagkracht, vermindering behoeftigheid, terugbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 juni 2010

Zaaknummer : 200.048.974.01

Rekestnr. rechtbank : 09-156

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. van der Kist te Waddinxveen,

tegen

[geintimeerde]

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. Y.M. Bérénos te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 12 november 2009 gekomen van een beschikking van 25 augustus 2009 van de rechtbank te ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 6 januari 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 22 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 7 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 31 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de verzoeken van de man tot wijziging van de beschikking van 22 mei 2006, in die zin dat de daarbij vastgestelde partneralimentatie op nihil wordt bepaald, althans op een lager bedrag, met limitering van de periode waarover de man aan de vrouw partneralimentatie verschuldigd is, met het bevel aan de vrouw om het teveel betaalde bedrag aan hem terug te betalen, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw (hierna: partneralimentatie).

2. De man verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

I de bij de echtscheidingsbeschikking van 22 mei 2006 bepaalde partneralimentatie op nihil te bepalen met ingang van de datum van functiewijziging, althans met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift;

II althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het Gerechtshof juist acht;

III met limitering van de periode waarover de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud is verschuldigd,

IV en met bevel aan de vrouw om de aldus teveel betaalde bedragen aan de man terug te betalen.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

4. De man stelt zich op het standpunt dat herbeoordeling van de behoefte van de vrouw noodzakelijk is, aangezien haar inkomen substantieel is gestegen en zij niet langer de zorg heeft voor de kinderen. De man stelt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de destijds vastgestelde alimentatie de behoefte van de vrouw niet volledig dekte. Daarnaast stelt de man dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de alimentatie te voldoen. Hij voert daartoe aan dat zijn besteedbaar inkomen is gedaald en hij in de toekomst wellicht niet meer in staat is om over te werken. Verder is de man van mening dat de lasten van de woning, de reiskosten en de kosten voor aangepaste voeding bij de bepaling van zijn draagkracht in aanmerking moeten worden genomen. De man heeft zich ter terechtzitting nog op het standpunt gesteld dat de vrouw veroordeeld dient te worden in de proceskosten.

5. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat er geen sprake is van een substantiële wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft tot een herbeoordeling van de alimentatie. Zij voert daartoe aan dat haar inkomen niet substantieel is gestegen en dat zij nog altijd de zorg voor de kinderen heeft. De vrouw is daarnaast van mening dat de man voldoende draagkracht heeft om de partneralimentatie te betalen. De vrouw stelt dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van compensatie van de proceskosten.

Wijziging van omstandigheden

6. Op basis van de stukken en het besprokene ter terechtzitting overweegt het hof als volgt. Het hof zal beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan een herbeoordeling van de wettelijke maatstaven dient plaats te vinden. Voor wat betreft het inkomen van de vrouw leidt het hof af uit de stukken dat de vrouw in 2004 een inkomen genoot van € 30.177, -, welk inkomen in 2008 € 41.000, - bedroeg. Het hof is van oordeel dat dit is aan te merken als een wijziging van omstandigheden die een heroverweging van de wettelijke maatstaven rechtvaardigt.

Behoefte

7. De vrouw stelt in haar verweerschrift onder punt 12 dat haar behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man indertijd € 785,- bruto per maand bedroeg, dat wil zeggen € 9.420,- per jaar en dat dit haar huwelijksgerelateerde behoefte vormt. Nu het bruto jaarinkomen van de vrouw inmiddels met ruim €10.000,- is gestegen, is het hof van oordeel dat de vrouw met dit inkomen geacht wordt geheel in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, zodat het hof de alimentatieverplichting van de man per na te noemen datum op nihil zal bepalen. Het hof gaat voorbij aan het door de vrouw overgelegde behoefteoverzicht nu zij zelf heeft gesteld dat haar aanvullende behoefte ten tijde van de echtscheiding € 785,- bedroeg. Dat zij inmiddels hogere woonlasten heeft, maakt haar huwelijksgerelateerde behoefte niet anders.

Periode 1 januari 2009 – 1 februari 2010

Ingangsdatum

8. Het hof acht het redelijk de datum van indiening van het verzoekschrift te hanteren als ingangsdatum van de nihilstelling, aangezien de vrouw er vanaf die datum rekening mee heeft kunnen houden dat de alimentatie zou worden gewijzigd.

Periode vanaf 1 februari 2010

9. Het hof is gebleken dat de vrouw extra inkomen ontvangt voor werkzaamheden die zij verricht voor de ondernemingsraad en dat deze werkzaamheden eindigen per 1 februari 2010. Dat het inkomen van de vrouw per die datum met 11,11% afneemt, is niet door de man bestreden. Dit betekent dat hof per 1 februari 2010 uitgaat van een inkomensvermindering aan de behoeftigheid van de vrouw per 1 februari 2010 te bepalen op € 340,- per maand.

Draagkracht

10. Het hof zal vervolgens bezien of en in hoeverre de man draagkracht heeft om vanaf 1 februari 2010 te voorzien in de hiervoor becijferde behoeftigheid van de vrouw nu de man heeft gesteld, dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt.

11. De man stelt dat zijn besteedbaar inkomen is gedaald als gevolg van de inflatie en de rechtbank heeft eraan voorbij gezien dat de man zijn salaris slechts op peil heeft weten te houden door in onregelmatige ploegendiensten over te werken. De man kan dit niet langer volhouden omdat hij daarmee roofbouw pleegt op zijn geestelijke en fysieke gezondheid.

12. De vrouw heeft de stelling van de man, dat zijn inkomen is gedaald, en/of zal afnemen, gemotiveerd betwist. De vrouw is van mening dat met een onzekere factor in de toekomst geen rekening kan worden gehouden.

13. Het hof overweegt als volgt. De man heeft geen bewijs van zijn jaarinkomen 2009 overgelegd. Zijn bruto jaarinkomen in 2005, ten tijde van de echtscheiding, bedroeg € 52.184,-, in 2008 bedroeg dit inkomen € 63.843,-. Van een daling is derhalve geen sprake. Dat zijn inkomen mogelijk zal gaan dalen als gevolg van de huidige crisis en zijn fysieke/mentale gesteldheid is een toekomstige omstandigheid waarmee het hof thans geen rekening houdt, waarbij het nog de vraag is in hoeverre dit inkomen zich zal wijzigen en of dat tot een ander oordeel leidt.

14. De man stelt dat zijn woonlasten ten bedrage van € 940,- niet door de rechtbank zijn meegenomen. Hij woont samen met een nieuwe partner en haar minderjarige kinderen. Hij stelt dat de woonlasten niet met zijn nieuwe partner gedeeld kunnen worden nu haar inkomen niet toereikend is (geweest). De man legt daartoe over: een tweetal jaaropgaven van 2008 en een email waaruit blijkt dat zijn partner één contract heeft opgezegd.

15. De vrouw stelt dat de man is gaan samenwonen met zijn nieuwe partner hetgeen een lastenverlichting met zich brengt.

16. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat een nieuwe partner in eigen onderhoud kan voorzien en bij kan dragen in de woonlasten. Het hof is van oordeel dat zelfs indien rekening wordt gehouden met de volledige woonlasten blijkt dat de man in staat is de hiervoor genoemde partneralimentatie te voldoen.

17. De man heeft nog aangevoerd, dat hij dieetkosten heeft en reiskosten maakt, waarmee de rechtbank geen rekening heeft gehouden.

18. Het hof is van oordeel dat de man, zelfs indien eveneens met bedoelde kosten rekening zou worden gehouden, over voldoende draagkracht blijft beschikken om de alimentatie te voldoen.

Terugbetaling

19. Het hof acht het redelijk en billijk te bepalen dat de vrouw de aan haar teveel betaalde alimentatie over de periode 1 januari 2009 tot 1 februari 2010 terugbetaalt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij over een eigen vermogen beschikt van € 19.000,-. Bovendien heeft de vrouw er rekening mee kunnen houden dat de alimentatie vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift zou worden gewijzigd.

Limitering

20. Ten aanzien van de limitering van de partneralimentatie overweegt het hof als volgt. In verband met de ingrijpende gevolgen van limitering dienen hoge eisen te worden gesteld aan de te stellen en de zonodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering rechtvaardigen. Het hof is van oordeel dat door de man geen zodanige bijzondere feiten en omstandigheden zijn gesteld. Het hof zal het desbetreffende verzoek afwijzen.

Proceskosten

21. Het hof ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de man tot veroordeling van de proceskosten wordt daarom afgewezen.

22. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 22 mei 2006 van de rechtbank ’s-Gravenhage – de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man voor de periode van 1 januari 2009 tot 1 februari 2010 op nihil, en met ingang van 1 februari 2010 op € 340,- per maand;

bepaalt dat de vrouw hetgeen zij teveel van de man ontvangen heeft voor levensonderhoud aan hem moet terugbetalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Stille en Pannekoek-Dubois bijgestaan door mr. Pol als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010