Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0400

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
BK-09/00046
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. In geschil is of het bedrag van € 11.994, dat belanghebbende in verband met de verrekening van pensioenrechten van haar ex-echtgenoot ontving, terecht tot haar belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/48.1.2
FJR 2011/79 met annotatie van I.J. Pieters
FutD 2010-1729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00046

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 6 juli 2010

op het hoger beroep van mevrouw [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 december 2008, nr. AWB 08/1881 IB/PVV, betreffende hierna vermelde aanslag.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden, voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.476. Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete opgelegd van € 113. Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking aan belanghebbende een bedrag van € 259 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar gedeeltelijk toegewezen en heeft hij de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 juni 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1. Belanghebbende heeft in 2005 naast een WAO/AAW-uitkering een bedrag van € 11.994 ontvangen van haar ex-echtgenoot. Dit betreft de jaarlijkse verrekening van pensioenrechten van de ex-echtgenoot van belanghebbende, zoals overeengekomen in een in 1991 opgesteld echtscheidingsconvenant tussen haar en haar ex-echtgenoot (hierna: pensioenuitkering).

3.2. De Inspecteur heeft op 20 juli 2007 aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.476. In dit bedrag is de voormelde pensioenuitkering begrepen.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of het bedrag van € 11.994, dat belanghebbende in verband met de verrekening van pensioenrechten van haar ex-echtgenoot ontving, terecht tot haar belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend, zoals de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist.

4.2. Belanghebbende stelt zich - samengevat weergegeven - op het standpunt dat:

- de pensioenuitkering niet door haar ex-echtgenoot aan haar wordt uitgekeerd, maar door de verzekeraar. Haar ex-echtgenoot fungeert slechts als tussenschakel en tijdelijke houder van hetgeen aan belanghebbende toekomt;

- zij een zelfstandig recht op de pensioenuitkering heeft, niet een afgeleid recht. Er is geen sprake van een onderhoudsverplichting door de ex-echtgenoot t.o.v. belanghebbende. Recht op aftrek door de ex-echtgenoot is non-existent;

- sprake is van dubbele heffing. In geval gescheiden personen overeenkomen dat hetgeen door de verzekeraar aan de vrouw zal worden uitgekeerd eerst het vermogen van de man passeert en daarna overgemaakt wordt naar de vrouw, nadat door de verzekeraar belasting is ingehouden op het gehele bedrag, kan het volgens belanghebbende niet zo zijn dat wanneer de vrouw haar deel uit het geheel aan opgebouwde pensioenrechten ontvangt, zij daarna weer over het ontvangen deel belasting moet betalen. Hetgeen belanghebbende toekomt is geen betaling door haar ex-echtgenoot, maar wordt door de verzekeraar via hem aan haar uitgekeerd, na aftrek van de ook door haar verschuldigde belastingen, en is derhalve een nettobedrag, aldus belanghebbende. Tussen beide ex-echtelieden is ook overeengekomen dat aan belanghebbende een nettobedrag overgemaakt zou worden;

- het afdragen van belasting over de ontvangen bedragen ter verrekening van pensioenrechten zal uitzonderlijk harde gevolgen hebben. Belanghebbende bestrijdt niet dat over genoten inkomsten belasting betaald moet worden, maar wel dat voor een tweede maal belasting heffen over inkomen waarop in een eerder stadium reeds belasting is ingehouden, onbillijk is.

4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.482.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ingevolge artikel 3.100, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Als zodanig zijn blijkens artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 aangewezen de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Tot de laatstbedoelde periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren blijkens artikel 3.105, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 de periodieke uitkeringen en verstrekkingen voor zover zij zijn overeengekomen in het kader van echtscheiding ter verrekening van pensioenrechten.

6.2. Het Hof leidt uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting af dat belanghebbendes ex-echtgenoot tegenover de pensioenuitkeerder een aanspraak heeft op pensioenrechten en dat het door de ex-echtgenoot aan belanghebbende in onderhavig jaar, evenals in voorgaande jaren, betaalde gedeelte daarvan, is verstrekt op grond van de jaarlijkse verrekening van pensioenrechten, zoals overeengekomen in het tussen hen in 1991 opgestelde echtscheidingsconvenant. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Het voorgaande brengt mee dat sprake is van twee genietingsmomenten, op elk waarvan belasting verschuldigd is, namelijk eenmaal loonbelasting door de verzekeraar over het door deze aan de ex-echtgenoot uitgekeerde bedrag en eenmaal inkomstenbelasting door belanghebbende over de door haar van haar ex-echtgenoot ontvangen periodieke uitkering in de zin van artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onderdeel b, in verbinding met artikel 3.105, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Anders dan belanghebbende stelt, vormt de door haar ontvangen pensioenuitkering derhalve geen nettobedrag, maar een brutobedrag. De stelling van belanghebbende dat tussen beide ex-echtelieden is overeengekomen dat zij een netto pensioenuitkering zou ontvangen, maakt dit, wat ook van die stelling zij, niet anders. Van een dubbele heffing over in feite hetzelfde bedrag, zoals belanghebbende stelt, is evenmin sprake nu de ex-echtgenoot het door hem aan belanghebbende betaalde bedrag op de voet van artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onderdeel d, in verbinding met artikel 6.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 in aftrek kan brengen.

6.3. Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 6 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.