Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0399

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
200.059.154.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De ondertoezichtstelling van de minderjarige; de wettelijke gronden (artikel 1:254 BW) waren en zijn nog steeds aanwezig; minderjarige niet gehoord (10 jaar).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 juni 2010

Zaaknummer : 200.059.154/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 09-2493

[de moeder],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.C. Lugard-van Beijma te Utrecht,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.W.M. Hendriks te Maastricht,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

locatie Leidschendam-Voorburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 9 maart 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 februari 2010 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De raad heeft op 9 april 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 7 april 2010 een verweerschrift ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 20 april 2010 en 4 mei 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 6 mei 2010 is de zaak, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.059.182/01 (betreffende de omgangsregeling tussen de vader en de nader te noemen minderjarige) mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de raad: mevrouw J.K.M. Bakker, namens Jeugdzorg: mevrouw G. Peterse, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

Ter terechtzitting heeft de raad, met goedvinden van de wederpartij, een drietal brieven overgelegd.

Nadien is bij het hof op 27 mei 2010 een brief met bijlagen van de zijde van de moeder ingekomen. Het hof zal hierop geen acht slaan, nu ingevolge het toepasselijke procesreglement na de mondelinge behandeling geen stukken meer kunnen worden ingediend, behoudens in uitzonderingssituaties, waarvan hier geen sprake is.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – [naam], geboren op [datum in] 2000 te [geboorteplaats], (verder: [de minderjarige]), van 5 februari 2010 tot 5 februari 2011 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige].

De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast. [de minderjarige] verblijft bij de moeder.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen.

3. De raad bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte [de minderjarige] onder toezicht heeft gesteld. Daartoe voert zij het volgende aan. De moeder bestrijdt dat [de minderjarige] teveel belast wordt met volwassenen aangelegenheden. [de minderjarige] heeft een zware periode achter de rug doordat zij getuige is geweest van huiselijk geweld en vermoedelijk slachtoffer is geweest van seksueel misbruik door de vader. Voorts speelt de ziekte van de moeder weliswaar een rol in het leven van [de minderjarige], doch de moeder betwist dat dit een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [de minderjarige]. Het negatieve beeld dat [de minderjarige] heeft van de vader komt voort uit haar eigen ervaringen en kan de moeder derhalve niet worden verweten of leiden tot een ondertoezichtstelling. De moeder betwist dan ook dat de ontwikkeling van [de minderjarige] op enigerlei wijze wordt bedreigd. Voorts betwist de moeder de stelling van de raad dat zij niet bestendig is in het aanvaarden van de geboden hulp. De betreffende hulp was van vrijwillige aard en deed volgens de moeder meer kwaad dan goed, waardoor zij heeft afgezien van verdere hulp. Daarnaast wordt de ondertoezichtstelling gebruikt als instrument om een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] op gang te brengen, hetgeen volgens de moeder niet conform de geldende wetgeving en jurisprudentie is. Er bestaan andere mogelijkheden om de omgang te realiseren. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd, nu de gronden voor een ondertoezichtstelling ontbreken.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. Voor de ondertoezichtstelling zijn primair redengevend geweest het herstel van de ouder-kind relatie tussen de moeder en [de minderjarige] en het neutraliseren van het negatieve beeld van de vader. Het is van belang dat de moeder zich meer beperkt tot haar ouderrol, zodat [de minderjarige] de gelegenheid kan krijgen om ‘kind’ te zijn. Daarnaast is de raad van mening dat, doordat de moeder uitsluitend in negatieve termen over de vader spreekt, [de minderjarige] onnodig wordt belast en het risico van identiteitsproblemen in de toekomst ontstaat. Ter zake van hetgeen de moeder heeft aangevoerd met betrekking tot de hulpverlening, stelt de raad dat de moeder zich veranderlijk opstelde jegens de gezinscoach. Na de ondertoezichtstelling heeft de rechtbank partijen doorverwezen voor het verkrijgen van een indicatie ten behoeve van het op gang brengen van begeleide omgang. Naar de mening van de raad is er, gelet op de redenen voor de ondertoezichtstelling, geen sprake van een omgangsondertoezichtstelling. Gelet op het voorgaande dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd, aldus de raad.

6. De vader stelt zich eveneens op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan. Daartoe voert hij het volgende aan. De moeder wijst in haar beroepschrift naar het vermeende seksuele misbruik van [de minderjarige] en de mishandeling van de moeder door de vader. Zij heeft hiervan echter nooit aangifte gedaan. Tevens kunnen deze beweringen volgens deskundigen niet gestaafd worden. De moeder probeert met alle middelen de vader uit het leven van haar en [de minderjarige] te bannen. Zij heeft zich negatief uitgelaten over de vader en dit overgebracht op [de minderjarige]. Met betrekking tot de rechterlijke instanties en hulpverleners vertoont de moeder vluchtgedrag. Op de zitting van de rechtbank bleef de moeder zich verzetten tegen de onderzoekers en hulpverleners. De stelling van de moeder dat een ondertoezichtstelling om een omgangsregeling op gang te brengen niet conform de geldelijke wetgeving en jurisprudentie zou zijn, bestrijdt de vader. Daarbij komt dat de ondertoezichtstelling door een objectieve instantie is verzocht en niet door de vader. Gelet op het voorgaande dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd.

7. Namens Jeugdzorg is desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat een concept van het plan van aanpak en een indicatiebesluit voor begeleide omgang zijn gemaakt. Er heeft nog geen gesprek plaatsgevonden tussen de ouders en Jeugdformaat.

8. Het hof overweegt als volgt met betrekking tot het herhaaldelijk gedane verzoek van de moeder om [de minderjarige] te doen horen. Het hof ziet geen aanleiding om [de minderjarige] te horen gezien haar jonge leeftijd en het feit dat het hof op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te kunnen komen.

9. Het hof overweegt voorts als volgt. Een verzoek tot ondertoezichtstelling kan slechts worden toegewezen indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:254 BW, aanwezig zijn. Bij de beoordeling zal het hof derhalve onderzoeken of de minderjarige zonder ondertoezichtstelling zodanig opgroeit, dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

10. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling ten tijde van de beoordeling van het verzoek door de kinderrechter aanwezig waren en thans nog aanwezig zijn. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking. Uit het raadsrapport van 8 september 2009 blijkt dat de moeder zich uitsluitend in negatieve termen uitlaat over de vader. Zij stelt dat er een vermoeden van seksueel misbruik van [de minderjarige] door de vader bestaat, doch heeft hiervan nimmer aangifte gedaan. Wel is er als gevolg van deze stelling van de moeder inmiddels meerdere jaren geen contact meer geweest tussen de vader en [de minderjarige]. Daarnaast leiden de zorgen die [de minderjarige] heeft over de chronische aandoening van de moeder tot parentificatie en een gevoel van onveiligheid. Het incident op 17 februari 2009, waarbij de moeder de term ‘rotkind’ heeft gebezigd en heeft gedreigd met zelfmoord, heeft niet bijgedragen aan een gevoel van veiligheid bij [de minderjarige]. De moeder belast [de minderjarige] voorts onnodig met volwassenen zaken waardoor het risico bestaat dat [de minderjarige] identiteitsproblemen krijgt. Doordat de moeder haar eigen aandeel hierin nauwelijks erkent en de problemen bagatelliseert, houdt zij deze, voor de ontwikkeling van [de minderjarige] bedreigende, situatie in stand. Het hof acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden nu bovendien gebleken is dat de moeder zich ambivalent opstelt jegens de hulpverlening in het vrijwillig kader. Zij lijkt geen inmenging van de hulpverlening te accepteren en zij is niet bestendig in haar medewerking aan de hulpverlening. Het hof is van oordeel dat de raad voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ondertoezichtstelling, anders dan de moeder stelt, niet dient om de omgang tussen de vader en [de minderjarige] tot stand te brengen, doch om de relatie tussen de moeder en [de minderjarige] te normaliseren en het beeld dat [de minderjarige] van de vader heeft te neutraliseren. Het hof is van oordeel dat alle feiten en omstandigheden tezamen een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] rechtvaardigen. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

11. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van den Wildenberg en Van der Burght, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010.