Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0373

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
200.059.182.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. De ontvankelijkheid van het hoger beroep: De beslissing van de kinderrechter is een deelbeslissing waartegen hoger beroep kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 juni 2010

Zaaknummer : 200.059.182/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-7087

[de moeder],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.C. Lugard-van Beijma te Utrecht,

tegen

[de vader],

wonende te Brunssum,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.W.M. Hendriks te Maastricht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

locatie Leidschendam-Voorburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 9 maart 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 februari 2010 van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage.

De vader heeft op 8 april 2010 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 maart 2010 heeft de raad het hof het raadsrapport van 25 september 2009 doen toekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 20 april 2010 en 4 mei 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 6 mei 2010 is de zaak, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.059.154/01 (betreffende de ondertoezichtstelling van de nader te noemen minderjarige) mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Namens Jeugdzorg is verschenen: mevrouw G. Peterse. Voorts is namens de raad verschenen: mevrouw J.K.M. Bakker.

Ter terechtzitting heeft de raad, met goedvinden van de wederpartij, een drietal brieven overgelegd.

Nadien is bij het hof op 27 mei 2010 een brief met bijlagen van de zijde van de moeder ingekomen. Het hof zal hierop geen acht slaan, nu ingevolge het toepasselijke procesreglement na de mondelinge behandeling geen stukken meer kunnen worden ingediend, behoudens in uitzonderingssituaties, waarvan hier geen sprake is.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 20 maart 2009 van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage en de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 20 maart 2009 is de raad verzocht een onderzoek te verrichten ten aanzien van de vraag of het belang van de nader te noemen minderjarige zich verzet tegen een omgangsregeling en zo nee, welke omgangsregeling in het belang van deze minderjarige is, en daarover te rapporteren en te adviseren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking zijn de vader en de moeder verwezen naar Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Centrum/Scheveningen, voor het verkrijgen van een indicatie voor het onder begeleiding op gang brengen van de omgang tussen de vader en de nader te noemen minderjarige. Daarbij is bepaald dat de vader en de moeder zich melden bij Bureau Jeugdzorg en na het verkrijgen van een indicatie naar het omgangshuis Begeleide Omgang Stichting Jeugdformaat, MKD ’t Kleine Loo (verder: Jeugdformaat) dienen te gaan voor begeleide omgang. Voorts is bepaald dat de moeder de nader te noemen minderjarige tijdig voorafgaand aan ieder omgangscontact naar het omgangshuis zal brengen en haar daar aan het einde van elk contact weer zal ophalen. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang is pro forma aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hof is van oordeel dat de kinderrechter in casu een deelbeslissing heeft gegeven waarin voor bepaalde tijd een voorlopige begeleide omgangsregeling is vastgesteld, die niet meer ongedaan kan worden gemaakt en derhalve een onherroepelijk karakter heeft. Voor zover door de raad en Jeugdzorg gesteld wordt dat de vastgestelde voorlopige omgangsregeling onderdeel uitmaakt van een onderzoek, constateert het hof dat de kinderrechter dit niet kenbaar heeft gemaakt in de bestreden beschikking, zodat niet van het gestelde kan worden uitgegaan. Gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 358 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, acht het hof de moeder ontvankelijk in haar hoger beroep.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige:

[naam], geboren op [datum in] 2000 te [geboorteplaats], verder: [de minderjarige].

De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast. De vader heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] verblijft bij de moeder.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, onder gelijktijdige bepaling dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen.

3. De vader bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte een begeleide omgangsregeling heeft vastgesteld. Daartoe voert zij het volgende aan. Er is bij [de minderjarige] sprake geweest van seksueel misbruik door de vader. Voorts is de moeder mishandeld door de vader in het bijzijn van [de minderjarige]. Het is derhalve niet in het belang van [de minderjarige] om contact te hebben met de vader. Daarbij komt dat het op gang brengen van een omgangsregeling via het omgangshuis een vergaande samenwerking tussen de vader en de moeder vergt, die niet van de moeder verwacht kan worden nu zij door de vader is mishandeld en bedreigd. Voorts dienen de kwesties ‘omgang’ en ‘ondertoezichtstelling’ los van elkaar te worden beschouwd. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] mag onder geen beding dienen als instrument om een omgangsregeling tussen haar en de vader op gang te brengen. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat het negatieve beeld dat [de minderjarige] van de vader heeft, voortkomt uit haar eigen ervaringen en de moeder dat beeld niet bij haar heeft opgedrongen.

5. De vader stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan. Daartoe voert hij het volgende aan. De moeder wijst in haar beroepschrift naar het vermeende seksuele misbruik van [de minderjarige] en de mishandeling van de moeder door de vader. De moeder heeft hiervan echter nooit aangifte gedaan. Tevens kunnen deze beweringen volgens deskundigen niet worden gestaafd. De moeder probeert met alle middelen de vader uit het leven van haar en [de minderjarige] te bannen. Zij heeft zich negatief over hem uitgelaten en dit overgebracht op [de minderjarige]. Met betrekking tot rechterlijke instanties en hulpverleners vertoont de moeder vluchtgedrag. Tijdens de zitting bij de kinderrechter bleef de moeder zich verzetten tegen de onderzoekers en de hulpverleners. Verder bestrijdt de vader de stelling van de moeder dat een ondertoezichtstelling om een omgangsregeling op gang te brengen niet conform de geldelijke wetgeving en jurisprudentie zou zijn. Gelet op het voorgaande is de vader van mening dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

6. Namens de raad is ter terechtzitting verklaard dat het in het belang van de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] is om contact met de vader te hebben. De raad adviseert daartoe een begeleide omgangsregeling. Op die manier kan het contact tussen [de minderjarige], de moeder en de vader op gang worden gebracht. Er zal door deskundigen worden geobserveerd hoe de contacten tussen de vader en [de minderjarige] verlopen. Naar aanleiding van die observaties kan zowel negatief als positief worden geadviseerd over een definitieve omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige].

7. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting verklaard dat een indicatiebesluit voor begeleide omgang is gemaakt. Er heeft nog geen gesprek plaatsgevonden tussen de ouders en Jeugdformaat. Desgevraagd heeft Jeugdzorg verklaard dat het verzet van de moeder tegen een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] niet voldoende reden is om over te gaan tot intrekking van het indicatiebesluit voor begeleide omgang.

8. Het hof overweegt als volgt met betrekking tot het herhaaldelijk gedane verzoek van de moeder om [de minderjarige] te doen horen. Het hof ziet geen aanleiding om [de minderjarige] te horen gezien haar jonge leeftijd en het feit dat het hof op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te kunnen komen.

9. Het hof overweegt voorts als volgt. Op grond van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek (verder: BW) hebben het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij er sprake is van een of meer van de gronden, zoals genoemd in het derde lid van dat artikel, op basis waarvan de rechter het recht op omgang op daartoe strekkend verzoek ontzegt.

10. Het hof is van oordeel dat de door de kinderrechter vastgestelde voorlopige omgangsregeling gehandhaafd dient te worden. Daartoe overweegt het hof als volgt. Uit het raadsrapport van 25 september 2009 volgt dat het belang van [de minderjarige] zich niet verzet tegen een omgangsregeling. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader voorafgaand aan het vertrek van de moeder en [de minderjarige] uit Limburg in 2003 veelvuldig contact heeft gehad met [de minderjarige]. Aan deze omgangsregeling is abrupt een einde gekomen. De moeder beschuldigt de vader van seksueel misbruik van [de minderjarige], doch heeft hiervan nimmer aangifte gedaan. De moeder uit zich negatief over de vader waardoor [de minderjarige] opgroeit met een negatief gekleurd beeld van de vader en inmiddels geruime tijd geen contact meer heeft gehad met de vader. [de minderjarige] vertoont weerstand tegen een contact met de vader en de moeder is tot op heden niet bereid geweest omgang tussen de vader en [de minderjarige] toe te staan. Het hof stelt voorop dat kinderen hun identiteit ontlenen aan hun vader en hun moeder. Ontkenning van één van de ouders is gelijk aan het ontkennen van een deel van de persoonlijkheid van het kind en vormt een ernstig risico voor het ontstaan van identiteitsproblemen in de toekomst. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij opgroeit met een realistisch beeld van de vader, waarvoor persoonlijk contact met de vader nodig is. De moeder dient daartoe het beeld dat [de minderjarige] heeft van de vader te neutraliseren. Mede teneinde haar hierin te laten ondersteunen, heeft het hof per heden in de zaak met zaaknummer 200.059.154/01 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] gehandhaafd.

11. Het hof kan zich vinden in het advies van de raad om de omgang tussen de vader en [de minderjarige] te laten begeleiden door Jeugdformaat. Op die manier kan omgang onder begeleiding van derden en in aanwezigheid van deskundigen plaatsvinden en wordt de ouders de kans geboden om te leren hoe zij hun ouderschap na het uiteengaan kunnen vormgeven. Aan de hand van de bevindingen van Jeugdformaat kan vervolgens worden beoordeeld of, en in welke vorm, een onbegeleide omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] mogelijk is. Het vorenstaande leidt derhalve tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking.

12. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van den Wildenberg en Van der Burght, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010.