Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9921

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
200.037.220/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie(duur). Huwelijk na 5 jaren en 1,5 maand ontbonden. Artikel 1:157 lid 6 BW niet van toepassing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 juni 2010

Zaaknummer : 200.037.220/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 07-2035

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Verschoor te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 juni 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 maart 2009 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 22 september 2009 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 4 november 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 18 augustus 2009 en 12 april 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof bij brief van 25 november 2009 en 31 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 16 april 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door mr. P. Vermeulen, kantoorgenoot van mr. Verschoor, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen: van de zijde van de vrouw haar zorgpolis en bijbehorend premieoverzicht en van de zijde van de man de jaaropgave 2009. Voorts heeft de vrouw het hof per fax bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 2 juni 2008.

Bij de beschikking van 2 juni 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is een voorlopige uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man aan de vrouw toegekend van € 442,- per maand. Iedere verdere beslissing over onder meer de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw is daarbij aangehouden, om partijen de gelegenheid te geven in onderling overleg tot overeenstemming te komen.

Bij de bestreden beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad en voor zover in dit hoger beroep van belang – met ingang van 30 maart 2009 ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot het levensonderhoud toegekend van € 389,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en is het verzoek van de man om de duur van de alimentatieplicht te limiteren, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar incidenteel appel, nu zij het hof heeft verzocht om een bijdrage van € 600,- per maand per kind. De man is immers niet onderhoudsplichtig jegens de kinderen van de vrouw.

De vrouw stelt dat er sprake is van een verschrijving in het petitum en heeft ter zitting verklaard het verzoek zonodig te wijzigen, aldus dat in het petitum de woorden “per kind” komen te vervallen.

Het hof is van oordeel dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek, nu het hier een kennelijke verschrijving betreft en het hof ervan uitgaat dat het incidenteel appel ziet op de vaststelling van een hogere uitkering tot het levensonderhoud dan de rechtbank heeft gedaan.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de duur van de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw en de hoogte van de te betalen uitkering.

2. De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de bestreden beschikking (naar het hof begrijpt) ten aanzien van de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de duur van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud aan de vrouw beperkt wordt tot een duur die gelijk is aan de huwelijkse periode van partijen.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof om het hoger beroep van de man te verwerpen en verzoekt in haar incidenteel appel – uitvoerbaar bij voorraad – de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man met ingang van 30 maart 2009, (het hof leest:) in het levensonderhoud van de vrouw zal bijdragen met € 600,- (het hof leest:) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4. De man verzet zich daartegen.

Limitering

5. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de man om de partneralimentatie te limiteren tot een termijn van vijf jaar dan wel de duur van het huwelijk (vijf jaar en twee maanden) heeft afgewezen. De man bestrijdt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud. De man stelt dat de vrouw substantiële werkzaamheden verricht in een muziekcafé die duiden op een dusdanige verdiencapaciteit van de vrouw dat zij nu geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien.

De arbeidsongeschiktheid van de vrouw, het feit dat zij de zorg heeft voor minderjarige kinderen uit een eerdere relatie en dat zij een studie volgt, alsmede de onzekere economische markt, zijn factoren die volgens de man niet voor zijn rekening en risico dienen te komen.

Voorts stelt de man dat door vertraging aan de zijde van de vrouw en de rechtbank de termijn van vijf jaar is overschreden en daarmee de alimentatieduur ten onrechte met zeven jaar is opgerekt. De rechtbank heeft er vijf en een halve maand over gedaan om uitspraak te doen, de akte van berusting werd niet onmiddellijk door de vrouw ondertekend en geretourneerd, en de griffier stempelde de beschikking twee dagen later af.

Ten slotte stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, ondanks de omstandigheid dat de huwelijkse periode de vijf jaren nauwelijks heeft overschreden, de alimentatietermijn van twaalf jaar onverkort gehandhaafd dient te worden, tenzij er sprake is van misbruik van het procesrecht door een der partijen.

6. De vrouw is van mening dat de rechtbank het verzoek van de man om de termijn van zijn alimentatieverplichting te limiteren terecht heeft afgewezen. Het huwelijk heeft immers langer dan vijf jaren geduurd en er is geen sprake van vertraging aan de zijde van de vrouw. De vrouw is pas gedurende het huwelijk geheel arbeidsongeschikt geworden.

7. Het hof overweegt als volgt. Indien een huwelijk kort heeft geduurd – niet langer dan vijf jaren – en kinderloos is gebleven, dan eindigt krachtens artikel 1:157 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn gelijk aan de huwelijksduur.

In het onderhavige geval zijn partijen op 30 mei 2003 gehuwd en is de echtscheidingsbeschikking op 14 juli 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk heeft derhalve langer dan vijf jaren geduurd, zodat voornoemd wetsartikel in casu niet van toepassing is. De stellingen van de man dat de rechtbank en de vrouw de echtscheidingsprocedure onnodig hebben vertraagd, acht het hof – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw – niet dan wel onvoldoende aangetoond. Niet gebleken is dat de periode tussen de laatste schriftelijke ronde en de mondelinge behandeling bij de rechtbank ongebruikelijk lang is geweest. De rechtbank heeft de echtscheiding twee weken na de mondelinge behandeling van de zaak uitgesproken en de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 2 juni 2008 heeft ongeveer anderhalve maand later plaatsgevonden. Ook in de overige stellingen van de man ziet het hof geen aanleiding om in dit geval de wettelijke regeling van de alimentatieduur niet onverkort toe te passen.

8. Ter zitting heeft de vrouw verklaard twee uur per week werkzaamheden in een muziekcafé van een vriend van haar te verrichten en daar een vergoeding van € 70,- per maand voor te krijgen. De vrouw is daarnaast regelmatig in het café aanwezig en regelt op vrijwillige basis optredens van beginnende bands. Het UWV is op de hoogte van deze activiteiten van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de man deze stellingen van de vrouw niet, dan wel onvoldoende, heeft bestreden. Gelet op het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken, acht het hof voldoende aannemelijk dat de vrouw met haar werkzaamheden in het café niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, zodat daarin geen reden is gelegen om de alimentatieduur te bekorten. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat de vrouw arbeidsongeschikt is en een uitkering ontvangt naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100 %. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw thans niet in staat is geheel in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Nu de vrouw heeft verklaard over anderhalf jaar klaar te zijn met haar studie psychologie, gaat het hof ervan uit dat de vrouw zich in zal spannen om nadien tot een uitbreiding van betaalde werkzaamheden te komen zodat haar behoefte aan een uitkering van de man tot haar levensonderhoud dan opnieuw kan worden vastgesteld.

Draagkracht van de man

9. De vrouw stelt in haar incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de bepaling van de draagkracht van de man uitgegaan moet worden van het fiscale loon over 2008. Gedurende het huwelijk werkte de man immers structureel over en hij heeft volgens haar onvoldoende aangetoond dat hij dit thans niet langer kan. Uitgaande van het inkomen van de man zoals hij dat verdiende tot 1 juli 2007, te weten € 41.832,- per jaar, is de man in staat de door de vrouw in eerste aanleg verzochte bijdrage in haar levensonderhoud van € 600,- per maand te kunnen voldoen.

10. De man stelt bij twee verschillende gelegenheden verklaringen te hebben overgelegd van zijn werkgever waar eenduidig en ondubbelzinnig uit blijkt dat het verrichten van overwerk niet meer mogelijk is in verband met de bedrijfseconomische omstandigheden van het bedrijf.

11. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stelling dat de man nog altijd overwerk zou kunnen verrichten – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man – onvoldoende heeft aangetoond. Het hof leidt uit de door de man overgelegde stukken, te weten de brieven van zijn werkgever van 29 juni 2007 en 19 januari 2009 en de door hem overgelegde salarisspecificaties en jaaropgaven, af dat overwerk voor de man onder de huidige economische omstandigheden niet tot de mogelijkheden behoort. Het hof is derhalve van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden het inkomen dat de man in 2008 verdiende tot uitgangspunt voor de bepaling van zijn draagkracht heeft genomen.

12. Het hof houdt rekening met de lasten van de man en de bijstandsnorm zoals deze door de rechtbank zijn vastgesteld en in hoger beroep niet zijn weersproken. Derhalve gaat het hof uit van een huurlast van € 161,- per maand, premie zorgverzekering van € 117,- per maand en aflossing op de huwelijkse schuld van € 256,- per maand.

13. Uitgaande van voornoemd inkomen en voornoemde lasten, alsmede met de gebruikelijke belasting en de van toepassing zijnde heffingskortingen, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man een alimentatie voor de vrouw toelaat zoals deze door de rechtbank is vastgesteld, zodat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van de Poll, van Dijk en Ydema, bijgestaan door

mr. Quarles van Ufford-van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2010.