Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9829

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
BK-09/00775
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ8174, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekeningsbeschikking Minas. Uit de wettelijke regelingen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat alleen belastbare hoeveelheden waarvan een verfijnde aangifte is gedaan voor verrekening in aanmerking komen en dat die alleen kunnen worden verrekend met belastbare hoeveelheden van andere jaren waarvan eveneens een verfijnde aangifte is gedaan. Belanghebbende heeft voor het jaar 2000 een forfaitaire aangifte ingediend. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat verrekening van de belastbare hoeveelheid van dat jaar met die van andere jaren, zoals door belanghebbende bepleit, niet mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/55.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00775

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 23 juni 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 augustus 2009, nr. AWB

08/9387 OVSCHH, betreffende na te noemen beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur van de Dienst regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Inspecteur, heeft ten name van belanghebbende de Verrekeningsbeschikking Minas eindbalans 2005 (hierna: de verrekeningsbeschikking 2005) vastgesteld.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de verrekeningsbeschikking 2005 een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 39. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 12 mei 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 2 april 2010 aan het adres [a-straat 1] te [0000 XX] [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij TNT Post ingewonnen inlichtingen (track and trace) is de vorenbedoelde brief op 6 april 2010 uitgereikt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Op 19 oktober 2000 heeft belanghebbende voor het jaar 1999 een zogenoemde forfaitaire aangifte ingediend en ƒ 67, - (€ 30,40) fosfaatheffing op aangifte voldaan.

3.2. Belanghebbende heeft een forfaitaire aangifte voor het jaar 2000 ingediend. Bij brief aan belanghebbende van 14 januari 2003 heeft verweerder voor dat jaar een fosfaatoverschot van 1.088 kilogram een stikstofoverschot van 391 kilogram vastgesteld. Met dagtekening 3 februari 2003 heeft verweerder belanghebbende voor het jaar 2000 een naheffingsaanslag fosfaatheffing inclusief boete van ƒ 21.977.60, - (€ 9.973, -) en een naheffingsaanslag stikstofheffing inclusief boete van ƒ 591,86 (€ 268,58) opgelegd.

3.3. In de verrekeningsbeschikking MINAS eindbalans 2005 is het volgende overzicht opgenomen:

Heffingsjaar Fosfaatsaldo/- Stikstofsaldo/

Overschot in kg overschot in kg

1998 2.265 2.688

1999 Forfaitaire aangifte Forfaitaire aangifte

2000 Forfaitaire aangifte Forfaitaire aangifte

2001 1.178 2.158

2002 -1.259 -1.686

2003 425 557

2004 88 24

2005 -50 -253

Resterend saldo/

overschot 2005 382 800

Omschrijving van het geschil in hoger beroep en de standpunten van partijen

4.1. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de verrekeningsbeschikking 2005 op juiste wijze rekening houdt met de rekenkundige overschotten in de jaren 1998 tot en met 2005. Belanghebbende meent dat zulks niet het geval is, hetgeen de Inspecteur bestrijdt.

4.2. Belanghebbende is van mening dat in de jaren 1998 tot en met 2005 van zijn bedrijf per saldo meer fosfaat en stikstof zijn afgevoerd dan aangevoerd. De verrekeningsbeschikking 2005 houdt hier ten onrechte geen rekening mee. Met name over het jaar 2000 blijft hij een heffing verschuldigd waarvoor materieel geen aanleiding bestaat.

4.3. De Inspecteur stelt dat verrekening alleen is toegestaan tussen heffingsjaren waarin aangifte is gedaan voor de verfijnde mineralenheffing. Bij belanghebbende is dat voor de jaren 1999 en 2000, waarin aangifte werd gedaan voor de forfaitaire mineralenheffing, niet het geval. Laatstgenoemde jaren kunnen dan ook niet in de verrekeningsbeschikking 2005 worden meegenomen. Het jaar 2000 staat onherroepelijk vast, zodat daar niet op kan worden teruggekomen.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert in hoger beroep, naar het Hof begrijpt en verstaat, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vermindering van de verrekeningsbeschikking 2005 tot nihil, met dien verstande dat de jaren 1999 en 2000 in de beschikking zijn betrokken.

5.2. De Inspecteur concludeert tot het ongegrond verklaring van het hoger beroep.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil, voor zover hier van belang, als volgt overwogen.

"3.5 De regulerende mineralenheffingen ter zake van de aanvoer en productie van dierlijke meststoffen zijn wettelijk geregeld in hoofdstuk IV van de Meststoffenwet. Titel 1 van dit hoofdstuk, de artikelen 14 tot en met 21, bevat de regels voor de forfaitaire mineralenheffingen en titel 2, de artikelen 22 tot en met 28, de regels voor de verfijnde mineralenheffingen. In artikel 16 van de Meststoffenwet is bepaald hoe de belastbare hoeveelheid meststoffen voor de forfaitaire mineralenheffingen moet worden vastgesteld en in artikel 24 hoe die hoeveelheid moet worden vastgesteld voor de verfijnde mineralenheffing.

3.6 Titel 5, de artikelen 42a, 43 en 44, van hoofdstuk IV van de Meststoffenwet, bevat regels voor verrekening en subsidieverlening. In het eerste lid en tweede lid van artikel 43 is bepaald dat ingeval in een kalenderjaar de belastbare hoeveelheid fosfaat, onderscheidenlijk stikstof, als bedoeld in artikel 24, minder is dan nihil, de belastbare hoeveelheid wordt verrekend met de belastbare hoeveelheden van de drie voorgaande jaren en eventueel met de daarop volgende kalenderjaren. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat verrekening met betrekking tot een kalenderjaar slechts plaatsvindt indien met betrekking tot dat kalenderjaar aangifte van de verschuldigde verfijnde mineralenheffing, bedoeld in artikel 22, is gedaan en aan de in dat artikel bedoelde regels is voldaan.

3.7 Ingevolge artikel 25, eerste en tweede lid, van de Meststoffenwet worden de hoeveelheden aan- en afgevoerde mineralen vastgesteld als de som van de hoeveelheden fosfaat, onderscheidenlijk stikstof in de in het desbetreffende kalenderjaar feitelijk aan- en afgevoerde producten of dieren die in bijlage D van de Meststoffenwet als aan- en afvoerpost zijn benoemd. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden de in de in het eerste en tweede lid bedoelde hoeveelheden vastgesteld overeenkomstig bijlage D bij de Meststoffenwet (hierna: Bijlage D). In artikel D4, eerste lid, van Bijlage D is bepaald dat de hoeveelheden fosfaat en stikstof in dierlijke en andere organische meststoffen worden bepaald op basis van het gewicht of volume en het fosfaat- en stikstofgehalte van de meststoffen.

3.8 Uit de in 3.5 tot en met 3.7 beschreven regelingen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat alleen belastbare hoeveelheden waarvan een verfijnde aangifte is gedaan voor verrekening in aanmerking komen en dat die alleen kunnen worden verrekend met belastbare hoeveelheden van andere jaren waarvan eveneens een verfijnde aangifte is gedaan. Vaststaat dat eiser voor het jaar 2000 een forfaitaire aangifte heeft ingediend. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat verrekening van de belastbare hoeveelheid van dat jaar met die van andere jaren, zoals door eiser bepleit, niet mogelijk is. In zoverre is het gelijk aan verweerder.

3.9 Voor zover eiser met zijn betoog een beroep doet op redelijkheid en billijkheid, overweegt de rechtbank dat het de rechter, ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, niet is toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Voor zover het betoog van eiser moet worden opgevat als een beroep op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule), overweegt de rechtbank dat toepassing van die bepaling ingevolge artikel 41, derde lid, Meststoffenwet, is voorbehouden aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Voor de belastingrechter kan derhalve niet met vrucht een beroep op de hardheidsclausule worden gedaan.

3.10 Eiser heeft aangevoerd dat hem niet duidelijk is hoe het bedrag van de aanslag voor het jaar 2000, te weten € 10.261,58, is bepaald, dat dit bedrag, wegens gebrek aan inkomen, niet kan worden betaald en dat hij zich daarbij beroept op de "Tachtig Procents Regeling" waarin, naar eiser stelt, is bepaald dat van alle belastingen tezamen niet meer dan tachtig procent van het inkomen aan belasting behoeft te worden betaald. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld is tegen de desbetreffende aanslag geen, althans niet tijdig, bezwaar gemaakt en is deze daarmee inmiddels onherroepelijk komen vast te staan. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een oordeel over de juistheid van deze aanslag en evenmin aan een beoordeling van de vraag of verweerder terecht het verzoek van eiser heeft afgewezen om de forfaitaire aangifte te vervangen door een verfijnde. Voor zover eiser de aanslag niet, dan met groot bezwaar kan betalen, kan dit evenmin leiden tot vermindering of vernietiging van de aanslag. Aangaande de door hem genoemde "Tachtig Procents Regeling" heeft eiser niet verwezen naar enige wettelijke bepaling of gepubliceerd beleid. Een wettelijke regeling die of gepubliceerd beleid dat voorziet in datgene wat eiser kennelijk voor ogen heeft, bestaat, naar het oordeel van de rechtbank, niet. Mogelijk heeft eiser gedacht aan de anticumulatiebepaling van artikel 14, vijfde lid, van de (inmiddels ingetrokken) Wet op de vermogensbelasting 1964. Deze bepaling zag alleen op de heffing van inkomstenbelasting en vermogensbelasting en is met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 bovendien vervallen."

6.2. De rechtbank heeft met voormelde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Het Hof neemt die beslissing over, waarbij voor eiser belanghebbende en voor verweerder Inspecteur dient te worden gelezen.

6.3. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep ongegrond is en geoordeeld moet worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en O.C.R. Marres, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 23 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.