Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9786

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
BK-09/00839
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1317, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Successierecht. Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Successiewet geldt als criterium de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed. Deze waarde kan, met inachtneming van evenvermeld criterium, worden bepaald door taxatie, doch komt in het algemeen het best tot uitdrukking bij een nabij de overlijdensdatum gerealiseerde verkoopopbrengst. Een zodanige verkoopopbrengst zal daarom in de regel als uitgangspunt dienen voor de vaststelling van de waarde van een vererfde woning op de overlijdensdatum. Niet kan worden gezegd dat de waarde van de woning bij de aanslagregeling onjuist is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1659
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00839

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 22 juni 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 oktober 2009, nr. AWB 09/4337 SUCCR, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is een aanslag in het recht van successie opgelegd wegens een verkrijging in het jaar 2008 ten bedrage van € 87.308.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft op 16 oktober 2009 uitspraak gedaan op de onderscheidene beroepen van belanghebbende en zijn drie broers in zaken met de nummers AWB 09/4334 SUCCR tot en met AWB 09/4337 SUCCR en de desbetreffende beslissingen vervat in één geschrift met het opschrift "uitspraak". Het onderhavige hoger beroep betreft de zaak die bij de rechtbank is geregistreerd onder het nummer AWB 09/4337 SUCCR. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft, hoewel daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 18 mei 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken die zijn geregistreerd onder de nummers 09/00840, 09/00841 en 09/00842. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Het Hof gaat, onder verbetering van de tenaamstelling van erflaatster en van de leveringsdatum van na te melden woning, uit van de door de rechtbank als volgt vastgestelde feiten, waarbij door de rechtbank belanghebbende en zijn mede-erfgenamen als eisers en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:

"1. De zus van eisers, [A] (hierna: erflaatster), is op [dag en maand] 2008 (hierna: overlijdensdatum) overleden. Eisers zijn de erfgenamen van erflaatster.

2. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort onder meer een woning aan de [a-straat 1] te [P] (hierna: de woning). De woning is op 7/11 juni 2008 verkocht voor € 327.400, en vervolgens op 18 juli 2008 geleverd. De WOZ-waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2007 bedraagt € 287.000.

3. In de aangifte successierecht van 4 oktober 2008 is een saldo van de nalatenschap van erflaatster aangegeven van in totaal € 274.835. Daarbij is de woning aangegeven naar een waarde per overlijdensdatum van € 253.000.

4. Bij de aanslagregeling is verweerder van de aangifte afgeweken en heeft hij de waarde van de woning per overlijdensdatum vastgesteld op € 327.400. Het saldo van de nalatenschap is vastgesteld op € 349.235."

3.2. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is voorts, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

Belanghebbende en zijn mede-erfgenamen hebben de woning doen taxeren. In een taxatierapport van [B], opgemaakt op 23 maart 2008, is aan de woning een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik toegekende van € 253.000. Als doel van de taxatie is in het rapport opgenomen: verkrijgen van inzicht van de waarde van het onroerend goed t.b.v. een verkoopbeslissing, alsmede waardebepaling in verband met afwikkeling van een nalatenschap. In een taxatierapport van 2 april 2008, opgemaakt door [C], is de woning vrij van huur en gebruik gewaardeerd op € 275.000. In dit rapport is vermeld dat de taxatie dient ter vaststelling van het verschuldigde successierecht.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil welke waarde per overlijdensdatum aan de woning dient te worden toegekend.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde van de woning per overlijdensdatum € 253.000 beliep. Hij voert daartoe aan dat de door hem voorgestane waarde, die is vastgesteld door een beëdigd taxateur, is bepaald in overeenstemming met de wettelijke criteria. Latere feiten, waaronder de na die vaststelling gerealiseerde verkoopopbrengst, kunnen daaraan niet afdoen. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag gehandeld in strijd met het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dat besluiten niet naar willekeur worden genomen. De Inspecteur heeft dat beginsel geschonden doordat de Belastingdienst in gevallen waarin zowel is getaxeerd als een verkoop is gerealiseerd, pleegt uit te gaan van het hoogste van beide bedragen.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden en stelt zich op het standpunt dat de waarde overeenkomt met de kort na het overlijden gerealiseerde verkoopopbrengst. Hij betwist de gestelde willekeur. Als de verkoopopbrengst lager was geweest dan de taxatiewaarde, zou hij bij de aanslagregeling niet hebben vastgehouden aan de getaxeerde waarde.

Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een naar een verkrijging van € 68.708.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen:

"7. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956 dient de waarde van de woning te worden bepaald naar de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van de verkrijging. Onder de waarde in het economische verkeer van een woning moet in dit verband worden verstaan de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de woning meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed.

8. In het algemeen wijkt een tussen van elkaar onafhankelijke partijen overeengekomen koopprijs, anders dan eisers kennelijk van mening zijn, niet af van de waarde in het economische verkeer. Eisers hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de op 7/11 juni 2008 gerealiseerde verkoopprijs van € 327.400 niet als een onder normale omstandigheden tot stand gekomen verkoopprijs moet worden aangemerkt. Aldus vertegenwoordigt die verkoopprijs de waarde in het economische verkeer op dat moment. Nu die verkoopprijs korte tijd (3,5 maand) na overlijdensdatum tot stand is gekomen, dient naar het oordeel van de rechtbank deze prijs voor de waardering van de woning per overlijdensdatum als uitgangspunt te worden genomen. Gelet op dit korte tijdsverloop ligt het op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning per overlijdensdatum lager is dan de gerealiseerde verkoopprijs van € 327.400. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers daarin niet geslaagd. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

9. Aan het taxatierapport van [B] kan niet het gewicht worden toegekend dat eisers daaraan gehecht willen zien. Taxaties zijn immers steeds op schattingen gebaseerd, waarbij de uitkomst van die schatting sterk afhangt van de daarbij gehanteerde uitgangspunten. De daadwerkelijke verkoop van de woning heeft hier echter geleid tot een gerealiseerde verkoopprijs die beduidend hoger (29%) is dan de door [B] getaxeerde waarde. Eisers hebben geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, waarmee het verschil in waarde tussen die getaxeerde waarde en de verkoopprijs zou kunnen worden verklaard. Het vorenstaande brengt dan ook mee dat het taxatierapport van [B] moet wijken tegenover de gerealiseerde verkoopprijs van de woning. De omstandigheid dat het taxatierapport van [B] vlak ná de overlijdensdatum door een deskundige is opgesteld, maakt dit niet anders. Waardering naar het tijdstip van verkrijging houdt namelijk geenszins in dat, naar eisers hebben gesteld, feiten en omstandigheden die ná de taxatie van [B] bekend zijn geworden niet meer voor die waardering van belang kunnen zijn. Immers alle feiten en omstandigheden die voor de waardering op voornoemd tijdstip van belang kunnen zijn, dienen, ook indien zij eerst later bekend worden, te worden meegenomen, zo ook, naar hiervoor onder 8 is overwogen, de kort na de overlijdensdatum gerealiseerde verkoopprijs van de woning. Ook het tweede taxatierapport van [makelaar], waarin eveneens tot een lagere getaxeerde waarde is gekomen dan de gerealiseerde verkoopprijs, leidt niet tot het oordeel dat de waarde van de woning per overlijdensdatum te hoog is vastgesteld.

10. De stelling van eisers dat verweerder, zowel in de bij de aangifte behorende toelichting als op diens website, aanraadt om de waarde van de woning te laten taxeren, welk advies zij ook hebben opgevolgd, brengt evenmin mee dat verweerder gehouden is om de door [B] getaxeerde waarde te volgen. Aan die teksten, zoals die in de pleitnota van eisers zijn geciteerd, kunnen eisers, naar het oordeel van de rechtbank, niet het vertrouwen ontlenen dat de waarde van de woning uitsluitend via een taxatie kon worden bepaald. Voorts geldt dat aan uitlatingen van de belastingadministratie waarin, zoals hier, algemene voorlichting wordt gegeven ter vergemakkelijking van het invullen van een aangiftebiljet, in de regel de belastingadministratie door onjuistheden in de voorlichting - als daarvan al sprake zou zijn - niet wordt gebonden. Voor afwijking van deze regel is slechts plaats ingeval de belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten. Zo er in het onderhavige geval al sprake is van een onjuistheid of onvolledigheid in vorengenoemde zin, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden doordat zij, afgaande op de onjuiste of onvolledige voorlichting, enige handeling hebben verricht of nagelaten. Niet gezegd kan worden dat eisers, naar zij hebben gesteld, onnodige taxatiekosten hebben gemaakt. Immers het taxatierapport van [B] is, naar eisers ook herhaaldelijk in de stukken hebben aangevoerd, primair ten behoeve van de verkoop van de woning opgemaakt.

11. Ook de verwijzing van eisers naar een beslissing van de Nationale Ombudsman alsmede een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 17 februari 1994, nr. 93/0747, LJN: AW2641, waarin de waarde van een woning voor het recht van successie op de taxatiewaarde in plaats van de gerealiseerde verkoopprijs was vastgesteld, treft geen doel. Elke zaak dient immers op zijn eigen feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. Nu hier sprake is van een kort na de overlijdensdatum gerealiseerde verkoopprijs van de woning, komt aan dit feit, gelet op het vorenoverwogene onder 8 en 9, doorslaggevende betekenis toe.

12. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen ongegrond."

6.2. De beslissing van de rechtbank is juist. Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Successiewet geldt als criterium de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed. Deze waarde kan, met inachtneming van evenvermeld criterium, worden bepaald door taxatie, doch komt in het algemeen het best tot uitdrukking bij een nabij de overlijdensdatum gerealiseerde verkoopopbrengst. Een zodanige verkoopopbrengst zal daarom in de regel als uitgangspunt dienen voor de vaststelling van de waarde van een vererfde woning op de overlijdensdatum. Dit kan onder omstandigheden, zoals een onzakelijke verhouding tussen de bij de transactie betrokken partijen, uitzondering lijden, doch zodanige omstandigheden zijn door belanghebbende niet gesteld en daarvan is ook overigens niet gebleken. Derhalve kan niet worden gezegd dat de waarde van de woning bij de aanslagregeling onjuist is vastgesteld.

6.3. Indien veronderstellenderwijs zou worden uitgegaan van de juistheid van belanghebbendes stelling dat de Inspecteur in gevallen waarin zowel is getaxeerd als een verkoop is gerealiseerd, pleegt uit te gaan van het hoogste van beide bedragen - welke stelling door de Inspecteur wordt betwist -, kan zulks niet leiden tot het oordeel dat de onderhavige aanslag naar willekeur is vastgesteld. De aanslag is immers vastgesteld op het bedrag van de verkoopopbrengst, waarvan zojuist is overwogen dat de waarde daarin het best tot uitdrukking komt. Het in de stelling van belanghebbende besloten risico dat de waarde wordt vastgesteld op een taxatiewaarde die uitgaat boven de bij verkoop verkregen prijs heeft zich niet voorgedaan. Overigens zou in een zodanig geval wellicht kunnen worden geoordeeld dat het door de Inspecteur gevoerde beleid meebrengt dat de aanslag te hoog is vastgesteld, doch niet dat dat onjuiste beleid leidt tot een willekeurige belastingheffing.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. baron van Knobelsdorff en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 22 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.