Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9598

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
200.020.398-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wanprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer : 200.020.398/01

Kenmerk rechtbank : 787557 / CV EXPL 07-1745

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 29 juni 2010

inzake

RIJNMOND HYPOTHEEKWIJZER B.V.,

gevestigd te Schiedam,

appellante,

hierna te noemen: Hypotheekwijzer,

advocaat: mr. W.A. Koers te Leusden,

tegen

RICOH NEDERLAND B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Ricoh,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst te Schiphol.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 20 oktober 2008 is Hypotheekwijzer in hoger beroep gekomen tegen de vonnissen van 11 december 2007 en 22 juli 2008, die door de rechtbank Rotterdam, sector kanton locatie Schiedam, tussen partijen zijn gewezen. Op 10 maart 2009 heeft Hypotheekwijzer haar memorie van grieven genomen met daarin twee grieven. Ricoh heeft op 30 juni 2009 die grieven bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens hebben beide partijen nog een akte genomen. Hierna hebben partijen onder overlegging van kopie-dossiers arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De bij vonnis van 24 juli 2007 tussen partijen in rechtsoverweging 2 vastgestelde feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

2. Kort en zakelijk weergegeven gaat dit hoger beroep over het volgende.

(2.1) Ricoh heeft op 13 januari 2006 aan Hypotheekwijzer een kopieerapparaat verhuurd voor de duur van 60 maanden (vijf jaar) met een bepaalde minimumafnameverplichting (verder: het eerste contract).

(2.2) Klachten van Hypotheekwijzer over het kopieerapparaat dan wel de dienstverlening door Ricoh zijn de eerste helft van 2006 naar tevredenheid van Hypotheekwijzer door Ricoh verholpen.

(2.3) In augustus 2006 hebben partijen een nieuwe huurovereenkomst gesloten (verder: het tweede contract), blijkens het huurcontract weer voor de duur van 60 maanden. Volgens Ricoh is deze contractsduur een vergissing en moet de duur van het eerste contract in mindering strekken op de totale contractsduur van het tweede contract.

(2.4) Hypotheekwijzer heeft de facturen voor de periode januari 2006 tot januari 2007 grotendeels onbetaald gelaten.

(2.5) Hierop heeft Ricoh de huurovereenkomst ontbonden, op 27 februari 2007 het kopieerapparaat bij Hypotheekwijzer opgehaald en op grond van artikel 10.3 van haar algemene voorwaarden aanspraak gemaakt op de niet betaalde en nog resterende huurtermijnen, waarbij Ricoh is uitgegaan van een totale contractsduur van 52 maanden te rekenen vanaf augustus 2006 (zie ook rechtsoverweging 2.3 slot van dit arrest).

(2.6) De rechtbank heeft bij eindvonnis van 22 juli 2008, na getuigenverhoor, de vordering van Ricoh van deze strekking in hoofdsom € 9.577,95 bedragend, met rente en kosten toegewezen. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat en voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

(i) Voor ontbinding van het contract moet sprake zijn van een tekortkoming van Hypotheekwijzer in de nakoming van een van haar verbintenissen.

(ii) Deze tekortkoming bestaat uit het niet betalen van facturen in de periode januari 2006 tot januari 2007.

(iii) Hypotheekwijzer is niet geslaagd in haar bewijs van feiten en omstandigheden dat Ricoh (in de persoon van de heer Haasdijk) heeft toegezegd dan wel heeft afgesproken met Hypotheekwijzer (in de persoon van de heer van Dop) dat de facturen die betrekking hebben op de periode januari tot augustus 2006 niet betaald hoefden te worden.

(iv) De (in rechtsoverweging 2.6.ii van dit arrest) bedoelde betalingsachterstand levert een voldoende ernstige tekortkoming op die ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt, temeer nu Hypotheekwijzer geen redenen aanvoert waarom zij ná augustus 2006 niet zou hoeven te betalen.

(v) Hypotheekwijzer heeft niet weersproken dat de huurvoorwaarden waar Ricoh zich op beroept, van toepassing zijn en dat op grond van die voorwaarden de resterende huurtermijnen in een geval als dit in rekening kunnen worden gebracht. Ook de gevorderde rente is als niet weersproken toewijsbaar.

3. Hypotheekwijzer heeft hiertegen twee grieven aangevoerd.

Grief I: Ten onrechte is de rechtbank voorbij gegaan aan de oorzaak van de ontbinding van het contract.

Grief II: Ten onrechte is de rechtbank bij de volledige toewijzing van het gevorderde voorbij gegaan aan het feit dat Hypotheekwijzer geen diensten meer mocht afnemen, terwijl zij wel voor de volle vijf jaar (tot en met 1 september 2011) aan Ricoh moet betalen.

4. Het hof stelt het volgende voorop.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de huurovereenkomst tot een einde is gekomen door ontbinding van deze overeenkomst door Ricoh. Partijen hebben dit oordeel niet, althans niet voldoende kenbaar, bestreden zodat het hof van de ontbinding door Ricoh zal uitgaan. Voor zover Ricoh met haar opmerking bij memorie van antwoord onder 5, inhoudende dat er sprake was van een eenzijdige opzegging van de huurovereenkomst door Hypotheekwijzer, hier wél een grief tegen heeft willen opwerpen, is zij hierin dusdanig onduidelijk geweest dat het hof hieraan voorbij gaat.

5. Hypotheekwijzer heeft geen grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis van 11 december 2007, zodat Hypotheekwijzer niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar hoger beroep tegen dit vonnis.

Beoordeling van de grieven tegen het eindvonnis van 22 juli 2008

6. Naar het hof de grieven en de toelichting van Hypotheekwijzer daarop begrijpt, stelt Hypotheekwijzer zich bij grief I op het standpunt dat er geen sprake was van een toerekenbare tekortkoming van Hypotheekwijzer omdat Ricoh van een te lange contractsduur uitging (60 maanden vanaf augustus 2006, in plaats van 60 maanden vanaf 13 januari 2006).

7. Dit standpunt wordt verworpen. Vast staat dat Hypotheekwijzer in ieder geval de facturen niet heeft betaald gedurende de gebruiksperiode april 2006 tot januari 2007. Hiervoor is geen rechtvaardiging aan te wijzen. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

De rechtbank heeft - in hoger beroep onweersproken - geoordeeld dat Hypotheekwijzer de termijnen tot augustus 2006 verschuldigd was en dat een andersluidende afspraak niet is komen vast te staan (zie onder meer rechtsoverweging 2.6.iii van dit arrest). Van verschuldigdheid van de facturen over de periode voorafgaande aan augustus 2006 wordt daarom ook in hoger beroep uitgegaan.

Het hof is daarnaast mét de rechtbank van oordeel dat er geen enkele goede reden is gesteld of gebleken waarom Hypotheekwijzer van augustus 2006 tot januari 2007 de haar toegezonden facturen niet zou hebben hoeven te betalen. De omstandigheid dat Ricoh aanvankelijk van een te lange contractsduur is uitgegaan, maakt dit niet anders, nu dit de verplichting van Hypotheekwijzer om de facturen over de betreffende gebruiksperiode te betalen niet aantast. Grief I wordt verworpen.

8. Grief II borduurt voort op het hiervoor onjuist bevonden uitgangspunt dat Ricoh de huurovereenkomst onterecht heeft ontbonden. In zoverre faalt deze grief.

Hypotheekwijzer heeft het oordeel van de rechtbank, zoals zakelijk weergegeven in rechtsoverweging 2.6.v van dit arrest, niet weersproken, zodat in rechte vast staat dat Ricoh in dit geval contractueel aanspraak heeft op de resterende huurtermijnen (tot einde contractsduur). Anders dan Hypotheekwijzer aanvoert, levert dit geen onverschuldigde betaling op - de grondslag hiervan is immers het contract en de daarbij behorende, toepasselijke, huurvoorwaarden. Voor schadevergoeding is evenmin ruimte, nu er geen sprake is van aansprakelijkheid van Ricoh. Daarenboven biedt de wet (artikel 353, eerste lid, slot Rv) geen mogelijkheid om voor het eerst in hoger beroep een reconventionele vordering (in dit geval tot schadevergoeding) in te stellen, hetgeen Hypotheekwijzer blijkens haar eis bij memorie van grieven kennelijk beoogt.

Hypotheekwijzer heeft nog aangevoerd dat Ricoh ten onrechte de termijnen tot september 2011 (60 maanden na augustus 2006) in rekening heeft gebracht. Dit betoog gaat niet op, nu Ricoh haar vordering in eerste aanleg met acht maanden heeft teruggebracht (zie antwoordconclusie na enquête tevens akte vermindering van eis, onder 3). De tweede grief faalt eveneens.

Slotsom

9. Nu de grieven falen dient het bestreden vonnis bekrachtigd te worden. Dit betekent dat er evenmin grond is voor veroordeling van Ricoh om aan Hypotheekwijzer terug te betalen hetgeen Hypotheekwijzer ter uitvoering van de bestreden vonnissen heeft betaald.

Als de in het ongelijk gestelde partij dient Hypotheekwijzer de kosten van het hoger beroep te dragen.

Beslissing

Het hof:

- verklaart Hypotheekwijzer niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het

tussenvonnis van 11 december 2007;

- bekrachtigt het bestreden eindvonnis van 22 juli 2008;

- veroordeelt Hypotheekwijzer in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Ricoh bepaald op € 254,-- aan griffierecht en op € 894,-- aan advocatensalaris;

- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, R.F. Groos en S.J. Schaafsma en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2010 in aanwezigheid van de griffier.