Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9585

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
BK-09-00838
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1405, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ2830, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijtelling wegens privé-gebruik auto van de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/53.1.4
FutD 2010-1653
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00838

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 22 juni 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage van 16 oktober 2009, nr. AWB 08/9278 IB/PVV, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/ Zuidwest, heeft aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.191.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 11 mei 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was in het jaar 2005 als directeur-grootaandeelhouder in dienstbetrekking werkzaam bij [A] BV, gevestigd te [Z]. Tevens was belanghebbende in dat jaar in dienstbetrekking werkzaam bij [B] BV, gevestigd te [P].

3.2. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst gesloten tussen belanghebbende (in de overeenkomst aangeduid als partij 1), [A] BV (in de overeenkomst aangeduid als partij 2) en [B] BV (in de overeenkomst aangeduid als partij 3), van oktober 2004, ondertekend door belanghebbende voor hemzelf en namens [A] BV en door [C] en [D] namens [B] BV (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"in aanmerking nemende dat:

- partij 1 directeur en aandeelhouder van partij 2 is en sinds en naar aanleiding van de verkoop van een deelneming door partij 2 tevens in civielrechtelijke dienstbetrekking is bij partij 3;

- het wenselijk is dat het loon dat partij 1 van partij 3 ontvangt voor de loonheffing door toepassing van artikel 87 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geacht wordt onderdeel te zijn van het loon dat partij 1 van partij 2 geniet;

- partijen een nieuwe afspraak over de loonbetaling vanaf 1 november 2004 wensen vast te leggen,

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1. Vanaf 1 november 2004 is partij 1 uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij partij 2 tevens werkzaam als werknemer van partij 3. Vanaf 1 november 2004 is partij 3 daarom verplicht het loon en de bijbehorende vergoedingen af te staan aan partij 2. Partij 3 betaalt het loon en de bijbehorende vergoedingen vanaf 1 november 2004 dus rechtstreeks aan partij 2 en verstrekt aan partij 1 geen vrije verstrekkingen die niet vooraf aan partij 2 zijn medegedeeld.

2. Partij 1 blijft ook vanaf 1 november 2004 civielrechtelijk in dienstbetrekking van partij 3. Ook vanaf 1 november 2004 blijven voor partij 3 derhalve de diverse wettelijke werkgeversverplichtingen gelden, waaronder inhoudingsplicht voor de werknemersverzekeringen. Uitsluitend voor de inhouding van loonheffing geldt dus dat die plicht vanaf 1 november 2004 niet meer geldt voor partij 3, maar voor partij 2, omdat partij 2 dan geacht wordt als onderdeel van het door hem verschuldigde loon ter beschikking te stellen het loon dat partij 1 geniet als werknemer van partij 3. Het door partij 2 aan partij 1 te betalen loon zal vastgesteld worden op basis van het van partij 3 te ontvangen loon, doch rekening houdend met de overige (loon)kosten van partij 2 in verband met secundaire arbeidsvoorwaarden ten behoeve van partij 1.

3. De voorgaande artikelen zullen pas in werking treden zodra de belastinginspecteur onder wie partij 3 ressorteert bij voor bezwaar vastbare beschikking op verzoek van partijen in de zin van artikel 87, derde lid van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 heeft vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden die genoemd worden in het eerste lid van dat artikel.

4. (...)"

3.3. Het door de gemachtigde van belanghebbende namens [A] BV gedane verzoek als bedoeld in artikel 87, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: UR LB 2001) is door de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rijnmond afgewezen. Tegen deze beschikking is geen bezwaar gemaakt.

3.4. Het uit hoofde van de dienstbetrekking met [B] BV genoten loon is in 2005 door [B] BV aan belanghebbende uitbetaald.

3.5. [A] BV heeft op 18 maart 2005 aan belanghebbende een auto, te weten een Porsche Cayenne Turbo met kenteken [XX-XX-XX] (hierna: de auto) ter beschikking gesteld. De cataloguswaarde van de auto bedraagt € 165.350. Voorts beschikt belanghebbende in privé over een Porsche 911 turbo cabriolet.

3.6. Belanghebbende heeft de auto in 2005 behalve voor ritten ten behoeve van [A] BV, ook voor ritten ten behoeve van [E] BV en [F] BV gebruikt. [E] BV is gelieerd aan [A] BV en [F] BV is gelieerd aan [B] BV.

3.7. De autoritten voor [F] BV heeft belanghebbende gemaakt voor zijn werkzaamheden ten behoeve van zijn dienstbetrekking bij [B] BV. In totaal bedroegen deze autoritten meer dan 500 kilometer per jaar. Ter zake van deze ritten werden door [A] BV aan [B] BV kosten in rekening gebracht. De doorberekende autokosten bedroegen € 0,34, exclusief omzetbelasting, per kilometer.

3.8. Verweerder heeft bij het vaststellen van de onderhavige aanslag, in afwijking van de aangifte, een bijtelling wegens privé-gebruik van de ter beschikking gestelde auto in aanmerking genomen van 22% van € 165.350, derhalve € 36.377. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag gehandhaafd.

3.9. De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4. In geschil is of terecht een bijtelling wegens privé-gebruik van de aan belanghebbende ter beschikking gestelde auto in aanmerking is genomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de autoritten die belanghebbende ten behoeve van zijn werkgever [B] BV heeft gemaakt, moeten worden aangemerkt als gebruik van de auto voor privé-doeleinden. De Inspecteur beantwoordt voormelde vragen bevestigend en belanghebbende ontkennend.

De hoogte van de bijtelling is niet in geschil.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.814.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

6.1. Ingevolge artikel 3.145, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt een door de werkgever ter beschikking gestelde auto geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. De bewijslast van voormelde uitzondering rust op belanghebbende.

6.2. In zijn arrest van 20 september 2000, nr. 34 720, LJN AA7152, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, indien een werknemer de door zijn werkgever ter beschikking gestelde auto mede gebruikt ten behoeve van werkzaamheden voor een andere door hem uitgeoefende dienstbetrekking, dat laatstbedoelde gebruik als privé-gebruik moet worden aangemerkt, tenzij de auto mede namens de andere werkgever ter beschikking is gesteld, of de andere dienstbetrekking wordt uitgeoefend binnen het kader van de eerste dienstbetrekking.

6.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van het mede ter beschikking stellen van de auto aan de werknemer door de andere werkgever, zoals bedoeld in voormeld arrest van de Hoge Raad, sprake is indien die werkgever de kosten van het gebruik van de auto ten behoeve van de voor hem verrichte werkzaamheden volledig voor zijn rekening neemt. Niet in geschil is dat de door [A] BV aan [B] BV ter zake van de door belanghebbende ten behoeve van laatstgenoemde vennootschap met de auto gereden kilometers in rekening gebrachte autokosten van € 0,34, exclusief omzetbelasting, per kilometer niet de volledige kosten van die auto betreffen. Dit brengt mee dat niet gezegd kan worden dat de door [A] BV aan belanghebbende ter beschikking gestelde auto mede namens [B] BV ter beschikking is gesteld. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende stelt, de omvang van de door [A] BV aan [B] BV doorberekende autokosten redelijk is, maakt, wat ook van die stelling zij, voormeld oordeel niet anders.

6.4.1. Belanghebbende betoogt voorts dat uit de overeenkomst volgt dat hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking voor [A] BV tevens werkzaam is als werknemer van [B] BV. Het Hof begrijpt dit betoog aldus dat belanghebbende zich beroept op toepassing van de tweede uitzondering van het in 6.2. vermelde arrest van de Hoge Raad, met de stelling dat het gebruik van de auto ten behoeve van werkzaamheden voor de door hem uitgeoefende dienstbetrekking bij [B] BV, niet als privé-gebruik moet worden aangemerkt, omdat die dienstbetrekking wordt uitgeoefend binnen het kader van zijn dienstbetrekking bij [A] BV.

6.4.2. Belanghebbende beroept zich daartoe in de eerste plaats op de overeenkomst, waaruit, naar belanghebbende stelt, volgt dat hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij [A] BV tevens werkzaam is voor [B] BV. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet, nu zulks naar 's Hofs oordeel niet uit de overeenkomst is op te maken. De overeenkomst ziet enkel op de verplichting van [A] BV tot loondoorbetaling aan belanghebbende van het loon dat hij geniet uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij [B] BV. Overigens is aan het in werking treden van die overeenkomst in onderdeel 3 de voorwaarde gesteld dat de Inspecteur een beschikking ex artikel 87, derde lid, van de UR LB 2001 heeft afgegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige jaar niet aan de vervulling van die voorwaarde is voldaan, zodat geconcludeerd moet worden dat die overeenkomst voor het onderhavige jaar geen werking had.

6.4.3. Belanghebbende voert dienaangaande voorts aan dat de werkzaamheden voor [B] BV voortvloeien uit de overname in 2001 door de [B]-groep van een deelneming van [A] BV, in welk kader hij werkzaamheden voor die overgenomen deelneming en andere groepsmaatschappijen van de [B]-groep is blijven verrichten.

Het Hof verwerpt dit betoog omdat belanghebbende, tegenover de weerspreking door de Inspecteur, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in het kader van de verkoop van haar deelneming door [A] BV ter beschikking is gesteld aan [B] BV dan wel dat door deze vennootschappen bij die verkoop dienaangaande afspraken zijn gemaakt.

6.4.4. De stelling van belanghebbende dat, nu vrijwel de gehele huuropbrengst van de [A]-groep bestaat uit de verhuur van bedrijfspanden aan [B] BV, voortzetting van de werkzaamheden door belanghebbende voor [B] BV voor de [A]-groep aangewezen is met het oog op continuering van de huuropbrengsten, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Immers, deze enkele stelling kan niet tot de gevolgtrekking leiden dat de dienstbetrekking van belanghebbende bij [B] BV wordt uitgeoefend binnen het kader van zijn dienstbetrekking bij [A] BV.

6.5. Belanghebbende stelt voorts dat de met de auto ten behoeve van [B] BV gemaakte ritten als zakelijk moeten worden beschouwd omdat de door [A] BV aan [B] BV voor die ritten gefactureerde kilometerprijs voor [A] BV omzet vormt. Naar het Hof begrijpt doelt belanghebbende hierbij op een door [A] BV uitgeoefende separate ondernemingsactiviteit bestaande uit de verhuur van auto's.

Ook deze stelling kan niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep leiden. Indien al aannemelijk is dat [A] BV in het kader van haar onderneming auto's verhuurt, moet geconcludeerd worden dat het met de verhuur van de auto door [A] BV aan [B] BV behaalde voordeel door haar niet is beoogd, maar bijkomstig van aard is.

6.6. Belanghebbende beroept zich tot slot op schending van het vertrouwensbeginsel. Voor zover dit beroep steunt op de stelling dat door de Belastingdienst/Haaglanden te Gouda de toezegging is gedaan dat een beschikking in de zin van artikel 87 UR LB 2001 zou worden afgegeven, slaagt het niet omdat deze stelling, tegenover de weerspreking door de Inspecteur, op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt is.

Voor zover dit beroep steunt op de stelling dat het uitstel van de inwerkingtreding van die overeenkomst tot 1 januari 2008 is veroorzaakt doordat de Inspecteur ten onrechte in 2004 de beschikking heeft geweigerd, kan het evenmin tot gegrondverklaring van het hoger beroep leiden. Dit besluit tot weigering van de gevraagde beschikking is immers onherroepelijk komen vast te staan, hetgeen meebrengt dat niet kan worden gesproken van een ten onrechte geweigerde beschikking.

6.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, J.J.J. Engel en H.A.J. Kroon, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 22 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.