Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9431

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
28-06-2010
Zaaknummer
200.014.007-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BF2259, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

'rechtsgeldig ontslag op staande voet niet tevens kennelijk onredelijk; geen ruimte voor schadevergoeding'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0548
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.014.007/01

Rolnummer rechtbank : 722162 \ CV EXPL 08-113

arrest van de negende civiele kamer d.d. 4 mei 2010

inzake

[de werkgever] B.V.,

gevestigd te Rijnsburg,

appellante in het principaal appel,

eiseres in het incident,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [de werkgever],

advocaat: mr. F.G.N. Vergeer te Alphen aan den Rijn,

tegen

[de werknemer],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

verweerder in het incident,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [de werknemer],

advocaat: mr. L. Rijsdam te Katwijk (ZH).

Het geding

Bij exploot van 26 augustus 2008 is [de werkgever] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden (hierna: de kantonrechter) van 28 mei 2008. Vervolgens heeft zij op 12 september 2008 een herstelexploot doen uitbrengen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [de werkgever] één grief tegen het vonnis aangevoerd en een incidentele vordering ingediend tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Bij memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke grief in het incidenteel appel heeft [de werknemer] deze grief bestreden en zijnerzijds één voorwaardelijke grief tegen het vonnis aangevoerd. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties) heeft [de werkgever] deze voorwaardelijke grief bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

in het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel:

1. De kantonrechter heeft in zijn vonnis onder het kopje ‘Feiten’ een aantal feiten vastgesteld. Nu hiertegen niet is opgekomen, zijn die feiten ook in hoger beroep uitgangspunt, voor zover hierna niet anders wordt vermeld.

2. Het gaat in dit geding om het volgende.

2.1 [de werknemer] is op 24 oktober 1994 in dienst getreden van [de werkgever] als productiemedewerker. Laatstelijk was hij werkzaam als operator (leidinggevende van een productieploeg) tegen een basissalaris van € 2.020,64 bruto per maand, vermeerderd met € 444,54 ploegentoeslag, € 530,08 persoonlijke toeslag en 8% vakantietoeslag.

2.2 De laatste 9 jaren zijn er geen aanmerkingen geweest op [de werknemer].

2.3 [de werknemer] en zijn echtgenote hebben twee thuiswonende, jongvolwassen kinderen met de aangeboren progressieve spierziekte SMA. De kinderen zijn volledig verlamd en worden sinds hun geboorte verzorgd door [de werknemer] en zijn echtgenote.

2.4 In 2003 heeft [de werknemer] 1 ½ maand zorgverlof opgenomen ten behoeve van de verzorging van zijn kinderen. [de werkgever] heeft het salaris over deze gehele verlofperiode volledig gesuppleerd, hoewel de van toepassing zijnde CAO daartoe niet verplichtte. Voorts hield [de werkgever] bij de indeling van de werkroosters rekening met de tijdstippen waarop [de werknemer] thuis niet gemist kon worden.

2.5 In juni 2007 onderging de echtgenote van [de werknemer] een (niet-urgente c.q. cosmetische) borstoperatie. [de werknemer] was ten tijde van deze operatie arbeidsongeschikt thuis wegens een nekhernia. Hij zou op 25 juni 2007 weer op arbeidstherapeutische basis beginnen met zijn toezichthoudende, fysiek niet belastende, werkzaamheden.

2.6 Als gevolg van de operatie van zijn echtgenote kwam de zorg voor de kinderen volledig voor rekening van [de werknemer]. Om deze reden heeft hij zorgverlof gevraagd. Tijdens een gesprek op 21 juni 2007 over de werkhervatting van [de werknemer] per 25 juni 2007, is door de heer [de personeelsfunctionaris] (hierna: [de personeelsfunctionaris]), de personeelsfunctionaris van [de werkgever], aan [de werknemer] meegedeeld dat het verzoek om zorgverlof – na consultatie van de bedrijfsarts – niet kon worden ingewilligd, omdat de zorg voor zijn kinderen meebracht dat hij zwaar zou moeten tillen hetgeen zijn arbeidsgeschiktheid zou kunnen schaden. [de personeelsfunctionaris] heeft daarbij de optie geopperd dat de kinderen tijdelijk zouden kunnen worden opgevangen in een gespecialiseerde inrichting, bijvoorbeeld het Zeehospitium in Katwijk. Bij [de werknemer] is deze suggestie volledig verkeerd gevallen. Hij heeft in reactie daarop uitgeroepen dat hij zijn kinderen niet in een asiel laat stoppen.

2.7 Op 25 juni 2007 is [de werknemer] op arbeidstherapeutische basis gaan werken. In de loop van de ochtend heeft hij zich naar de afdeling P&O begeven en inzage in zijn personeelsdossier geëist. Het dossier is hem niet onmiddellijk overhandigd, omdat het – naar [de werkgever] heeft gesteld – vertrouwelijke gegevens van derden bevatte en eerst geschoond moest worden.

2.8 [de werknemer] is vervolgens in woede ontstoken en heeft in aanwezigheid van diverse collega’s onder meer gedreigd om [de personeelsfunctionaris] ‘een dwarslaesie te schoppen’ of samen‘met motorvrienden kapot te maken’ of woorden van die strekking. Daarbij stond [de werknemer] in een dreigende houding zeer dichtbij [de personeelsfunctionaris].

2.9 [de werknemer] is hierna naar huis gestuurd. In de loop van dezelfde middag heeft de advocaat van [de werkgever] [de werknemer] telefonisch bericht dat hij op staande voet werd ontslagen vanwege zijn bedreigende gedrag jegens [de personeelsfunctionaris]. De advocaat heeft het ontslag diezelfde dag schriftelijk aan [de werknemer] bevestigd. Hij heeft daarbij aangegeven dat [de werkgever] als gefixeerde schadevergoeding één bruto maandsalaris met de eindafrekening zou verrekenen.

2.10 Na het telefoongesprek met de advocaat is [de werknemer] naar het bedrijf van [de werkgever] gegaan, waar hij woedend heeft gezwaaid en gedreigd met een honkbalknuppel. De politie heeft hem met vijf man overmeesterd en afgevoerd. [de personeelsfunctionaris] heeft op 26 juni 2007 aangifte gedaan van bedreiging. Bij vonnis van 18 september 2007 is [de werknemer] door de politierechter veroordeeld wegens bedreiging met zware mishandeling en wederspannigheid.

2.11 [de werknemer] is 12 juli 2007 in dienst getreden bij Mankracht Katwijk B.V. tegen een salaris van € 1.900,- bruto per maand, zonder toeslagen zoals bij [de werkgever].

2.12 [de werknemer] heeft [de werkgever] op 21 december 2007 gedagvaard. Hij vorderde – kort samengevat – een verklaring voor recht dat het ontslag onregelmatig en/of kennelijk onredelijk is, alsmede veroordeling van [de werkgever] tot betaling van € 12.939,52 als gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag en/of een bedrag van € 77.637,14 als schadevergoeding naar billijkheid wegens kennelijk onredelijk ontslag dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, met rente en kosten.

2.13 De kantonrechter heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen en [de werkgever] veroordeeld om aan [de werknemer] een bedrag van € 9.000,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2007 te betalen, maar met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Hij heeft in dit kader overwogen:

‘Hoewel dit laatste [de werkgever] een wettelijk gefixeerde en ineens opeisbare schadevergoedingsvordering op [de werknemer] gaf, heeft [de werkgever] een grens van moraal en fatsoen overschreden door van deze wettelijke bevoegdheid terstond gebruik te maken door op 25 juni 2007 een maandloon als schadevergoeding van de eindafrekening af te trekken, waardoor [de werknemer] over juni 2007 feitelijk geen loon ontving. Hiermee maakte zij het reeds zwaar getroffen gezin, waarvan zij de problematiek kende zonder noodzaak op slag brodeloos op een moment dat er geen praktische mogelijkheid meer bestond om daarvoor een (tijdelijke) oplossing te vinden, zoals misschien nog wel het geval zou zijn geweest indien het ontslag kort na een periodieke loonbetaling was gevallen en [de werknemer] daardoor (in theorie) de mogelijkheid had gehad om binnen enkele dagen elders te gaan werken.

(…)

In de zeer uitzonderlijke omstandigheden van het onderhavige geval moet daarom worden geoordeeld dat het ontslag zonder opzegtermijn weliswaar terecht is gegeven, maar (alleen) in zijn directe financiële gevolgen toch kennelijk onredelijk was tegenover [de werknemer]. De kantonrechter stelt de schadevergoeding wegens deze kennelijke onredelijkheid - die geen enkel verband houdt met de kantonrechtersformule waarbij [de werknemer] heeft aangeknoopt - naar maatstaven van billijkheid op het drievoudige van het maandloon, afgerond € 9.000,- bruto.’

3. In het principaal appel vordert [de werkgever] vernietiging van het bestreden vonnis, en alsnog niet-ontvankelijkverklaring van [de werknemer] althans ontzegging van zijn vordering alsmede veroordeling van [de werknemer] tot terugbetaling van al hetgeen [de werkgever] ter uitvoering van het vonnis aan [de werknemer] heeft voldaan en in de kosten van het geding in beide instanties. Bij memorie van grieven heeft [de werkgever] onder meer onweersproken gesteld dat zij met inhouding van één bruto maandsalaris op de eindafrekening heeft gedreigd, maar dat dit niet meer uitvoerbaar bleek omdat op 22 juni 2007 het salaris aan [de werknemer] was voldaan. Daarenboven heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat een rechtsgeldig ontslag op staande voet niet tevens als kennelijk onredelijk aangemerkt kan worden.

In het voorwaardelijk incidenteel appel vordert [de werknemer] bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter, zonodig onder verbetering en aanvulling van de gronden met veroordeling van [de werkgever] in de kosten van het geding in beide instanties.

4.1 Het voorwaardelijk incidenteel appel is naar het oordeel van het hof onnodig ingesteld, omdat [de werknemer] geen wijziging vraagt van het dictum van het bestreden vonnis, afgezien van de gevorderde kostenveroordeling ook in eerste instantie. Dit betekent dat het hof ten aanzien van de proceskosten in het voorwaardelijk incidenteel appel geen beslissing zal nemen. In het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel ligt primair de vraag voor of het gedrag van [de werknemer] een dringende reden opleverde die een ontslag op staande voet rechtvaardigde. Het hof overweegt in dit verband als volgt.

4.2 Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden als vereist voor een ontslag op staande voet dienen de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zullen hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst toch gerechtvaardigd is.

4.3 Het hof acht de bedreiging door [de werknemer] van een medewerker van zijn werkgever - zoals hierboven beschreven - volstrekt ontoelaatbaar. De aard en de ernst van het gedrag van [de werknemer] leveren een dringende reden voor ontslag op. De afweging van de duur van het dienstverband (13 jaar), de leeftijd van [de werknemer] ten tijde van het ontslag (46 jaar), de omstandigheid dat [de werknemer] geen kritiek heeft gekregen op zijn werkzaamheden, het feit dat zich nimmer een vergelijkbaar ernstig incident heeft voorgedaan, de bijzonder moeilijke privé-situatie met twee zwaar gehandicapte jongvolwassen kinderen en de teruggang in inkomen tegen de aard en de ernst van de dringende reden leidt naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval tot de slotsom dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was.

5.1 [de werkgever] heeft in haar grief betoogd dat de kantonrechter ten onrechte het rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet niettemin als kennelijk onredelijk heeft aangemerkt wegens de directe financiële gevolgen voor [de werknemer] en hem een schadevergoeding heeft toegekend.

5.2 Bij de beoordeling van deze grief neemt het hof in overweging dat volgens vaste rechtspraak de vraag of de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging, behoort te worden beantwoord in het kader van de vraag of sprake is van een dringende reden. Is deze laatste vraag bevestigend beantwoord, dan is er geen plaats meer voor het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Dit betekent dat, nu de kantonrechter - naar het oordeel van het hof op juiste gronden - heeft geoordeeld dat het ontslag van [de werknemer] zonder opzegtermijn terecht is gegeven, dit ontslag niet tevens als kennelijk onredelijk kon worden aangemerkt. De grief van [de werkgever] tegen het bestreden vonnis slaagt derhalve.

6. De in het voorwaardelijk incidenteel appel door [de werknemer] tegen het bestreden vonnis aangevoerd voorwaardelijk verweer houdt in dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Gelet op het voorgaande gaat dit als grief geformuleerde verweer niet op.

7. De slotsom is dat de kantonrechter ten onrechte een bedrag van € 9.000,- ter zake van een kennelijk onredelijk ontslagvergoeding aan [de werknemer] heeft toegewezen, zodat deze veroordeling niet in stand kan blijven. Het hof zal uit praktische overwegingen het gehele vonnis vernietigen. De beslissing ter zake van de kostenveroordeling van [de werknemer] en de afwijzing van het meer en anders gevorderde is juist en zal in het nieuw te formuleren dictum worden opgenomen. Voor het geval dat [de werkgever] inmiddels geheel of gedeeltelijk aan het vonnis uitvoering heeft gegeven, zal [de werknemer], zoals door [de werkgever] in haar memorie van grieven onder III gevorderd, worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [de werkgever] in dit verband aan hem heeft voldaan, tot een maximum van € 9.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2007 tot de dag van betaling.

8. [de werknemer] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in het principaal appel worden veroordeeld.

In het incident:

9.1 Het hof heeft vastgesteld dat [de werkgever] bij memorie van grieven een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis heeft ingediend. Dit incident is vermoedelijk aan de aandacht van de rolraadsheer ontsnapt, omdat [de werkgever] – anders dan te doen gebruikelijk – in de kop van de memorie van grieven niet heeft vermeld dat daarbij tevens een incidentele vordering werd ingediend. Ook [de werknemer] is dit blijkens zijn memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke grief in het incidenteel appel vermoedelijk ontgaan, nu hij hierop niet heeft gereageerd. Het hof zal derhalve bij dit eindarrest ook een beslissing nemen met betrekking tot de incidentele vordering.

9.2 Nu het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vordering van [de werknemer] ter zake van kennelijk onredelijk ontslag alsnog zal afwijzen, komt het belang aan de incidentele vordering te ontvallen. [de werkgever] zal mitsdien niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering.

9.3 Het hof acht termen aanwezig om de kosten van het geding in het incident te compenseren.

Beslissing

in het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden, van 28 mei 2008;

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering van [de werknemer] af;

- veroordeelt [de werknemer] - indien en voor zover [de werkgever] enige betaling uit hoofde van het vonnis van 28 mei 2008 heeft verricht - tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [de werkgever] terug te betalen al hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [de werknemer] heeft voldaan (tot een maximum van € 9.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2007 tot de dag van betaling), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

- veroordeelt [de werknemer] in de proceskosten in eerste aanleg, tot 28 mei 2008 aan de zijde van [de werkgever] begroot op € 800,- voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over de kosten verschuldigde BTW;

- veroordeelt [de werknemer] in de kosten van het geding in het principaal appel, aan de zijde van [de werkgever] tot op heden begroot op € 1.234,92 waarvan € 86,92 aan explootkosten, € 254,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

in het incident

- verklaart [de werkgever] niet-ontvankelijk in haar vordering in het incident;

- compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af de gevorderde kostenveroordeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Beyer-Lazonder, V. Disselkoen en S.W. Kuip en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2010 in aanwezigheid van de griffier.