Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8433

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
22-004588-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer:

- camerabeelden van een aantal casino-bedrijven dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake is van vormverzuimen. Aangevoerd is dat de camerabeelden slechts konden worden gevorderd na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging.

Verweer verworpen.

De verdachte heeft zich bij een drietal gelegenheden schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstal van (aanmerkelijke) geldbedragen door met behulp van gestolen bankpassen met bijbehorende (geheime) pincodes, die onder meer waren afgekeken toen de rechthebbenden deze intoetsten, geld van bankrekeningen weg te nemen. Voorts heeft de verdachte zich driemaal schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) opzetheling en aan diefstal van een portemonnee.

Alles overwegende veroordeelt het hof de verdachte tot 21 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004588-09

Parketnummer: 10-650035-09

Datum uitspraak: 6 mei 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

verdachte,

geboren te [plaats] (Roemenië) op [dag] 1982,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, De Schie, R'dam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

22 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

(zaak [A.])

hij in of omstreeks de periode van 24 januari 2009 tot en met 26 januari 2009 te Rotterdam en/of Alphen aan de Rijn en/of Merksem (België), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (in totaal 9812,30 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door het gebruik van een valse sleutel, te weten door (meermalen) te pinnen met een bankpas, tot het gebruik waarvan hij/zij niet gerechtigd was/waren, met bijbehorende pincode;

2.

(zaak [B.])

hij op of omstreeks 6 maart 2009 te Ridderkerk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, (onder meer) inhoudende geld en/of een rijbewijs en/of een identiteitsbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2], in elk geval een een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair

(zaak [B.])

hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2009 tot en met 12 maart 2009 te Ridderkerk en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een rijbewijs (ten name van [aangever 2]) heeft verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat rijbewijs wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

(zaak [C.])

hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2009 tot en met 17 februari 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een chippas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3-4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair

(zaak [C.])

hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2009 tot en met 12 maart 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een chippas (ten name van [aangever 3-4]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die chippas wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

(zaak [C.])

hij in of omstreeks 17 februari 2009 tot en met 25 februari 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (in totaal 4361 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3-4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door het gebruik van een valse sleutel, te weten door (meermalen) te pinnen met een chippas, tot het gebruik waarvan hij/zij niet gerechtigd was/waren, met bijbehorende pincode;

5.

(zaak [D.])

hij op of omstreeks 14 februari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5-6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

(zaak [D.])

hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2009 tot en met 16 februari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (in totaal 924,50 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5-6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door het gebruik van een valse sleutel, te weten door (meermalen) te pinnen met een bankpas, tot het gebruik waarvan hij/zij niet gerechtigd was/waren, met bijbehorende pincode;

7.

(zaak [E.])

hij in of omstreeks de periode van 19 januari 2009 tot en met 20 januari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en/of een identiteitskaart en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair

hij op of omstreeks 12 maart 2009 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een bankpas (ten name van [aangever 7]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

8.

(zaak [F.])

hij op of omstreeks 10 maart 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, (onder meer) inhoudende een bankpas en/of geld en/of een identiteitskaart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair

hij op of omstreeks 12 maart 2009 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een bankpas ( ten name van [aangever 8]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het 3 primair, 5, 7 primair en 8 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4, 6, 7 subsidiair en 8 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en het inbeslaggenomen geldbedrag, als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg onder 5 gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie

Het openbaar ministerie zal niet-ontvankelijk worden verklaard met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit voor zover dat feit zou hebben plaatsgehad in de plaats Merksem te België wegens het ontbreken van rechtsmacht, aangezien de verdachte niet de Nederlandse nationaliteit heeft en voorts geen vaste woon-of verblijfplaats in Nederland heeft.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair, 7 primair en 8 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Camerabeelden

De raadsvrouw van de verdachte heeft gesteld dat de camerabeelden van Jacks Casino, Casino Highlight, GWK, Casino Arcades Schorpioenstraat en Roman Palace dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake is van vormverzuimen. Zij voert daartoe aan dat de camerabeelden slechts konden worden gevorderd na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, een en ander zoals verwoord in de pleitnotities.

Het hof overweegt als volgt.

Hoewel naar het oordeel van het hof met een verzoek tot afgifte van de desbetreffende camerabeelden had kunnen worden volstaan, heeft de officier van justitie steeds afgifte van de beelden gevorderd om informatie te verkrijgen over een transactie die is gepleegd met een bankpas ten aanzien waarvan eerder aangifte van diefstal was gedaan. Het is hierbij niet op voorhand de bedoeling geweest om gegevens te vorderen om daaraan gevoelige informatie te ontlenen. De beelden zijn niet door de personen die daarop staan afgebeeld afgegeven, en zijn niet gekoppeld aan (door dezen in vertrouwen aan een instantie afgegeven) personalia. Het gaat bij dit type cameratoezicht enkel om de vastlegging van het beeld van degene die komt pinnen. Beoogd wordt hiermee de opsporing mogelijk te maken van diegenen die op onrechtmatige wijze gebruik maken van pinpassen. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij pinautomaten camerabeelden worden opgenomen, juist ter bescherming van de belangen van degenen die van de mogelijkheid om te pinnen op rechtmatige wijze gebruik willen maken. Voor beelden, opgenomen in winkels en casino's ter bestrijding en voorkoming van winkeldiefstallen en andere criminaliteit, geldt mutatis mutandis hetzelfde. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat de afgifte van de beelden in de onderhavige zaak inbreuk maakt op een rechtens te beschermen belang.

Het hof verwerpt het verweer.

Pasfoto's

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de fotografische opnamen, op 3 februari 2009 gemaakt van de pasfoto's op de legitimatiebewijzen van de verdachte en medeverdachte [X.}, niet hadden mogen worden gemaakt en/of bewaard. De uit dit onrechtmatig handelen voortvloeiende herkenningen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, een en ander zoals verwoord in de pleitnotities. Het hof overweegt hieromtrent dat [verdachte] ten tijde van het staande houden reeds als verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering in het onderzoek [naam onderzoek] werd aangemerkt en dat de herkenning niet slechts heeft plaatsgevonden op basis van de gewraakte pasfoto. Het hof verwerpt het verweer.

Medeplegen

De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts, overeenkomstig de pleitnotities, bepleit dat ten aanzien van de feiten 1, 2 en 6 van medeplegen geen sprake is.

De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de bankpassen die hij van medeverdachte [X.] had gekregen, gestolen waren en dat hij de namen op de bankpassen dan ook niet controleerde. Het hof acht deze verklaring onaannemelijk nu hij bij de politie heeft verklaard dat hij wist dat de medeverdachte [X.] met grote regelmaat portemonnees stal en met de gestolen pinpas ging pinnen. Aan de hand van deze verklaring afgelegd bij de politie komt het hof tot het oordeel dat de verdachte wist dat de bankpassen van diefstal afkomstig waren. Hij heeft niet gecontroleerd van wie de passen waren en heeft ze gebruikt dan wel bewaard en heeft zich desondanks op geen enkele wijze gedistantieerd van het wederrechtelijk pinnen met de gestolen bankpassen. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij niet wist hoe hij moest pinnen acht het hof evenzeer ongeloofwaardig, te meer nu hij dit pas in hoger beroep heeft gesteld. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4, 6, 7 subsidiair en 8 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

(zaak [A.])

hij in de periode van 24 januari 2009 tot en met 26 januari 2009 te Rotterdam en Alphen aan de Rijn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld toebehorende aan [aangever 1], zulks nadat hij, verdachte, en zijn mededader, dat weg te nemen geld onder hun bereik hadden gebracht door het gebruik van een valse sleutel, te weten door meermalen te pinnen met een bankpas, tot het gebruik waarvan zij niet gerechtigd waren, met bijbehorende pincode;

2.

(zaak [B.])

primair

hij op 6 maart 2009 te Ridderkerk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, (onder meer) inhoudende geld en een rijbewijs en een identiteitsbewijs, toebehorende aan [aangever 2];

3.

(zaak [C.])

subsidiair

hij in de periode van 14 februari 2009 tot en met 12 maart 2009 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een chippas (ten name van [aangever 3-4]) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die chippas wisten, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

(zaak [C.])

hij in de periode van 17 februari 2009 tot en met 25 februari 2009 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (in totaal 4361 euro toebehorende aan [aangever 3-4], zulks nadat hij, verdachte, en zijn mededader, dat weg te nemen geld onder hun bereik hadden gebracht door het gebruik van een valse sleutel, te weten door meermalen te pinnen met een chippas, tot het gebruik waarvan zij niet gerechtigd waren, met bijbehorende pincode;

6.

(zaak [D.])

hij in de periode van 14 februari 2009 tot en met 16 februari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (in totaal 924,50 euro ) toebehorende aan [aangever 5-6] zulks nadat hij, verdachte, en zijn mededader, dat weg te nemen geld onder hun bereik hadden gebracht door het gebruik van een valse sleutel, te weten door meermalen te pinnen met een bankpas, tot het gebruik waarvan zij niet gerechtigd waren, met bijbehorende pincode;

7.

(zaak [E.])

subsidiair

hij op 12 maart 2009 te Rotterdam een goed, te weten een bankpas (ten name van [aangever 7]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof;

8.

(zaak [F.])

subsidiair

hij op 12 maart 2009 te Rotterdam een goed, te weten een bankpas ( ten name van [aangever 8]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1, 4 en 6 bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Diefstal.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzetheling.

Ten aanzien van het 7 subsidiair en 8 subsidiair bewezenverklaarde:

Opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4, 6, 7 subsidiair en 8 subsidiair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich bij een drietal gelegenheden schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstal van (aanmerkelijke) geldbedragen door met behulp van gestolen bankpassen met bijbehorende (geheime) pincodes, die onder meer waren afgekeken toen de rechthebbenden deze intoetsten, geld van bankrekeningen weg te nemen. Voorts heeft de verdachte zich driemaal schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) opzetheling en aan diefstal van een portemonnee. Dergelijk handelen geeft blijk van een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van anderen, veroorzaakt aanzienlijke financiële schade en bezorgt anderen veel ergernis en overlast. Tegen plegers van dergelijke misdrijven dient dan ook met kracht te worden opgetreden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat als slachtoffers op leeftijd zijnde mensen werden geselecteerd, vaak slecht ter been, slechtziend of slechthorend.

Het hof acht - gezien de hoeveelheid en ernst van de feiten - daarbij in beginsel passend een hoge gevangenisstraf, zoals door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal ook gevorderd. Het hof ziet - gezien de ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden en het feit dat bij het plegen van de delicten nimmer is overgegaan tot het toepassen van (direct) fysiek geweld - aanleiding om niet boven een norm van drie maanden gevangenisstraf per feit uit te gaan.

Het hof is gelet op voornoemde omstandigheden van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van EUR 40,21 zal worden verbeurd verklaard.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag ter hoogte van EUR 40,21 zoals dit vermeld is onder 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu het geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het onder 1, 2 primair, 4 en 6 bewezenverklaarde is verkregen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering tot schadevergoeding feit 1

In het onderhavige strafproces heeft [Y.] zich namens [aangever 1] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 9412,30 aan materiële schade en een bedrag van EUR 200,00 aan immateriële schade.

Nu [Y.] namens [aangever 1] te kennen heeft gegeven de vordering niet te handhaven, is deze vordering niet aan de orde in hoger beroep.

Vordering tot schadevergoeding feit 6

In het onderhavige strafproces heeft [Z.] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 6 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 924,50.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag EUR 924,50.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

EUR 924,50 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 6 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering tot schadevergoeding feit 7 primair

In het onderhavige strafproces heeft [W.] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 7 primair tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 1159,00. De vordering is in eerste aanleg afgewezen, aangezien de gevorderde schade slechts betrekking heeft op het onder 7 primair tenlastegelegde en de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Nu door onjuiste informatie vanuit het openbaar ministerie [W.] niet in de gelegenheid is gesteld zich wederom als benadeelde te partij te voegen in hoger beroep, verstaat het hof de vordering als gehandhaafd tot een bedrag van EUR 1159,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 7 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36f, 47, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit voor zover dit feit betrekking heeft op de plaats Merksem te België.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair, 7 primair en 8 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4, 6, 7 subsidiair en 8 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het geldbedrag zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 1.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 6] tot het gevorderde bedrag van EUR 924,50 (negenhonderdvierentwintig euro en vijftig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [aangever 6] aan de Staat een bedrag te betalen van

EUR 924,50 (negenhonderdvierentwintig euro en vijftig cent) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 (achttien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Verstaat dat indien een mededader geheel of deels aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre is bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 7] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit arrest is gewezen door mr. D. Jalink, mr. J.C.F. van Gelder en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. M.P. Roos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2010.