Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8421

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-05-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
BK-09/00651
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu vaststaat dat de onbekende werknemers ofwel onder een andere naam ofwel met een vervalst, onvolledig of ongeldig identiteitsbewijs in de administratie van [A] waren opgenomen, heeft [A] van deze werknemers niet de identiteit vastgesteld en opgenomen in zijn loonadministratie op de in artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde wijze. De Ontvanger heeft ten aanzien van de onbekende werknemers derhalve terecht het anoniementarief toegepast. Belanghebbende is terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/41.14 met annotatie van Redactie
FutD 2010-1563
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00651

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 10 mei 2010

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende] B.V., statutair gevestigd te [Z], hierna: belanghebbende, tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juli 2009, nummer AWB 08/8303 IW, betreffende de hierna vermelde beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Ontvanger, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond (kantoor Rotterdam), heeft bij beschikking belanghebbende op de voet van artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) aansprakelijk gesteld.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger - na een ambtshalve verleende vermindering - het bezwaar afgewezen.

1.3. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 288. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 april 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende drijft een onderneming waar paprika's worden gekweekt. Ten behoeve van het plukken van de paprika's heeft belanghebbende personeel ingeleend van het agrarisch loonbedrijf van [A], handelend onder de naam [B] (hierna: [A] of [B]). Het ingeleende personeel heeft onder toezicht of leiding van belanghebbende de werkzaamheden verricht.

3.2. De FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 september 2002 betreffende de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de omzetbelasting van [B]. Dat gebeurde naar aanleiding van signalen dat [B] illegalen en/of uitkeringsgerechtigden liet werken.

3.3. De FIOD heeft een overzicht van transacties, facturen, manurenstaten en identiteitsbewijzen in beslag genomen. De heer [C] is - mede namens belanghebbende - in mei 2003 door de FIOD als getuige verhoord. Van de gesprekken zijn processen-verbaal opgemaakt, die in afschrift tot de gedingstukken behoren. Tevens is een proces-verbaal van inbeslagname en onderzoek van de bescheiden van belanghebbende opgemaakt, dat eveneens in afschrift tot de gedingstukken behoort. De manurenlijsten zijn door de FIOD verwerkt in jaaroverzichten en in de bezwaarfase aan belanghebbende ter beschikking gesteld. Belanghebbende heeft de uitnodiging van de Ontvanger gekregen alle stukken die de Ontvanger ter beschikking hebben gestaan in te zien en in fotokopie te ontvangen. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

3.4. De FIOD heeft bij het strafrechtelijk onderzoek de administratie van [B] vergeleken met de administratie van diverse opdrachtgevers. Daarbij is onder meer het volgende naar voren gekomen:

- [B] heeft werknemers in dienst gehad die zich hebben geïdentificeerd met een vals dan wel vervalst identiteitsbewijs. Van deze werknemers waren de gegevens en een kopie van de identiteitsbewijzen in de loonadministratie opgenomen. Ook kwamen onvolledige kopieën van identiteitsbewijzen en kopieën van ongeldige identiteitsbewijzen voor.

- [B] heeft de gewerkte uren van sommige werknemers in de loonadministratie verwerkt op namen van personen die dat werk niet hebben gedaan. Omdat de identiteit van de personen die het werk wel hebben gedaan, niet is komen vast te staan of omdat de identiteit van de werknemers wel bekend was maar de werknemers onder een andere naam hebben gewerkt, bijvoorbeeld ten behoeve van het behoud van een uitkering, zijn de uren tegen een onjuist tarief in de loonheffingsaangiften opgenomen. De personen, op wier naam de gewerkte uren zijn geregistreerd, maar die het werk feitelijk niet hebben gedaan, zijn voornamelijk vrouwen, terwijl de opdrachtgevers, onder wie belanghebbende, hebben verklaard dat het werk niet door vrouwelijke maar door mannelijke werknemers is gedaan. Tevens is aangegeven dat die vrouwen, indien zij waren ingeleend en kortstondig arbeid hebben verricht, zonder betaling van loon zijn weggestuurd.

3.5. De FIOD heeft bij het onderzoek bij belanghebbende 35 kopieën van identiteitsbewijzen aangetroffen. Die kopieën zijn gelijk aan de kopieën die in de administratie van [B] zijn aangetroffen. Uit het getuigenverhoor van de heer [C] is gebleken dat hij niet zelf de identiteit van de werknemers heeft vastgesteld, maar heeft volstaan met het in ontvangst nemen van de kopieën die in de administratie van [B] zijn aangetroffen.

3.6. Belanghebbende heeft in de jaren 2000 tot en met 2002 geen deugdelijke manurenadministratie gevoerd aan de hand waarvan de identiteit van de ingeleende werknemers kan worden vastgesteld. Er zijn namelijk vrijwel alleen voornamen van de werknemers door de inlener geregistreerd.

3.7. In september en oktober 2005 heeft de Ontvanger bij belanghebbende stukken opgevraagd, onder vermelding dat het een onderzoek betrof in het kader van een inlenersaansprakelijkheid. De accountant heeft uitdraaien van de grootboekkaart "loonwerk derden" alsmede kopieën van bankafschriften toegezonden. Bij het vergelijken van de aan de administratie van belanghebbende ontleende manurenadministratie, op basis waarvan de FIOD jaaroverzichten over de jaren 2000, 2001 en de eerste drie kwartalen van 2002 heeft samengesteld, met de administratie van [B] zijn de volgende verschillen geconstateerd:

omzet tarief uren [B] uren belanghebbende

2000 ƒ 56.386 ƒ 33,50 1.723 1.004

2001 ƒ 420.525 ƒ 33,50 13.087 12.948

2002 € 89.755 € 15,20 5.712 5.272

Bij het vaststellen van de naheffingsaanslag loonheffing is uitgegaan van de totaal door belanghebbende geregistreerde uren. Voor het jaar 2000 is uitgegaan van 1723 uur in plaats van 1004, omdat dit tot een tarief van ƒ 56 (ƒ 56.386/1004 uren) zou leiden, hetgeen de Inspecteur niet aannemelijk heeft geacht. Vervolgens is uitgegaan van de manuren zoals geregistreerd in de administratie van [B] om de verschuldigde loonheffing, zoveel mogelijk, individueel te berekenen.

3.8. [B] is in november 2003 voorgedragen voor strafrechtelijke vervolging wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften loonheffing en het (laten) opmaken van valse geschriften met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken dan wel opzettelijk gebruik te maken van de valse geschriften als waren die echt en onvervalst. Op basis van een zogenoemde nadeelberekening is op 30 september 2004 aan [B] een naheffingsaanslag loonheffing opgelegd van € 752.559.

3.9. Op 21 maart 2006 is [B] failliet verklaard. Het faillissement is op 9 juni 2007 opgeheven wegens een gebrek aan baten. [B] is in gebreke gebleven de voormelde belastingschuld te betalen.

3.10. Op 7 november 2007 is belanghebbende op basis van artikel 34 van de Wet aansprakelijk gesteld voor de onder 3.8 vermelde belastingschuld, voor zover die betrekking heeft op de door haar ingeleende werknemers.

3.11. In de bezwaarfase heeft de Ontvanger het bedrag waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld verminderd tot op € 45.500. Dat bedrag is als volgt opgebouwd:

- het jaar 2000: € 8.302,81

- het jaar 2001: € 35.648,20

- de eerste drie kwartalen van 2002: € 1.549,54

3.12. Belanghebbende heeft bij brief van 22 september 2009 kopieën van gevonden identiteitsbewijzen aan de Ontvanger gezonden. De Ontvanger heeft daarin geen aanleiding gevonden het bedrag van de aansprakelijkstelling te verminderen.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor door [B] onbetaald gelaten loonbelasting/premie volksverzekeringen over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 september 2002. Belanghebbende heeft de aansprakelijkstelling bestreden, terwijl de Ontvanger de juistheid ervan voorstaat .

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de beschikking en subsidiair tot vermindering van de aansprakelijkstelling tot op € 19.162.

5.2. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen (daarbij dient onder "eiseres" te worden verstaan belanghebbende en onder "verweerder" de Ontvanger):

"3.2. De aansprakelijkstelling is - voor zover hier van belang - uiteindelijk berekend op basis van de volgende uitgangspunten:

a) [A] heeft een aantal werknemers die aan eiseres zijn uitgeleend onder andere namen in zijn administratie opgenomen. Deze werknemers hebben in 2000, 2001 en 2002 respectievelijk 161, 857,50 en 1.027 uur voor eiseres gewerkt;

b) [A] heeft daarnaast van een aantal werknemers die aan eiseres zijn uitgeleend een kopie van een vervalst, onvolledig of ongeldig identiteitsbewijs in zijn administratie opgenomen. Deze werknemers hebben in 2000 en 2001 respectievelijk 672 en 5.047 uur voor eiseres gewerkt;

c) voor alle onder a) en b) genoemde werknemers (hierna: de onbekende werknemers) is uitgegaan van een netto-uurloon van € 6,93 en is de verschuldigde loonbelasting berekend door het nettoloon te bruteren tegen het anoniementarief en met toepassing van het eindheffingsregiem, hetgeen leidt tot een belastingtarief van respectievelijk 187% (2000), 129,5% (2001) en 131,2% (2002).

3.3. De klachten van eiseres richten zich in de eerste plaats - kort gezegd - tegen het lange tijdsverloop en de gang van zaken tijdens de bij [A] en bij eiseres ingestelde onderzoeken. Eiseres acht zich hierdoor geschaad in haar processuele positie, omdat zij als gevolg hiervan niet (meer) beschikt over alle administratie.

3.4. Deze klacht faalt. Verweerder heeft gesteld dat eiseres had kunnen vragen om teruggave dan wel kopieën van de in beslag genomen stukken, dat eiseres niet ingegaan op het aanbod van verweerder om alle aan hem ter beschikking staande stukken in te zien en te kopiëren, en dat - kort gezegd - alle verhoren en inbeslagnemingen door de FIOD adequaat zijn vastgelegd in processen-verbaal. Eiseres heeft dit alles niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Gezien het vorenstaande is er onvoldoende reden om de omstandigheid dat eiseres kennelijk niet meer beschikt over haar volledige administratie aan verweerder tegen te werpen. Voor zover eiseres als gevolg van deze omstandigheid problemen ondervindt in haar bewijspositie komen deze voor haar risico.

3.5. De klachten van eiseres - zo heeft zij ter zitting toegelicht - richten zich voor wat betreft het bedrag van de aansprakelijkstelling tegen het gehanteerde netto-uurloon van € 6,93, tegen de toepassing van het anoniementarief, tegen het aantal in aanmerking genomen uren en tegen het bedrag van de in aanmerking genomen rechtstreekse stortingen bij de Belastingdienst. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

3.6. Verweerder heeft het netto-uurloon van € 6,93 voor de onbekende werknemers bepaald op basis van gegevens uit de bij de boekhouder van [A] aangetroffen loonadministratie en wel door het uit die administratie blijkende uitbetaalde nettoloon te delen door het uit die administratie blijkende aantal gewerkte uren. Verweerder heeft aldus niet onredelijk gehandeld, aangezien dit loon slechts is gehanteerd voor werknemers van wie de juiste identiteit niet bekend is en - zoals verweerder onweersproken heeft aangevoerd - sprake is van hoge mate van homogeniteit in de salariëring van de aan eiseres uitgeleende werknemers. De rechtbank heeft voorts geen reden om aan te nemen dat in de administratie van [A] vermelde aantallen gewerkte uren te hoog zijn, nu zijn opzet juist was gericht op het ontduiken van loonbelasting/premie volksverzekeringen.

3.7. Eiseres heeft aangevoerd dat er voldoende gegevens waren om de juiste identiteit van de onbekende werknemers vast te stellen en voor hen het juiste netto-uurloon te bepalen. De rechtbank verwerpt dit, door verweerder gemotiveerd bestreden, standpunt. Vaststaat dat de onbekende werknemers ofwel onder een andere naam ofwel met een vervalst, onvolledig of ongeldig identiteitsbewijs in de administratie van [A] waren opgenomen. Die administratie is derhalve niet bruikbaar om het aan deze werknemers uitbetaalde nettoloon te bepalen. Vaststaat dat eiseres slechts beschikte over kopieën van de in de administratie van [A] opgenomen kopieën van (vervalste, onvolledige of ongeldige) identiteitsbewijzen van de onbekende werknemers. Gesteld noch gebleken is dat eiseres ten aanzien van de onbekende werknemers een administratie heeft gevoerd waarin hun namen, adressen, woonplaatsgegevens, geboortedata en sofinummers zijn opgenomen (artikel 34, paragraaf 5, Leidraad Invordering 1990). Eiseres heeft evenmin andere gegevens overgelegd aan de hand waarvan het loon van de onbekende werknemers kan worden geïndividualiseerd.

3.8. Nu vaststaat dat de onbekende werknemers ofwel onder een andere naam ofwel met een vervalst, onvolledig of ongeldig identiteitsbewijs in de administratie van [A] waren opgenomen, heeft [A] van deze werknemers niet de identiteit vastgesteld en opgenomen in zijn loonadministratie op de in artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde wijze. Verweerder heeft ten aanzien van de onbekende werknemers derhalve terecht het anoniementarief toegepast.

3.9.1. Wat betreft de aantallen gewerkte uren moet voorop worden gesteld dat verweerder deze niet heeft berekend door de totale omzet van [A] bij eiseres te delen door het door [A] gehanteerde uurtarief. Verweerder is uitgegaan van de aantallen uren zoals die bleken uit de manurenadministratie van eiseres en is alleen voor 2000 daarvan afgeweken, omdat het aantal door eiseres geregistreerde uren in dat jaar niet in overeenstemming was met de door [A] bij eiseres behaalde omzet en het door hem gehanteerde uurtarief in dat jaar.

3.9.2. Het totaal aantal uren dat de ingeleende werknemers in 2001 en 2002 hebben gewerkt bedroeg volgens de manurenadministratie van eiseres respectievelijk 12.948 en 5.272,75. Het totaal aantal uren waar verweerder vanuit is gegaan is lager (12.916 onderscheidenlijk 3.478,50). De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat de door verweerder gehanteerde aantallen uren over 2001 en 2002 te hoog zijn.

3.9.3. Het door de ingeleende werknemers gewerkte aantal uren in 2000 bedroeg 1.723,25 volgens de administratie van [A] en 1.004 volgens de administratie van eiseres. Verweerder is uitgegaan van 1.716,75 uur. Gelet op het overwogene onder 3.6, laatste volzin, en onder 3.9.1, laatste volzin, acht de rechtbank het aantal van 1.716,75 voldoende aannemelijk.

3.10. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder voor 2001 en 2002 ten onrechte is uitgegaan van respectievelijk 1.027 en 857,50 door onbekende werknemers gewerkte uren. Volgens eiseres moet dit zijn 171,25 uur onderscheidenlijk 42,50 uur. Gelet op hetgeen is overwogen onder 3.6 tot en met 3.9.3 acht de rechtbank evenwel aannemelijk dat door onbekende werknemers - dus zowel werknemers die onder andere namen in de administratie van [A] zijn opgenomen als werknemers waarvan een vervalst, onvolledig of ongeldig identiteitsbewijs in diens administratie is opgenomen - in 2001 en 2002 respectievelijk 1.027 en 857,50 uur bij eiseres is gewerkt. Zoals is overwogen onder 3.8 is op hen terecht het anoniementarief toegepast.

3.11. Eiseres heeft tot slot nog aangevoerd dat in 2002 tot een bedrag van € 5.500 aan rechtstreekse stortingen bij de Belastingdienst ten onrechte niet in aanmerking is genomen. Deze klacht faalt reeds omdat verweerder ter zitting onweersproken heeft verklaard dat dit bedrag ziet op het vierde kwartaal van 2002, welk kwartaal niet is betrokken in de naheffingsaanslag en de aansprakelijkstelling.

3.12. Gelet op het vorenoverwogene is eiseres terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk gesteld. Hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het bedrag van de aansprakelijkstelling in de loop van de bezwaarfase reeds ambtshalve is verminderd tot € 45.500. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is het bedrag van de aansprakelijkstelling daarom terecht op dit bedrag gehandhaafd."

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In aanvulling overweegt het Hof het volgende.

6.3.1. Belanghebbende heeft haar bij de rechtbank gevoerde verweer dat zij in haar bewijsvoering is geschaad door de inbeslagname van (delen van) de administratie in hoger beroep herhaald en daarbij geen nieuwe feiten en/of omstandigheden aangevoerd. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende en maakt de overwegingen van de rechtbank uitdrukkelijk tot de zijne.

6.3.2. Belanghebbende heeft aanvullend betoogd dat de in artikel 52, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vermelde termijn voor de administratieve bewaarplicht in het jaar 2007 ten tijde van de aansprakelijkstelling reeds was verstreken, hetgeen belanghebbende in een nadelige bewijspositie heeft gebracht. Het Hof wijst die stelling af, nu deze geen steun in het recht vindt. Het Hof verwijst daarbij ook naar de vaststaande feiten, in het bijzonder onderdeel 3.7.

6.3.3. Anders dan belanghebbende verdedigt, acht het Hof geen termen aanwezig de door [C] en/of anderen tijdens het onderzoek door de FIOD afgelegde verklaringen buiten het fiscale geschil te houden.

6.3.4. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende aan de ingeleende vrouwelijke personeelsleden geen loon heeft betaald en dat onbekend gebleven mannelijke werknemers de werkzaamheden hebben verricht. Het Hof ziet geen enkele reden uit dien hoofde de aansprakelijkstelling te verminderen.

6.3.5. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Ontvanger ten onrechte eist dat een volledige kopie van het identiteitsbewijs van [D] in de loonadministratie van belanghebbende is opgenomen. Het Hof is van oordeel dat de Ontvanger dat mag eisen, nu op de achterzijde van het identiteitsbewijs de handtekening van het personeelslid is geplaatst. Tevens acht het Hof aannemelijk gemaakt dat de kopie van het identiteitsbewijs waarop de naam respectievelijk de handtekening "[E]" is weergegeven, de achterzijde van het - valse dan wel vervalste - identiteitsbewijs van [D] vormt. Het Hof merkt op dat dit belanghebbende zonder meer duidelijk had moeten zijn, ook bij een globale controle. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

6.3.6. De Ontvanger heeft aannemelijk gemaakt dat in de administratie van [B] respectievelijk belanghebbende een kopie van een identiteitsbewijs ten name van [F] aanwezig is en niet van [G]. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de Ontvanger, die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een naamsverwisseling dan wel dat sprake is van een spel- of typefout. Voorts heeft de Ontvanger zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het identiteitsbewijs van [F] kenbaar vals is. Verwezen wordt naar bijlage 3 bij het verweerschrift in hoger beroep. Ook hier faalt het hoger beroep.

6.4.1. De Ontvanger, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft 's Hofs oordeel de berekening van de aansprakelijkstelling met de van hem afkomstige gedingstukken en met de ter zitting daarop gegeven toelichting aannemelijk gemaakt. Dat sprake is van een dubbeltelling van wel fiscaal verantwoord loon en de daarover verschuldigde loonheffing en het bedrag waarvoor belanghebbende - met toepassing van het anoniementarief - aansprakelijk is gesteld, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. In het bijzonder stuit dat af op het onvoldoende vastleggen van de identiteit van de ingeleende werknemers. Om die reden wordt niet toegekomen aan het verrekenen van de ingehouden loonheffing. Ook overigens acht het Hof hetgeen de Ontvanger heeft gesteld, in het bijzonder in het verweerschrift in hoger beroep, een overtuigende weerlegging van het standpunt van belanghebbende.

6.4.2. Voorts acht het Hof door belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat de Ontvanger ten onrechte de aansprakelijkstelling niet heeft gematigd. Aan hetgeen belanghebbende daartoe aan feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd komt, gelet op de gemotiveerde bestrijding door de Ontvanger die in het bijzonder wijst op de gebrekkige administratie van de manuren en het gebrekkig vastleggen van de identiteit van de werknemers welke werkzaamheden hebben verricht (vergelijk onderdeel 3.4), onvoldoende gewicht toe. Belanghebbende heeft namelijk niet zelf ook de juistheid van de identiteit van de werknemers vastgesteld aan de hand van de originele identiteitsbewijzen. Ook het bij brief van 22 september 2009 toezenden van alsnog gevonden identiteitsbewijzen doet daaraan niet af, nu de achternamen van de werknemers niet zijn vastgelegd, zodat de identiteit van de werknemers niet deugdelijk kan worden aangetoond.

6.5. Hetgeen belanghebbende overigens of anderszins heeft aangevoerd, leidt niet tot een andersluidend oordeel.

6.6. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8: 75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Akarkan. De beslissing is op 10 mei 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.