Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8408

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
200.036.934.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoefte van de vrouw (inkomen uit vermogen) en draagkracht van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 juni 2010

Zaaknummer : 200.036.934/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-8113

[de man],

wonende te [woonplaats], gemeente [plaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.F. Delfgaauw te Capelle aan den IJssel,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats], gemeente [plaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.P. Verhaar-Kok te Alphen aan den Rijn.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 25 juni 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 maart 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 22 september 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 26 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 9 april 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, met wijziging van de beschikking van 1 oktober 2004 van de rechtbank ’s-Gravenhage, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2008 bepaald op € 953,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen vanaf de datum van de beschikking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Verzoek man

2. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen dan wel aan te vullen zoals hierna zal worden weergegeven en die beschikking voor het overige in stand te laten door te bepalen dat de inkomensbehoefte van de vrouw een bedrag beloopt van netto € 1.789,- per maand, dan wel een redelijk bedrag zoals door het hof in goede justitie vast te stellen; en

primair

te bepalen dat de man geen partneralimentatie is verschuldigd aan de vrouw gelet op de omstandigheid dat zij inkomen – waaronder haar gehele ouderdomspensioen en AOW - en vermogen heeft waaruit inkomen kan worden geput, welk totale inkomen toereikend is om geheel in haar behoefte te voorzien;

subsidiair

te bepalen dat de man een bedrag van € 250,- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw is verschuldigd, rekening houdend met de omstandigheid dat de vrouw inkomen – waaronder haar gehele ouderdomspensioen en AOW - en vermogen heeft waaruit inkomen kan worden geput, waardoor zij haar inkomensbehoefte kan voorzien tot het niveau als door het hof vast te stellen;

primair en subsidiair

ervan uitgaande dat het hof een lager bedrag aan partneralimentatie zal vaststellen dan de rechtbank in de beschikking van 31 maart 2009 deed, dat dit lagere bedrag ingaat per de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het verzoekschrift in eerste aanleg werd ingediend zijnde 1 november 2008, met de verplichting aan de vrouw het teveel ontvangen bedrag terug te betalen aan de man binnen veertien dagen na betekening van de door het hof te geven beschikking;

primair en subsidiair

indien de alimentatie wordt vastgesteld op een hoger bedrag dan € 250,- bruto per maand, het door de man te betalen bedrag niet te bruteren volgens de methode Buijs maar tegen het toepasselijke marginale tarief in box 1 bij de vrouw;

primair en subsidiair

de bruto partneralimentatie maximaal vast te stellen op € 585,- per maand;

primair en subsidiair voorwaardelijk

te bepalen dat de alimentatie naar beneden wordt bijgesteld met ingang van de maand dat een lager bruto maandinkomen is vastgesteld, hetzij aan de hand van een loonslip van de werkgever, hetzij van de uitkeringsinstantie, door op basis van dit maandinkomen – geëxtrapoleerd naar jaarinkomen – en met brutering naar het toepasselijke marginale tarief in box 1 bij de vrouw opnieuw de berekening van productie L te maken.

Verzoek vrouw

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, alles met veroordeling van de man in de kosten van de onderhavige procedure.

Wijziging van omstandigheden

4 De man heeft aan zijn inleidend verzoekschrift ten grondslag gelegd dat door nadien opgetreden wijziging van omstandigheden de bij beschikking van 1 oktober 2004 van de rechtbank ’s-Gravenhage vastgestelde alimentatie voor de vrouw heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Hij stelt daartoe dat de rechtbank bij beschikking van 1 oktober 2004 een schatting heeft gemaakt van de woonlasten van de man, zijnde een fictieve huurlast van € 600,- per maand, nadat de echtelijke woning zou zijn verkocht en geleverd aan een derde, doch dat de realiteit is dat de man een andere woning heeft gekocht waarvan de netto woonlasten een bedrag belopen van € 1.212,- per maand. De vrouw stelt dat deze wijziging in de woonlasten van de man niet relevant is voor de beoordeling van zijn draagkracht en/of dat zijn draagkracht daardoor niet zodanig wordt ingeperkt dat een aanpassing van de alimentatiebijdrage op grond van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in de rede ligt.

5. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat in casu sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW, gelegen in de verkoop van de voormalige echtelijke woning in 2008 en de omstandigheid dat de vrouw uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning vermogen heeft ontvangen.

Behoefte van de vrouw

6. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte niet de behoefte van de vrouw heeft vastgesteld en heeft miskend dat de vrouw reeds door eigen inkomen geheel in die behoefte kan voorzien. Voorts stelt de man dat de rechtbank de alimentatie te hoog heeft vastgesteld omdat in het geheel geen rekening is gehouden met de vermogensinkomsten van de vrouw waardoor met een veel lager bedrag aan alimentatie beide partijen reeds een gelijke jus bereiken. De vrouw betwist dat zij over vermogen, dan wel over inkomsten uit vermogen beschikt. De verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning staat voor een groot deel nog steeds in depot bij de notaris. Van het door partijen ontvangen voorschot uit het depot van € 120.000,- heeft de vrouw een bedrag van € 103.500,- aan de jongste dochter van partijen geleend en voorts is de vrouw voornemens om van het restantbedrag dat haar toekomt van het depot bij de notaris zelf een woning aan te kopen.

Behoefte aan een aanvullende bijdrage in het levensonderhoud

7. Vastgesteld dient te worden of de vrouw nog steeds behoefte heeft aan de aanvullende bijdrage van € 1.040,- per maand die door de rechtbank bij beschikking van 1 oktober 2004 is bepaald.

8. De man stelt dat de vrouw na de verkoop van de echtelijke woning op 5 september 2008 vermogen ter beschikking heeft gekregen. Zij ontvangt daaruit geen inkomen als gevolg van haar eigen keuzes. Dit behoort volgens de man niet via de partneralimentatie voor zijn rekening te komen. De vrouw had met haar vermogen inkomen kunnen ontvangen. Volgens de man kan de vrouw met dat vermogen en haar overige inkomen geheel in haar eigen behoefte voorzien.

9. De vrouw heeft niet weersproken dat zij in 2008 een voorschot van € 120.000,- heeft ontvangen op haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woning. Zij heeft daarvan aan haar dochter een lening van € 103.500,- verstrekt. De rente schenkt zij ieder jaar aan haar dochter. Voorts is ter terechtzitting gebleken dat de vrouw uit het restant van het depot bij de notaris € 100.000,- had kunnen ontvangen. De vrouw heeft dit bedrag echter om haar moverende redenen niet aanvaard. Zij kan vrij over dit bedrag van € 100.000,- beschikken.

10. Het hof stelt voorop dat het bestaan van behoefte aan een aanvullende bijdrage bij de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 oktober 2004 is vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het arbeidsinkomen van de vrouw, destijds € 555,29 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Gezien dit inkomen achtte de rechtbank een aanvullende bijdrage van € 1.040,- per maand redelijk en heeft de rechtbank deze op dat bedrag vastgesteld. Dit hof heeft bij beschikking van 5 oktober 2005 de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigd. Tegen die beschikking van dit hof is geen cassatie ingesteld zodat de behoefte aan een aanvullende bijdrage van ten minste € 1.040,- daarmede vaststaat.

11. De vrouw heeft op 5 september 2008 of kort daarna circa € 230.000,- uit de verkoopopbrengst van de woning tot haar beschikking gekregen. De omstandigheid dat haar vermogen feitelijk geen inkomsten oplevert is het gevolg van door haar zelf gemaakte keuzes. Dat zij voornemens is een woning aan te kopen, en haar vermogen daarvoor nodig zal hebben, doet daar niet aan af. De man stelt zich terecht op het standpunt dat het niet ontvangen van inkomsten uit vermogen niet via de alimentatie voor zijn rekening behoort te komen.

12. Het hof acht het redelijk om met een rendement van 4 % per jaar over € 200.000,-, te weten € 667,- per maand rekening te houden. De wijzigingen in het overige inkomen van de vrouw na 2005, de vrouw geniet thans AOW en een pensioen van ongeveer € 300,- per maand, leiden niet tot een lagere behoefte aan een aanvullende bijdrage en zijn niet relevant.

13. Het hof stelt de behoefte aan een aanvullende bijdrage vast op € 373,- bruto per maand.

Draagkracht man

14. De man stelt dat zijn inkomen zal verminderen tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid, hetgeen door de vrouw wordt betwist. Omdat de inkomensvermindering van de man een onzekere gebeurtenis betreft en de man op het moment dat zijn inkomen daadwerkelijk zal verminderen bij de rechtbank een nieuw verzoek met betrekking tot de partneralimentatie zal kunnen doen, zal het hof daar op dit moment geen rekening mee houden.

15. Het hof gaat, voor de berekening van de draagkracht van de man, uit van zijn jaaropgaaf 2009 aangezien deze in lijn ligt met de overige jaaropgaven. Op grond van de overgelegde producties acht het hof aannemelijk dat de man geen inkomsten uit vermogen heeft. Het hof gaat voorts uit van de door de man in zijn overgelegde draagkrachtberekening genoemde posten, waarbij het hof voorbij gaat aan de stelling van de vrouw met betrekking tot de hoge woonlasten van de man. Het hof acht de woonlasten niet bovenmatig. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man niet meer alimentatie voor de vrouw toe¬laat dan € 250,- bruto per maand, welke alimentatie, gelet op haar behoefte en andere inkomsten in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zodat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. Het hof zal het verzoek van de man te bepalen dat de man een bedrag van € 250,- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw is verschuldigd, derhalve toewijzen. Als ingangsdatum geldt 1 november 2008.

16. Gelet op het voorgaande behoeft de grief van de man met betrekking tot de brutering van de alimentatie in het licht van zijn verzoek indien de alimentatie op een hoger bedrag dan € 250,- zou worden vastgesteld, geen bespreking meer.

Terugbetalen teveel ontvangen alimentatie

17. Van de vrouw kan worden verlangd dat zij de teveel genoten partneralimentatie terugbetaalt. Dit bedrag kan verrekend worden met het gedeelte van het depot dat de vrouw toekomt. Het hof zal aldus beslissen.

Proceskosten

18. Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van de procedure en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten wordt daarom afgewezen.

19. Het hof beslist mitsdien als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 31 maart 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage - de aanvullende bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man, met ingang van 1 november 2008 op € 250,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Labohm en Engel, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2010.