Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8203

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
105.005.919-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevel Ontvanger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Uitspraak: 15 juni 2010

Zaaknummer: 105.005.919/01 (07/054)

Zaaknummer rechtbank: 261425 (HA ZA 06-854)

Arrest van de eerste civiele kamer van 15 juni 2010

in de zaak van:

[Naam],

wonende te Leiden,

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. G.Th.J. Bos te Leiden,

tegen:

de Ontvanger van de Belastingdienst Holland-Midden,

gevestigd te Leiden,

geïntimeerde,

hierna: de Ontvanger,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam.

Het geding

Het hof verwijst allereerst naar zijn tussenarrest van 28 april 2009 waarin het hof een comparitie van partijen heeft gelast. Deze comparitie heeft vervolgens op 21 september 2009 plaatsgevonden. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Hierna heeft [appellant] een memorie na comparitie van partijen (met producties) genomen, waarop de Ontvanger met een antwoordmemorie heeft gereageerd. Tot slot hebben partijen een kopie van hun procesdossiers aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

uitgangspunten

1. In hoger beroep kan van de in rechtsoverweging 2 van het vonnis vastgestelde feiten worden uitgegaan nu hiertegen geen concrete grieven zijn gericht.

2. In hoger beroep gaat het om de vraag, kort weergegeven, of het verzet van [appellant] tegen de door de Ontvanger uitgevaardigde en tussen partijen bekende dwangbevelen gegrond dient te worden verklaard. Deze dwangbevelen hebben betrekking op een groot aantal aanslagen in de inkomstenbelasting, loonheffing en omzetbelasting, alsmede op aanslagen ter zake van premie WAZ en Ziekenfondswet, een en ander zoals gespecificeerd in 2.1 van het vonnis.

3. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard na te hebben overwogen, kort weergegeven, dat [appellant] geen inhoudelijk bezwaar tegen de dwangbevelen heeft geformuleerd (4.2).

4. Het hof zal de hierna vermelde bedragen op hele euro's afronden.

standpunten partijen

5. De grief is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellant] in de procedure in conventie om (1) het verzet tegen de aan hem uitgebrachte dwangbevelen gegrond te verklaren en (2) de werking van de dwangbevelen op te schorten. In zijn toelichting op de grief heeft [appellant], samengevat en voor zover van belang, de volgende standpunten ingenomen:

a. De rechtbank heeft bij haar beslissing om het verzet van [appellant] ongegrond te verklaren, onvoldoende rekening gehouden met de achtergronden van de zaak. In het verleden is er langdurig overleg met de Ontvanger gepleegd. Uit dit overleg is uiteindelijk de afspraak voortgevloeid dat [appellant] zijn belastingschulden kon afkopen tegen betaling van € 50.000. [appellant] heeft toen tijdig € 25.000 afgelost, doch hij is door de hoge kosten van boekhoudkundige bijstand van ruim € 25.000 niet in staat geweest om het restant ook tijdig af te lossen.

b. Het gaat in deze zaak om een groot aantal belastingaanslagen. Uit de betekening van deze aanslagen op 18 november 2009 blijkt dat het totaal hiervan op € 79.809 is vastgesteld. In de loop der jaren heeft er echter een vermindering met betrekking tot de aanslagen inkomstenbelasting en premie Ziekenfondswet plaatsgevonden voor in totaal € 11.619. Niet duidelijk is hoe dit bedrag op de diverse aanslagen in mindering is gebracht. Dit geldt ook voor de terug te vorderen omzetbelasting voor in totaal € 9.833, die in de loop der jaren is verrekend met oude belastingschulden. Voor het jaar 2001 is tweemaal een aanslag in de omzetbelasting opgelegd. Op het hiertegen door [appellant] ingediende bezwaar is nooit beslist. Als dit bezwaar alsnog gegrond wordt verklaard, heeft dit tot gevolg dat deze aanslag aanzienlijk moet worden verminderd.

c. [appellant] heeft via deze verrekeningen en verminderingen een aanzienlijk bedrag op de oude belastingschulden afgelost. Met betrekking tot de lopende verplichtingen is er helaas eveneens een achterstand in de betalingen ontstaan. [appellant] streeft ernaar om deze achterstand zoveel mogelijk in te lopen uit zijn lopende inkomsten. Als de Ontvanger tot executie overgaat, zal vermoedelijk slechts een fractie van de totale schuld kunnen worden betaald en zullen de lopende inkomsten per direct eindigen. [appellant] zal in dat geval zijn beroep van advocaat niet meer kunnen uitoefenen. Het is daarom ook in het belang van de Ontvanger dat deze weg niet wordt gevolgd maar dat de weg van minnelijk overleg wordt vervolgd.

d. [appellant] heeft geen misbruik van zijn bevoegdheid gemaakt met een vordering tot verzet tegen de executie van de dwangbevelen nu dit verzet onder de gegeven omstandigheden niet als kansloos kan worden aangemerkt.

e. Het verzoek van de Ontvanger om het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, is niet-ontvankelijk, nu de Ontvanger ten aanzien hiervan incidenteel beroep had moeten instellen.

5. De Ontvanger heeft tegen de grief, samengevat en voor zover van belang, het volgende verweer gevoerd:

a. Voorafgaand aan de in hoger beroep gehouden comparitie van partijen heeft de Ontvanger [appellant] opnieuw in de gelegenheid gesteld om zijn oude belastingschuld van in totaal € 98.620, zoals in rechtsoverweging 2.1 in het vonnis gespecificeerd, tegen € 50.000 af te kopen. Hierbij gold tevens als voorwaarde dat nieuwe belastingschulden integraal zouden worden betaald. [appellant] is niet in staat gebleken om aan deze voorwaarden te voldoen.

b. Na het verzet is de oude belastingschuld verminderd als gevolg van een achterwaartse verliesverrekening van het resultaat over 2005 en door de verrekening van omzetbelasting. Door deze verliesverrekening is de definitieve aanslag in de inkomstenbelasting over 2002 en de aanslag premie Ziekenfondswet over 1992 verminderd. Door de verrekening van omzetbelasting is de naheffingsaanslag in de omzetbelasting met het nummer F 011501, verminderd. Deze verminderingen zijn verwerkt in het overzicht van 14 november 2008 van de openstaande belastingschuld van in totaal € 94.793 dat bij de memorie van antwoord is overgelegd. Hiervan heeft € 80.514 betrekking op de oude belastingschuld. Op dit moment bedraagt de totale belastingschuld (oud en nieuw) € 109.112.

c. Over 2001 zijn twee naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd. De tweede naheffingsaanslag is opgelegd nadat [appellant] over 2001 meer omzetbelasting verschuldigd bleek dan in de eerste aanslag was begrepen. Beide aanslagen staan onherroepelijk vast nu [appellant] hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. De tweede naheffingsaanslag is niet begrepen in de dwangbevelen die in deze procedure aan de orde zijn. Wel is nadien een dwangbevel ten aanzien van deze aanslag uitgevaardigd. Hiertegen heeft [appellant] eveneens verzet aangetekend. Deze procedure is nog bij de rechtbank 's-Gravenhage aanhangig.

d. [appellant] heeft geen recht (meer) op uitstel van betaling of kwijtschelding van de oude belastingschuld. De Ontvanger is thans lang genoeg coulant geweest bij het treffen van een betalingsregeling hierover. De bevoegdheid van de Ontvanger om tot uitwinning over te gaan vertegenwoordigt een zwaarwegend belang. De Ontvanger is gerechtigd de executie door te zetten zelfs als dit zou meebrengen dat [appellant] zijn werk als advocaat moet beëindigen en de executie niet de gewenste opbrengst genereert.

e. [appellant] heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot de conclusie leidt dat de rechtbank zijn verzet ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Het bestreden vonnis dient dan ook te worden bekrachtigd. De Ontvanger verzoekt het arrest in deze zaak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007 (NJ 2008,368) zodat de Ontvanger de belastingschuld van [appellant] kan invorderen ook als [appellant] beroep in cassatie zou instellen. De Ontvanger heeft hierbij een zwaarwegend belang nu het verzet kansloos is. Het verzet is uitsluitend gericht op de verkrijging van een nieuwe betalingsregeling en niet tegen de geldigheid van de dwangbevelen.

beoordeling grieven en weren

6. Bij de beoordeling van het verzet dient de vraag te worden beantwoord of de Ontvanger door de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen misbruik van zijn executiebevoegdheid maakt of in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur handelt. Hierbij is van belang dat niet het door de Ontvanger in hoger beroep overgelegde debiteurenoverzicht van 14 november 2008 of het door [appellant] bij zijn memorie overgelegde (nieuwe) dwangbevel van 18 november 2009 de belastingaanslagen vermelden die de Ontvanger via de betrokken dwangbevelen wenst in te vorderen, doch het in eerste aanleg overgelegde overzicht van 22 december 2005, zoals in rechtsoverweging 2.1 in het vonnis is gespecificeerd. Wel dient het in dit overzicht vermelde totaal aan openstaande bedragen van € 98.620 te worden verminderd met de verrekeningen die na 22 december 2005 met betrekking tot de hierop vermelde aanslagen hebben plaatsgevonden.

7. Uit de door [appellant] bij zijn memorie na comparitie van partijen overgelegde producties 2, 3 en 5 blijkt dat de aanslag in de inkomstenbelasting over 2002 bij beschikking van 14 december 2007 is verminderd met € 2.821 en over 2003 met € 6.391. Verder blijkt hieruit dat de aanslag premie Ziekenfondswet bij beschikking van 14 december 2007 over 2002 is verminderd met € 1.207 en over 2003 met € 1.200. Voorts blijkt uit deze producties dat de aanslag in de omzetbelasting over 2001 van oorspronkelijk € 11.502 bij beschikking van 9 oktober 2008 is verminderd met € 9.833, terwijl deze aanslag in het overzicht van 22 december 2005 met een nog openstaand bedrag van € 7.908 is opgenomen. De aanslag in de omzetbelasting over hetzelfde jaar van € 10.113 komt op dit overzicht niet voor, zodat deze aanslag verder buiten beschouwing kan blijven.

8. Uit de hiervoor in rechtsoverweging 7 vermelde verminderingen volgt dat de Ontvanger slechts bevoegd is om de dwangbevelen met betrekking tot de oude belastingschuld tot een totaalbedrag van € 79.093 (€ 98.620 minus € 19.527) ten uitvoer te leggen en dat deze dwangbevelen voor een totaalbedrag van € 19.527 buiten toepassing dienen te worden verklaard.

9. Voor het overige heeft [appellant] in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de Ontvanger door de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen misbruik van zijn executiebevoegdheid maakt of in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur handelt. Integendeel, zolang [appellant] niet in staat is aan zijn lopende verplichtingen jegens de Ontvanger te voldoen zal verder uitstel van executie eerder tot een toename dan tot een afname van zijn belastingschulden leiden.

10. Anders dan [appellant] in hoger beroep nog heeft gesteld, is de vordering van de Ontvanger om het arrest van het hof in deze zaak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, ontvankelijk. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om inhoudelijk op deze (incidentele) vordering te reageren en is hierdoor niet in zijn verdediging hiertegen geschaad. De weg die de Ontvanger hierbij heeft bewandeld is daarom toelaatbaar en in overeenstemming met artikel 208 Rv en met het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007 (NJ 2008,368).

11. De vordering is tevens toewijsbaar. Allereerst geldt dat [appellant] in hoger beroep tegen de vordering geen inhoudelijk bezwaar naar voren heeft gebracht. Verder geldt bij de beoordeling van de vordering weliswaar als uitgangspunt dat het verzet de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen in beginsel schorst, maar een zwaarwegend belang van de Ontvanger kan rechtvaardigen dat de schorsende werking van het verzet wordt opzijgezet. Dit is in deze zaak het geval. De Ontvanger heeft een zwaarwegend belang bij de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen nu gebleken is dat [appellant] niet in staat is aan zijn lopende verplichtingen jegens de Ontvanger te voldoen en dat verder uitstel van executie eerder tot een toename dan tot een afname van zijn belastingschulden zal leiden. Voorts moet een verder verzet van [appellant] tegen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen kansloos worden geacht nu het verzet in hoofdzaak is gericht op de verkrijging van een nieuwe betalingsregeling en niet tegen de inhoud of geldigheid van de dwangbevelen of de hieraan ten grondslag liggende aanslagen.

slotsom

12. Uit deze rechtsoverwegingen vloeit voort dat het verzet tegen de tenuitvoerlegging van de betrokken dwangbevelen gedeeltelijk gegrond is, zodat het bestreden vonnis, voor zover in de procedure in conventie gewezen, moet worden vernietigd, en dat de betrokken dwangbevelen buiten toepassing dienen te worden verklaard tot een totaalbedrag van € 19.527.

13. Beide partijen zijn voor een aanmerkelijk deel in het ongelijk gesteld. Het hof ziet hierin aanleiding de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren in deze zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen;

- verklaart het verzet gedeeltelijk gegrond;

- verklaart de betrokken dwangbevelen (van in totaal € 98.620) tot een bedrag van € 19.527 buiten toepassing, zodat het de Ontvanger vrijstaat deze tot een totaalbedrag van € 79.093 ten uitvoer te leggen;

- wijst het verzet voor het overige af;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. Vierhout, A. Dupain en A.V. van den Berg, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2010 in het bijzijn van de griffier.