Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8193

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
105006767-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2006:AY5821, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

honorarium advocaat, dwaling, matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 105.006.767/01

rolnummer oud: 2007/902

Zaak-rolnummer rechtbank: 51658 / HA ZA 06-102

Arrest van de derde civiele kamer d.d. 15 juni 2010

inzake

[Appellant] ,

wonende te [plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. L.Ph.J. Baron van Utenhove te 's-Gravenhage

tegen

[X] Advocaten B.V.,

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [X] BV,

advocaat: mr. J.P. van Ginkel te 's-Gravenhage

Het geding

Bij exploot van 16 juli 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 18 april 2007 dat de rechtbank Middelburg tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven, met één productie heeft [appellant] zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke grieven [X] BV bij memorie van antwoord heeft bestreden. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De in het vonnis onder 2 vastgestelde feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

2. In deze procedure gaat het om een geschil tussen partijen omtrent de betaling door [appellant] voor advocaatwerkzaamheden in een arbeidsgeschil, waartoe [appellant] opdracht heeft gegeven aan [X] BV en die zijn uitgevoerd door mr. [X]. Behoudens een in deze procedure niet aan de orde zijnd (voldaan) (voorschot)bedrag van € 1.500,--, heeft [appellant] de hem door [X] BV toegezonden declaratienota’s niet voldaan. Aan die niet-betaling heeft [appellant] verschillende redenen ten grondslag gelegd, die door de rechtbank alle van de hand zijn gewezen, en die [appellant] in hoger beroep door middel van de grieven opnieuw aan de orde stelt.

3. Met grief 1 keert [appellant] zich tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek van (de nieuwe raadsman van) [appellant] om andermaal een comparitie van partijen te gelasten om reden dat [appellant] bij gelegenheid van de comparitie in prima niet door een raadsman werd bijgestaan.

4. Het hof zal niet treden in de vraag of het hier gaat om een al dan niet juiste beslissing van de rechtbank, aangezien [appellant] in het hoger beroep de gelegenheid heeft gehad om al hetgeen hij in de eerste aanleg alsnog aan de orde zou hebben willen stellen, door middel van zijn memorie van grieven aan het hof voor te leggen. Voor zover [appellant] daartoe ook daadwerkelijk is overgegaan, zal het hof daarop bij de bespreking van de overige grieven ingaan, zodat daarmee het belang van [appellant] bij verdere bespreking van de onderhavige grief is uitgeput.

5. In het voorgaande ligt reeds besloten dat in deze instantie daarom geen aanleiding bestaat om gelegenheid te bieden voor een tweede conclusieronde en/of een (extra) comparitie, zoals [appellant] dat blijkens het petitum (in de memorie van grieven) in hoger beroep klaarblijkelijk wenst. Voorts kan [appellant] in geen geval worden gevolgd waar hij in hoger beroep concludeert tot terugwijzing van de zaak naar een (andere) rechtbank, nu immers de rechtbank eindvonnis heeft gewezen en mitsdien een terugwijzing elke wettelijke grond ontbeert.

6. In de grieven 2 en 4 klaagt [appellant] over de weigering door de rechtbank om [appellant] toe te laten tot het bewijs van zijn stelling dat door [X] BV een (vaste) kostenopgave is gedaan waarop hij ([appellant]) mocht vertrouwen. Kort weergegeven heeft de rechtbank aan die weigering ten grondslag gelegd dat [appellant] aan zijn stelling een onvoldoende feitelijke onderbouwing heeft gegeven.

7. In hoger beroep heeft [appellant] zijn stelling omtrent het bestaan van een vaste kostenopgave (en zijn daarmee samenhangend beroep op dwaling) gehandhaafd en - naar het hof begrijpt - uitgebreid met de stelling dat tevens of in plaats daarvan een gematigd tarief is afgesproken, waaraan hij een beroep op matiging heeft verbonden. [Appellant] heeft in dat verband een schriftelijke verklaring van [getuige] in het geding gebracht, en daarbij zijn aanbod om genoemde [getuige] als getuige te doen horen, in hoger beroep herhaald. Zoals blijkt uit punt 22 van de memorie van grieven, biedt [appellant] thans te bewijzen aan “dat er een vaste prijs is afgesproken en/of in ieder geval een gematigd honorarium in rekening zou worden gebracht”.

8. Nog daargelaten dat een “vaste prijs” niet verenigbaar is met de stelling dat er (slechts) een “gematigd honorarium” in rekening zou worden gebracht, zodat dienaangaande een cumulatief of alternatief probandum niet aan de orde kan zijn, biedt ook de schriftelijke verklaring van meergenoemde [getuige] geen toereikende feitelijke onderbouwing voor het ene of het andere onderdeel van het bewijsaanbod, nu ook daaruit niet is af te leiden welke feitelijke opstelling [appellant] verkiest en wat hij daaraan in concreto ten grondslag legt. Immers, blijkens de stukken van de eerste aanleg betrekt [appellant] niet alleen de stelling dat een vaste prijs van (circa) € 2.000,-- was overeengekomen, welk bedrag hij gaandeweg zonder feitelijke toelichting heeft gewijzigd in € 3.000,--, maar ook geeft hij aan (bij comparitie van partijen in eerste aanleg) dat [getuige] aanwezig zou zijn geweest bij een tweetal besprekingen met [X] BV waarbij de vaste prijs zou zijn overeengekomen, terwijl uit randnummer 20 van de memorie van grieven en de thans overgelegde verklaring van [getuige] blijkt dat deze alleen bij een eerste oriënterende bespreking aanwezig is geweest, bij welke gelegenheid door mr. [X] BV (volgens deze laatste verklaring) zou zijn meegedeeld dat hij zou kunnen zorg dragen voor een “snel en beperkt honorarium”.

9. Gelet op de boven omschreven onverenigbaarheden en nu een toereikende feitelijke onderbouwing voor enig standpunt van [appellant] hoe dan ook ontbreekt, is het hof van oordeel dat het honoreren van enig bewijsaanbod niet aan de orde kan zijn. Hierop stuiten de beide grieven af.

10. Met grief 3 stelt [appellant] de afwijzing door de rechtbank van zijn beroep op dwaling aan de orde. Dienaangaande bepleit hij in hoger beroep, in de toelichting op deze grief onder 23 dat het hof “de overeenkomst” zal vernietigen, hetgeen het hof begrijpt als een beroep op bedoelde vernietigingsgrond bij wege van verweer, nu immers [appellant] in deze procedure niet als eiser optreedt. Zoals voorts de grief niet anders kan worden begrepen, neemt [appellant] thans kennelijk tot uitgangspunt dat weliswaar tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen gelijk aan die waarop [X] BV haar vordering baseert, doch dat zodanige totstandkoming plaats vond onder invloed van dwaling aan de zijde van [appellant].

11. Kort weergegeven heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat zich één van de dwalingsgronden van art. 6:228 lid 1 BW heeft voorgedaan, reden waarom de rechtbank het beroep op dwaling heeft afgewezen. Nu het hof (ook) uit de stellingen van [appellant] in hoger beroep niet kan opmaken op welk van de in genoemd artikel bedoelde dwalingsgronden hij zich beroept, hetgeen gelet op hetgeen de rechtbank overweegt in rechtsoverweging 4.2 wel van hem verwacht had mogen worden kan grief 3 niet tot vernietiging leiden. Voor zover [appellant] in het slot van punt 20 van de toelichting op grief 2 heeft aangeboden (tevens) het bewijs van de dwaling te leveren door het doen horen van getuigen, zal het hof in het licht van het voorgaande daaraan voorbij gaan als ontoereikend feitelijk onderbouwd.

12. Met de grieven 5 t/m 7 streeft [appellant] op verschillende gronden een algehele of gedeeltelijke vermindering van zijn contractuele verplichtingen na. Zakelijk weergegeven komt hetgeen [appellant] aanvoert er onder meer op neer dat [X] BV in de uitvoering van haar taak is tekortgeschoten door hem ([appellant]) niet te wijzen op de noodzaak van een rechtsvordering tot vernietiging van het ontslag op staande voet en de verjaringstermijn van art. 7:683 BW, en ook wordt [X] BV verweten te hebben nagelaten de voorlopige doorbetaling van het salaris van [appellant] te innen. Voorts verwijt [appellant] aan [X] BV dat zij hem in strijd met de art. 24 en 26 van de Gedragsregels voor Advocaten 1992 niet heeft gewaarschuwd voor het sterk oplopen van de kosten van rechtsbijstand.

13. [X] BV heeft daartegen ingebracht - in essentie - dat genoemde bepalingen uit de Gedragsregels niet van toepassing zijn reeds omdat [appellant] daarmee voortbouwt op de onterechte aanname dat tussen partijen een vast tarief was overeen gekomen, en voorts voert zij meer in het algemeen aan dat [appellant] bij herhaling de voorstellen van de werkgever tot een minnelijke regeling van het arbeidsgeschil heeft verworpen, alhoewel hij steeds is gewezen op de consequenties van zijn opstelling, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat [X] BV aan [appellant] te kennen heeft gegeven “niets meer voor hem te kunnen betekenen”, welk laatste het hof kwalificeert als een opzegging van de overeenkomst van opdracht tussen [X] BV en [appellant].

14. Het hof overweegt dienaangaande dat de stellingen van [appellant] zodanig summier zijn, dat daaruit niet blijkt op welke tijdstippen welke procedures zijn gevoerd, wat daarin de opstelling van de daarbij betrokken partijen is geweest en hoe uiteindelijk het oordeel van de (kanton)rechter heeft geluid. Voorts is niet duidelijk geworden wanneer en in welk stadium van de procedure(s) de opzegging door [X] BV heeft plaatsgevonden. Zonder nadere feitelijke gegevens, die evenwel ten enen male ontbreken, kan daarom niet worden vastgesteld of tussen partijen op het moment van de door [appellant] gestelde tekortkomingen nog een geldige overeenkomst van kracht was, en evenmin of [X] BV in de gegeven omstandigheden verwijtbaar jegens [appellant] is tekortgeschoten door het niet-benutten van kansen dan wel door enigerlei waarschuwings- of informatieplicht jegens [appellant] te verzaken. Ook kan - mede met het oog op het bepaalde in art. 7:402 lid 2 BW - op grond van de door [appellant] verstrekte gegevens niet gekomen worden tot de conclusie dat de opzegging door [X] BV van de overeenkomst onregelmatig tot stand is gekomen. Voor zover [appellant] aan [X] BV een overtreding van de Gedragsregels zoals bovengenoemd verwijt, leest het hof in de memorie van grieven geen andere stellingen of verweren dan reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en verworpen, terwijl het hof te dezer zake de beslissing van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd, overneemt en tot de zijne maakt.

15. Het hof kan er mitsdien aan voorbij gaan dat niet uit de stukken blijkt dat [appellant] zich bij wege van verweer tegen het door [X] BV gevorderde, heeft beroepen op een ontbindingsgrond, waar hij er blijkens punt 31 van de memorie van grieven kennelijk doch ten onrechte van uitgaat dat een tekortkoming van rechtswege leidt tot het geheel of gedeeltelijk verval van de op hem rustende verbintenissen. Overigens blijkt niet uit de stukken dat [appellant] op de door hem aangevoerde gronden een (reconventionele) vordering tot (gedeeltelijke) ontbinding en/of schadevergoeding tegen [X] BV heeft ingesteld. Voor zover de stellingen van [appellant], in onderling verband bezien, al gekwalificeerd zouden moeten worden (mede) als een beroep op verrekening, stuit dat in het licht van het eerder overwogene af op het bepaalde bij art. 6:136 BW.

16. In het geval dat [appellant] met het hoger beroep heeft beoogd aan te voeren dat de door [X] BV opgestelde declaraties onredelijk hoog zijn en niet of onvoldoende zijn berekend naar de mate van het betrokken belang en de moeilijkheid van de zaak en de daaraan bestelde tijd, zodat deze declaraties - mede in het licht van de door [appellant] gestelde uiteindelijk voor hem als slecht aan te merken afloop van het geding of de gedingen - dienen te worden gematigd (al dan niet tot nihil), kan zulks niet tot vernietiging van het beroepen vonnis leiden nu reeds uit het boven overwogene volgt dat de gedingstukken daartoe in volstrekt onvoldoende mate feitelijke gegevens bevatten.

17. Daarnaast heeft [appellant] zich nog beroepen op matiging van de vordering van [X] BV tot het bedrag van € 3.000,--, zulks wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Met het oog daarop heeft [appellant] naast een aantal omstandigheden die in het verband van de overige grieven reeds aan de orde zijn geweest, nog gewezen - kortweg - op het feit dat hij juridisch een leek is en dat zijn inkomen en vermogen ontoereikend zijn om de vordering van [X] BV te voldoen.

18. Daaromtrent overweegt het hof dat de door [appellant] in dit verband aangevoerde argumenten, voor zover zij in het eerder overwogene niet reeds van de hand zijn gewezen, bepaald ontoereikend zijn om te komen tot het op basis van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar buiten toepassing laten van enige uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende regel.

19. Daarmee falen ook de grieven 5 t/m 7 in al hun onderdelen.

20. De slotsom luidt dat, waar geen van de grieven doel treft, het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd, zulks onder veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep (1 punt in tarief I = € 632,--), uitvoerbaar bij voorraad. Voorover [appellant] in algemene termen nog bewijs heeft aangeboden, zal daaraan als ontoereikend gespecificeerd worden voorbijgegaan.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 18 april 2007, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [X] BV begroot op € 402,-- aan verschotten en € 632,-- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, R.F. Groos en G.J. Knijp en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2010 in aanwezigheid van de griffier.