Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8171

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
200.047.940/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige bij sterk wisselend inkomen; verdeling van de draagkracht over kind waarvoor kinderalimentatie wordt verzocht en kind in huidige gezin van de alimentatieplichtige.

Partneralimentatie; zelfstandig verzoek voor het eerst in hoger beroep; behoefte niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 mei 2010

Zaaknummer : 200.047.940/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-10130

Beschikking in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.E. Mielen te Noordwijk

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I.W. van Osch te Alphen aan den Rijn.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 19 oktober 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 juli 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking).

De vrouw heeft op 1 februari 2010 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 9 maart 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 20 november 2009, 28 december 2009 en 1 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 25 februari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 11 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: partijen en hun advocaten. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – met wijziging van de tussen partijen gesloten echtscheidingsovereenkomst van 21 februari 2004 – de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), met ingang van

1 juli 2009 bepaald op € 399,- per maand en is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 januari 2008 bepaald op nihil.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

1. In geschil is de wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook te noemen: kinderalimentatie), alsmede wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud (hierna ook te noemen: partneralimentatie).

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende – uitvoerbaar bij voorraad – de kinderalimentatie te bepalen op € 200,- per maand, althans op een redelijk bedrag per maand, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

3. De vrouw bestrijdt het beroep. In incidenteel appel verzoekt zij de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, haar verzoeken in incidenteel appel alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof begrijpt het verzoek van de vrouw in incidenteel appel aldus, dat zij (naast een veroordeling van de man in de kosten van de procedure in twee instanties) verzoekt te bepalen, dat de man met ingang van 1 januari 2008 € 350,- per maand, althans een door het hof te bepalen bedrag aan partneralimentatie aan haar dient te betalen en dat de man een bedrag aan kinderalimentatie dient te betalen hoger dan € 399,- per maand.

4. De grieven van de man komen er kort gezegd op neer, dat hij het niet eens is met de wijze waarop de rechtbank is gekomen tot een vaststelling van de behoefte van de minderjarige, van het inkomen van de man, van de lasten van de man, van de draagkracht van de man en van de vrouw en van het inkomen van de vrouw. In de tiende en laatste grief stelt de man dat hij niet in staat is een hogere kinderalimentatie te betalen dan € 200,- per maand.

5. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de grieven van de man.

6. De grieven van de vrouw in incidenteel appel komen er kort gezegd op neer, dat zij het niet eens is met de beslissing van de rechtbank om de partneralimentatie vast te stellen op nihil en met de wijze waarop de rechtbank de draagkracht van de man en van de vrouw heeft vastgesteld.

7. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de grieven van de vrouw.

8. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

De kinderalimentatie

9. Het hof stelt vast dat het oordeel van de rechtbank, dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, waardoor de eerder vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, in hoger beroep niet is bestreden. Behoefte en draagkracht moeten opnieuw worden beoordeeld.

Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige

10. De man stelt dat de rechtbank voor de bepaling van het aandeel van de man in de kosten van de minderjarige is uitgegaan van een te hoog netto gezinsinkomen. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

11. Het hof overweegt het volgende. Het vaststellen van de behoefte van een kind in het kader van de bepaling van de voor het kind verschuldigde alimentatie heeft betrekking op zijn welvaartsniveau vóór het uiteengaan van de ouders. Het is de bedoeling dat welvaartsniveau zoveel mogelijk te behouden. Het gezinsinkomen op het tijdstip dat de ouders uit elkaar gaan, hoeft geen goede indicator voor dat welvaartsniveau te zijn. Dat inkomen kan op dat tijdstip als gevolg van een toevalligheid veel hoger of lager zijn dan overigens gebruikelijk is, waardoor het inkomen van dat moment in onvoldoende verband staat met het welvaartsniveau van het betrokken kind.

12. Het gezinsinkomen dient in casu mede te worden bepaald aan de hand van de winst uit onderneming die de man met zijn eenmanszaak heeft behaald. Uit de overgelegde jaarstukken blijkt, dat in de jaren 2000 – 2003 de fiscale winst van jaar tot jaar sterk verschilde. Het hof is van oordeel, dat in casu – tezamen met het inkomen uit dienstbetrekking van de vrouw – de inkomsten van de man in de jaren 2000 – 2003 de beste indicator zijn voor het welvaartsniveau van de minderjarige. Voor het bepalen van het netto gezinsinkomen gaat het hof daarom aan de zijde van de man uit van een fiscale winst van

f 75.774,- oftewel € 34.385,- in 2000, van een fiscale winst van € 43.194,- in 2001, van een fiscale winst van € 16.085,- plus een AOV-uitkering van € 16.602,- in 2002 en van een fiscale winst van € 47.160,- in 2003; aan de zijde van de vrouw gaat het hof uit van het inkomen uit dienstbetrekking van € 20.371,- bruto in 2003, zoals daarvan blijkt uit de door haar in het geding gebrachte salarisstrook van de maand december 2003 en waarvan is gesteld noch gebleken dat het in de laatste jaren van het huwelijk aan sterke schommelingen onderhevig was.

Gelet op de richtlijnen in het rapport van de werkgroep alimentatienormen (hierna: de tremanormen) hanteert het hof de brutomethode om aan de hand van de hiervoor vastgestelde jaarinkomsten de netto besteedbare inkomens per maand te bepalen. Dit brengt met zich dat geen rekening wordt gehouden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, premie lijfrente, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en dergelijke. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg aldus gemiddeld € 2.287,- per maand (het gemiddelde van achtereenvolgens € 2.044,-, € 2.470,-,

€ 1.962,- en € 2.671,- in de jaren 2000 – 2003) en dat van de vrouw € 1.371,- per maand, zodat het netto gezinsinkomen wordt vastgesteld op € 3.658,- per maand. Volgens de tabellen van de tremanormen van 2003 correspondeerde dit netto gezinsinkomen met een eigen aandeel in de kosten van het kind van meer dan € 615,- per maand. Nu door de stellingen van partijen de rechtsstrijd is begrensd tot een maximum van € 615,- per maand, gaat het hof van dit bedrag uit.

13. Volgens de man is een eigen aandeel in de kosten van het kind van € 615,- in 2003 in 2009 door indexering opgelopen tot € 678,- per maand; volgens de vrouw heeft de rechtbank dit correct bepaald op € 695,- per maand.

14. Beide partijen gaan uit van indexering van het eigen aandeel in de kosten van het kind, zoals een onderhoudsbijdrage op de voet van artikel 1:402a van het Burgerlijke Wetboek (BW) wordt geïndexeerd. Partijen verschillen kennelijk van mening over het antwoord op de vraag, op welke datum indexering voor het eerst moet worden toegepast. Het hof zoekt voor de beantwoording van die vraag aansluiting bij de ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zoals bepaald door de rechtbank ’s-Gravenhage in haar beschikking van 17 maart 2004 en bij hetgeen partijen in het echtscheidingsconvenant overeengekomen zijn met betrekking tot de indexering van deze bijdrage en laat deze voor het eerst op 1 januari 2005 plaatshebben. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige bedraagt dan

€ 678,- per maand in 2009 en € 694,- per maand in 2010.

15. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord wat het aandeel van de man in de kosten van de minderjarige is. Het hof zal daartoe de draagkracht van de man en van de vrouw bepalen en met elkaar vergelijken. Zowel de man als de vrouw heeft in hoger beroep een nieuwe draagkrachtberekening overgelegd. De vrouw heeft de berekening van de man gemotiveerd betwist wat betreft de winst uit onderneming, de bijstandsnorm, de woonlasten, de kosten kinderopvang, de premies voor uitkering bij ziekte, ongeval of invaliditeit en de oudedagsvoorziening, de omgangskosten, de andere bijzondere kosten, de advocaatkosten en het draagkrachtpercentage.

De draagkracht van de man

16. De man wil dat voor zijn inkomen wordt uitgegaan van de winst uit onderneming in 2009, te weten € 37.014,-. De vrouw meent dat de winst kunstmatig wordt gedrukt en wil, gelet op de winst die de man in 2008 heeft behaald, dat wordt uitgegaan van een winst uit onderneming van € 70.000,-. Zoals blijkt uit de overgelegde jaarrekeningen van de jaren 2007 – 2009 is de winst uit onderneming (ook) de afgelopen jaren aan sterke schommelingen onderhevig geweest. Voor het inkomen van de man gaat het hof daarom uit van de gemiddelde winst uit onderneming in die jaren en die bedraagt

€ 59.900,- (2007 € 57.502,-; 2008 € 85.185,-; 2009 € 37.014,-). De stelling van de vrouw dat de winst kunstmatig laag zou zijn gehouden, is door de man betwist en door de vrouw niet voldoende onderbouwd. Deze stelling wordt daarom door het hof verworpen.

17. De man heeft het gemiddelde van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en voor een gezin opgevoerd. Volgens de vrouw is dit niet juist. Gelet op de jongste tremanormen zal het hof rekening houden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, nu niet in geschil is dat de partner van de man in eigen levensonderhoud kan voorzien, en zal het hof de hierna te bepalen draagkracht verdelen over de minderjarige voor wie thans wijziging van de bijdrage wordt gevraagd en de minderjarige in het huidige gezin van de man.

18. De man heeft van 30 december 2009 tot 15 maart 2010 dubbele woonlasten gehad en hij stelt dat hiermee rekening dient te worden gehouden. De vrouw heeft verweer gevoerd en gesteld, dat de man als onderhoudsplichtige had behoren af te zien van het aangaan van dubbele woonlasten. Het hof is van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de dubbele woonlasten. Immers dient in beginsel rekening te worden gehouden met alle schulden en verplichtingen van een onderhoudsplichtige.

Het enkele feit dat de man onderhoudsplichtige is, maakt nog niet dat hij geen dubbele woonlasten zou mogen aangaan of dat daar bij het berekenen van zijn draagkracht geen rekening mee zou mogen worden gehouden. Bij het oordeel dat de dubbele woonlasten moeten worden meegenomen bij de bepaling van de draagkracht laat het hof meewegen, dat de aanschaf van een nieuwe woning vaak onvermijdelijk voor een bepaalde periode dubbele woonlasten met zich brengt en dat deze woonlast niet onredelijk hoog is. Het hof zal de draagkracht van de man bepalen met inachtneming van woonlasten voor zijn oude huis (de periode van 1 juli 2009 tot 30 december 2009), voor zijn oude en zijn nieuwe huis samen (de periode van 30 december 2009 tot 15 maart 2010) en voor alleen zijn nieuwe huis (de periode vanaf 15 maart 2010). Daarbij laat het hof de helft van de bruto en de netto woonlasten voor rekening van de partner van de man. In de eerste periode houdt het hof rekening met een eigenwoningforfait van € 1.125,- per jaar, gebaseerd op de WOZ-waarde zoals vermeld op de door de man als productie 16 in eerste aanleg overgelegde aanslag gemeentelijke belastingen, en een hypotheekrente van

€ 4.764,- per jaar, zoals daarvan blijkt uit de door de man eveneens als productie 16 in eerste aanleg overgelegde stukken van de Rabobank; in de tweede periode bovendien met een eigenwoningforfait van € 2.060,- per jaar en een hypotheekrente van € 8.130,- per jaar, zoals daarvan blijkt uit de door de man als productie A bij zijn draagkrachtberekening in hoger beroep overgelegde financiële gegevens; in de derde periode uitsluitend met een eigenwoningforfait van € 2.060,- per jaar en een hypotheekrente van € 8.130,- per jaar.

19. De man stelt dat uitgegaan moet worden van € 285,- per maand aan kosten van kinderopvang en hij heeft in zijn draagkrachtberekening de helft daarvan, te weten € 142,- per maand, opgevoerd. De vrouw heeft deze kosten betwist. De man heeft als bijlage D bij zijn draagkrachtberekening in hoger beroep een verklaring wijziging kinderopvang overgelegd, waaruit blijkt dat met ingang van 1 februari 2010 de kosten kinderopvang € 190,- per maand bedragen. Het hof zal rekening houden met de helft van deze kosten; de andere helft laat het hof voor rekening van de partner van de man. Dat, zoals door de man gesteld, de kosten van kinderopvang in de nabije toekomst

€ 285,- zullen gaan bedragen, acht het hof op dit moment nog zo onzeker, dat het niet bij voorbaat al daarmee rekening zal houden.

20. De man voert in zijn draagkrachtberekening (zowel aan de inkomstenkant als aan de lastenkant) premies van in totaal

€ 763,- per maand op voor uitkering bij ziekte, ongeval of invaliditeit en een premie van in totaal € 501,- per maand voor een oudedagsvoorziening. De vrouw heeft deze premies betwist, stellende dat zij door de onderneming van de man worden gedragen en niet door de man in privé. Gelet op de door de man in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde stukken heeft de man naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij deze premies in privé betaalt. Het hof zal dan ook met deze premies rekening houden.

21. De man heeft geen grief gericht tegen de door de rechtbank op € 50,- per maand bepaalde kosten van de zorgregeling (voorheen: omgang) en hij heeft hetzelfde bedrag in zijn draagkrachtberekening in hoger beroep opgevoerd. De vrouw heeft ter terechtzitting van het hof verweer gevoerd tegen de kosten van de zorgregeling voor zover deze meer dan € 30,- zouden bedragen. Naar het oordeel van het hof dient het verweer van de vrouw te worden beschouwd als een nieuwe grief. Hoewel deze grief pas in een laat stadium door de vrouw is geformuleerd, zal het hof toelaten dat het incidenteel appel van de vrouw met deze grief wordt uitgebreid, nu blijkens de jurisprudentie in zaken van levensonderhoud met alle relevante omstandigheden rekening dient te worden gehouden.

De vrouw stelt dat de man zes dagen per vier weken voor de minderjarige zorgt; volgens de man zorgt hij acht dagen per vier weken voor de minderjarige. De vrouw heeft e-mails overgelegd (producties 3 en 17 bij het verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel), waaruit blijkt dat partijen uitgaan van een verblijf van de minderjarige bij de man eens in de twee weken van vrijdag tot maandag. Het hof gaat uit van die regeling en bepaalt de kosten van de zorgregeling, gelet op het forfaitaire bedrag van € 5,- per dag volgens de tremanormen, op € 30,- per maand.

22. De man stelt dat de zorgregeling hem € 125,- per maand extra kost, omdat de vrouw niet de juiste kleding voor de minderjarige meegeeft. Hij heeft als productie E bij de draagkrachtberekening in hoger beroep kopieën van kassabonnetjes overgelegd, waarop het aankoopbedrag van verschillende kledingstukken staat vermeld. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

Met deze door de man opgevoerde kosten zal het hof geen rekening houden, nu het hof van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat maandelijks € 125,- wordt uitgegeven aan de aanschaf van kleding voor de minderjarige, dan wel dat deze aanschaf noodzakelijk zou zijn.

23. De man voert € 114,- per maand aan advocaatkosten op, stellende dat het voor hem noodzakelijk is wijziging te verzoeken van de kinderalimentatie, dat hij niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, dat er geen vermogen aanwezig is noch te verwachten valt en er voor hem slechts een beperkte vrije ruimte is. Hij heeft als productie G bij de draagkrachtberekening in hoger beroep declaraties van zijn advocaten overgelegd. De vrouw heeft de stelling gemotiveerd betwist. Zij meent dat advocaatkosten niet vóór horen te gaan op een alimentatieverplichting en wijst erop dat zij ook advocaatkosten heeft.

Blijkens zijn bewoordingen zoekt de man aansluiting bij wat de tremanormen over advocaatkosten zeggen. Deze normen nemen tot uitgangspunt dat advocaatkosten, gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure, niet als noodzakelijke last voorrang hebben boven de onderhoudsverplichting. In bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn; aanbevolen wordt dan uitsluitend ten aanzien van advocaatkosten in verband met een echtscheidingsprocedure rekening te houden met een maximum bedrag gedurende ten hoogste een jaar. Het hof zal met de advocaatkosten geen rekening houden, nu deze niet zijn gemaakt in het kader van de echtscheidingsprocedure en ook de vrouw advocaatkosten heeft.

24. De vrouw heeft in incidenteel appel een grief gericht tegen het door de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man gehanteerde draagkrachtpercentage van 52,5, stellende dat uitgegaan moet worden van een percentage van 70. De man heeft deze stelling betwist. Gelet op de jongste tremanormen zal het hof uitgaan van een draagkrachtpercentage van 70.

25. Rekening houdend met het voorgaande en voor het overige de draagkrachtberekening van de man in hoger beroep volgend bepaalt het hof de totale draagkracht van de man (inclusief het fiscale voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen) in de periode van 1 juli 2009 tot 30 december 2009 op € 1.070,- per maand, in de periode van 30 december 2009 tot 15 maart 2010 op € 563,- per maand en met ingang van 15 maart 2010 op € 889,- per maand. Na verdeling van de draagkracht over de beide kinderen van de man bedraagt de draagkracht van de man voor de draagkrachtvergelijking achtereenvolgens € 535,- per maand, € 282,- per maand en € 445,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

26. De man heeft in zijn appelschrift een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank, dat de onkostenvergoeding die de vrouw ontvangt niet als (verkapt) inkomen is aan te merken. Hij stelt dat het aan de vrouw is aan te tonen, dat tegenover de door haar te ontvangen onkostenvergoeding daadwerkelijk kosten staan. De vrouw heeft de stelling van de man ten aanzien van de onkostenvergoeding gemotiveerd betwist. Het hof zal de onkostenvergoeding buiten beschouwing laten. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij vertegenwoordiger is en zij heeft een jaaropgaaf 2009 overgelegd waaruit blijkt dat zij van haar werkgever een onbelaste onkostenvergoeding ontvangt. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat de vrouw beroepskosten heeft. Het hof zal de onkostenvergoeding daarom niet als inkomen aanmerken.

27. Voorts heeft de man de draagkrachtberekening van de vrouw gemotiveerd betwist wat betreft het kindgebonden budget en de kosten van kinderopvang. Het hof zal rekening houden met het kindgebonden budget, aangezien de vrouw geen grief heeft gericht tegen de beslissing van de rechtbank om rekening te houden met het kindgebonden budget en zij niet heeft toegelicht waarom zij het kindgebonden budget uit haar draagkrachtberekening heeft gelaten. Met de kosten van kinderopvang zal het hof geen rekening houden, nu uit de producties 14, 15 en 16, die de vrouw ter onderbouwing van die kostenpost bij haar verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel, heeft overgelegd, niet blijkt dat de vrouw deze kosten daadwerkelijk maakt.

28. Rekening houdend met het voorgaande en voor het overige de draagkrachtberekening van de vrouw in hoger beroep volgend bepaalt het hof de draagkracht van de vrouw op

€ 934,- per maand.

29. Gelet op de hiervoor bepaalde draagkracht van de man en van de vrouw en op het hiervoor bepaalde eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige, bepaalt het hof het aandeel van de man in de kosten van de minderjarige in de eerste periode op € 272,- per maand, in de tweede periode op € 180,- per maand en met ingang van 15 maart 2010 op

€ 249,- per maand. Dit aandeel kan de man, zo blijkt uit het voorgaande, ook betalen. Het hof zal de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dan ook bepalen op dezelfde bedragen, met uitzondering van de bijdrage in de tweede periode. Uit het verzoek van de man en zijn stellingen in hoger beroep maakt het hof op dat de man, zo hij al niet de rechtsstrijd daartoe heeft beperkt, hij toch in ieder geval bereid is

€ 200,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zoals hiervoor al bleek is de draagkracht van de man toereikend. Het hof zal de bijdrage van de man in de tweede periode daarom bepalen op € 200,- per maand.

De partneralimentatie

30. De vrouw heeft in haar incidenteel appel een grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2008 te bepalen op nihil. Zij stelt behoefte te hebben aan een uitkering tot levensonderhoud van € 350,- per maand. De man heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

31. De vrouw heeft, voordat zij ter terechtzitting van de rechtbank te kennen gaf niet langer aanspraak te willen maken op partneralimentatie, in eerste aanleg het verzoek van de man de partneralimentatie te verlagen van € 100,- naar nihil slechts weersproken.

Ingevolge artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een zelfstandig verzoek tot verhoging van de alimentatiebijdrage niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Naar het oordeel van het hof is de vrouw daarom niet ontvankelijk in haar verzoek, voorzover het verzoek inhoudt de partneralimentatie te bepalen op een bedrag hoger dan

€ 100,- per maand.

32. De man heeft onder meer gesteld, dat de vrouw samenwoont met een nieuwe partner. Deze stelling is door de vrouw betwist. Nu de man zijn stelling verder niet heeft onderbouwd, verwerpt het hof deze stelling.

33. De rechtbank is niet toegekomen aan een beoordeling van de stelling van de man, dat de overeenkomst betreffende het levensonderhoud van de vrouw, door partijen vastgelegd in het echtscheidingsconvenant van 21 februari 2004, is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, dan wel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de overeenkomst niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De vrouw heeft in eerste aanleg erkend, dat de omstandigheden aan de zijde van de man zijn gewijzigd. Het hof is van oordeel dat met de door de man in eerste aanleg (ook ten aanzien van de partneralimentatie) gestelde feiten, te weten dat hij is gaan samenwonen met zijn nieuwe partner en dat zij samen een kind hebben, sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, waardoor behoefte en draagkracht in het kader van de partneralimentatie opnieuw dienen te worden beoordeeld.

34. De vrouw heeft haar behoefte gebaseerd volgens de zogenaamde hofnorm op een netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk van € 4.090,- en een eigen aandeel in de kosten van de minderjarige van € 695,-. Het hof gaat blijkens rechtsoverweging 12 uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.658,- per maand. Berekening volgens de hofnorm brengt het hof op een behoefte die door het netto besteedbaar inkomen van de vrouw wordt overschreden. Het hof heeft daarbij gelet op het inkomen van de vrouw zoals gesteld in de door haar in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening en zoals daarvan blijkt uit de door haar als productie 8 bij het verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel, overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2008. De vrouw is er naar het oordeel van het hof niet in geslaagd aan te tonen, dat zij niet in staat is zelf in haar kosten van levensonderhoud te voorzien en dat zij behoefte heeft aan een uitkering tot levensonderhoud.

35. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wijst het verzoek van de vrouw daartoe af.

36. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTE¬EL HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar incidenteel appel voor zover zij heeft verzocht de uitkering tot levensonderhoud te bepalen op een hoger bedrag dan € 100,-;

vernietigt de bestreden beschikking wat betreft de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van het echtscheidingsconvenant van 21 februari 2004 – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 juli 2009 tot 30 december 2009 op € 272,- per maand, met ingang van 30 december 2009 tot 15 maart 2010 op € 200,- per maand en met ingang van 15 maart 2010 op € 249,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, De Haan-Boerdijk en Van de Poll, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2010.