Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM7807

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
22-004421-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich als bestuurder in het verkeer zodanig gedragen, dat hierdoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer werd gehinderd. Vervolgens heeft door zijn gedraging een ongeval plaatsgevonden waarbij schade is toegebracht aan een ander, terwijl de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder gelegenheid te bieden tot vaststelling van zijn identiteit. Door zich op deze wijze als weggebruiker te gedragen heeft de verdachte blijk gegeven van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van zijn medeweggebruikers. Verdachte is voor zowel het onder 1 tenlastegelegde als het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot het betalen van een geldboete van EUR 350,- en 4 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004421-09

Parketnummer: 09-610328-09

Datum uitspraak: 28 april 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

26 augustus 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de kruising van [straatnaam 1] en [straatnaam 2] en [straatnaam 3], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht;

2.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam 2], als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte, heeft, rijdend op [straatnaam 2], een doorgetrokken streep genegeerd en/of is (vervolgens) op de voor hem verkeerde weghelft terecht gekomen en/of is (vervolgens) over die verkeerde weghelft doorgereden naar de kruising van [straatnaam 2] en [straatnaam 1] en [straatnaam 3], door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van

€ 350,-, en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 350,-, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 7 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 06 januari 2009 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de kruising van de [straatnaam 1] en [straatnaam 2] en [straatnaam 3], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) schade was toegebracht;

2.

hij op 06 januari 2009 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam 2], als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte, heeft, rijdend op [straatnaam 2], een doorgetrokken streep genegeerd en is (vervolgens) op de voor hem verkeerde weghelft terecht gekomen en is (vervolgens) over die verkeerde weghelft doorgereden naar de kruising van [straatnaam 2] en [straatnaam 1] en [straatnaam 3], door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte het verweer gevoerd dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet strafbaar is wegens overmacht. Hij voert daartoe aan dat de verdachte vanwege het raken van een stoeprand, waarschijnlijk als gevolg van gladheid van het wegdek, op de verkeerde weghelft is terechtgekomen.

Het hof verwerpt het verweer, omdat volstrekt niet aannemelijk is geworden hetgeen aan het verweer ten grondslag is gelegd. Uit onderzoek is gebleken dat van gladheid geen sprake was: het wegdek was droog. Bovendien is door een getuige verklaard dat de verdachte op de andere weghelft is beland als gevolg van een door hemzelf ingezette inhaalmanoeuvre.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot telkens een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 15 uren, subsidiair 7 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde tevens tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich als bestuurder in het verkeer zodanig gedragen, dat hierdoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer werd gehinderd. Vervolgens heeft door zijn gedraging een ongeval plaatsgevonden waarbij schade is toegebracht aan een ander, terwijl de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder gelegenheid te bieden tot vaststelling van zijn identiteit. Door zich op deze wijze als weggebruiker te gedragen heeft de verdachte blijk gegeven van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van zijn medeweggebruikers.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2010, is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is van oordeel dat ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde telkens een in termijnen te betalen geldboete van na te melden hoogte, en ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormen. Bij de vaststelling van de geldboetes is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het betalen van een geldboete van

€ 350,- (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 7 (zeven) dagen.

Bepaalt dat het bedrag van de opgelegde geldboete mag worden voldaan in 7 (zeven) opéénvolgende termijnen van 1 maand van telkens € 50,- (vijftig euro).

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het betalen van een geldboete van

€ 350,- (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 7 (zeven) dagen.

Bepaalt dat het bedrag van de opgelegde geldboete mag worden voldaan in 7 (zeven) opéénvolgende termijnen van 1 maand van telkens € 50,- (vijftig euro).

Ontzegt de verdachte tevens de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen bij de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius, mr. M.A. van der Ham en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 april 2010.

Dr. G.J. Fleers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.