Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM7092

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
105006628-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht, watersportverzekering, verwijtbaar onvoldoende zorg van verzekerde.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 276
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/301
JIN 2010/539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 105.006.628/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 261196 / HA ZA 06-812

Arrest van de derde civiele kamer d.d. 8 juni 2010

inzake

de naamloze vennootschap UVM Verzekeringmaatschappij N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

appellante,

hierna te noemen: UVM,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.C. Oosterhuis-Smits te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 18 juni 2007 is UVM in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 april 2007 dat de rechtbank ’s-Gravenhage tussen [geïntimeerde] als eiser en Unigarant N.V. en UVM als gedaagden heeft gewezen. Bij memorie van grieven met producties heeft UVM enkele (niet als zodanig aangeduide, ongenummerde) grieven tegen het vonnis aangevoerd alsmede een nieuw verweer tegen de oorspronkelijke vordering van [geïntimeerde] naar voren gebracht. [Geïntimeerde] is in zijn memorie van antwoord op een en ander ingegaan. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1. [Geïntimeerde] heeft allereerst aangevoerd dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat geen grieven zijn aangevoerd. Dit verweer slaagt niet. UVM behoeft haar grieven niet te nummeren als maar duidelijk is welke bezwaren zij heeft tegen het bestreden vonnis. Die bezwaren zijn het hof duidelijk en [geïntimeerde] heeft die bezwaren ook begrepen en daarop inhoudelijk gereageerd.

2. De rechtbank heeft in haar vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 een aantal feiten vastgesteld die UVM, behoudens het navolgende, niet heeft bestreden, zodat ook het hof in zoverre van deze feiten uitgaat. UVM wenst echter enige nuancering aan te brengen in de door de rechtbank - onder 2.5 en in aansluiting daarop onder 4.4 - gebezigde termen “gestormd” en “(zware) stormen”. Zij merkt op dat deze termen niet in overeenstemming zijn met de door het KNMI gebruikte kwalificaties voor de gemeten windsnelheden, doch slechts aansluiten bij het begrip “storm” volgens de polisvoorwaarden. Daarvan is reeds sprake bij “harde wind” volgens de schalen van het KNMI, aldus UVM. [geïntimeerde] heeft deze nuancering niet bestreden en het hof constateert dat zij, gelet op de geproduceerde gegevens, juist is.

3. Bedoelde feiten komen in het kort op het volgende neer.

(i) [geïntimeerde] was ten tijde van het nader te noemen evenement eigenaar van een schip, een Linssen Sturdy 360 AC, voor welk schip hij bij UVM een watersportverzekering heeft afgesloten met onder andere uitgebreide cascodekking tot een bedrag van € 100.000,-. In de polisvoorwaarden is als “storm” omschreven een windsnelheid van ten minste 14 meter per seconde (windkracht 7). Volgens deze voorwaarden dekt de verzekering onder meer schade die is veroorzaakt door storm of door alle andere plotseling van buiten komende schadegebeurtenissen. De voorwaarden sluiten in artikel 6.16 van vergoeding uit “schade ten gevolge van aan verzekerde te verwijten onvoldoende zorg voor de verzekerde zaken”.

(ii) In het begin van de maand november 2004 heeft [geïntimeerde] zijn schip ondergebracht in een winterstalling te Wolvega. Het schip bleef daarbij in het water. [geïntimeerde] heeft zijn schip winterklaar gemaakt, o.a. door tanks te legen en van antivries te voorzien. Om eventuele (kleine) lekkage het hoofd te bieden, heeft hij een, op accu’s werkende vlotterpomp geïnstalleerd. Daarbij heeft hij de afvoerslang van de vlotterpomp vastgezet op de kraanleiding van de dekwaspomp. De aanvoerleiding van de dekwaspomp heeft hij hiertoe van die dekwaspomp losgemaakt. Alle acht afsluiters waren of werden door [geïntimeerde] dichtgezet, maar hij heeft over het hoofd gezien dat hij de afsluiter ten behoeve van de dekwaspomp (hierna: de afsluiter) niet had dichtgezet.

(iii) Op 8 en 20 januari 2005 is er te Wolvega sprake geweest van harde wind (windkracht 7) volgens de schalen van het KNMI en (dus) van storm in de zin van de polisvoorwaarden.

(iv) Op 1 februari 2005 heeft [geïntimeerde] vernomen dat zijn schip in de winterstalling volledig was gezonken, waarna het na tussenkomst van de door UVM ingeschakelde expert Vijzelaar is gelicht. De expert heeft op 3 februari 2005 vastgesteld: “Doordat verzekerde de aanvoerslang naar de (dekwas)pomp heeft losgemaakt in verband met de aansluiting van de bilgepomp - d.w.z. de vlotterpomp, toevoeging hof - en het vaartuig onder invloed van wind/golven (het betreft een deels open schiphuis op het westen) is gaan schommelen, is het dekwascircuit gaan hevelen en is de boot vervolgens volgelopen en gezonken. (…) Er was geen sprake van lekkage. De door ons gecontroleerde afsluiters bleken alle dichtgezet, met uitzondering van de afsluiter ten behoeve van de dekwaspomp. Deze staat onder in het vlak direct naast de fundatie en wordt onder andere door diverse slangen ter plaatse aan het oog onttrokken. Desgevraagd verklaarde verzekerde de betreffende afsluiter over het hoofd gezien te hebben. In een vervolgrapport d.d. 18 februari 2005 heeft de expert nog opgemerkt: “Bij nameting is gebleken dat de wierpot van het dekwascircuit ca. 10 cm boven de waterlijn is geplaatst. Normaliter kan er derhalve geen heveling plaatsvinden. (….) Dat er toch heveling is opgetreden, is ons inziens het gevolg van schommelingen van de boot. Indien het water vlak is, zal dit niet aan de orde zijn. Zowel op 8 januari als 20 januari j.l. is sprake geweest van stormweer (…). Het hevelen kunnen wij alleen verklaren als gevolg van ernstig schommelen bij stormweer, al dan niet in combinatie met een verhoogd waterpeil en het blijven hangen van het vaartuig in de landvasten. Aanvankelijk werd het binnentredende water uit de bilge gepompt middels de door verzekerde geïnstalleerde automatische bilge/vlotterpomp. Echter, na het leeg geraken van de accu’s is de bilgepomp door stroomgebrek gestopt en kon het verzekerde vaartuig dientengevolge vollopen/zinken”.

(v) De schade die [geïntimeerde] ten gevolge van genoemd evenement heeft geleden beloopt een bedrag van in hoofdsom € 40.769,54.

4. Toen UVM weigerachtig bleef om genoemd bedrag aan [geïntimeerde] te vergoeden, heeft hij in de procedure in eerste instantie gevorderd Unigarant N.V. en UVM daartoe, vermeerderd met wettelijke rente, hoofdelijk te veroordelen. Na verweer heeft de rechtbank deze vordering bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, toegewezen voor zover deze tegen UVM gericht was en UVM in de proceskosten veroordeeld. UVM is van dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen en heeft geconcludeerd tot vernietiging daarvan met afwijzing van het door [geïntimeerde] oorspronkelijk gevorderde en met zijn veroordeling in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. Tevens heeft zij gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 april 2007 tot de dag der voldoening. [Geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, kosten rechtens.

5. UVM neemt in hoger beroep opnieuw het standpunt in dat er in deze zaak geen sprake is geweest van een onder de polis gedekte schadegebeurtenis en dat, indien dit anders zou zijn, voor haar op grond van artikel 6.16 van de polisvoorwaarden geen vergoedingsplicht bestaat omdat [geïntimeerde] verwijtbaar onvoldoende zorg heeft besteed aan het verzekerde object. Als nieuw (subsidiair) verweer werpt zij op dat zij hoogstens gehouden kan zijn tot een gedeeltelijke uitkering, door haar gesteld op 25% althans op 50% van de door [geïntimeerde] geleden schade. Het hof zal deze drie verweren hieronder achtereenvolgens behandelen.

Al dan niet gedekt schade-evenement

6. UVM bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de stormen van 8 en 20 januari 2005 - c.q. een daarvan - als rechtens relevante oorzaak van het zinken van het schip moet worden aangemerkt. Zij voert aan dat stormschade in de zin van de polis moet worden gezien als schade die een rechtstreeks gevolg is van storm, zoals het beschadigd raken van het verzekerde schip. Harde wind, ofwel storm in de zin van de verzekeringsvoorwaarden, is in het winterseizoen echter volstrekt normaal, evenals daardoor optredende schommelingen bij schepen die in een gedeeltelijk open berging liggen. Andere schepen zijn ter plaatse niet gezonken. Uit een en ander volgt, zo betoogt zij, dat de weersgesteldheid op genoemde data niet afwijkt van hetgeen normaal te verwachten is. Zij concludeert dat de schade niet het gevolg is van de weersgesteldheid, maar van de handelwijze van [geïntimeerde], met name het niet dichtzetten van de afsluiter.

7. Deze redenering staat op gespannen voet met het feit dat “harde wind” (volgens de schaal van Beaufort - windkracht 7) in de verzekeringsvoorwaarden wordt gekwalificeerd als “storm” en als zodanig naast andere evenementen, zoals blikseminslag, hagel en diefstal, een gebeurtenis oplevert waarvan de schadelijke gevolgen - in beginsel - door de polis worden gedekt. De omstandigheid dat, zoals UVM aanvoert, een dergelijke weersgesteldheid in het winterseizoen normaal te verwachten is, staat daarom niet in de weg aan dekking onder de polis. Deze weersgesteldheid blijft, hoewel die in de winter wellicht van tijd tot tijd is te verwachten, een onzeker voorval, waarvan de gevolgen door de verzekering zijn gedekt.

8. Tussen partijen staat vast dat de schade niet zou zijn opgetreden indien de betreffende afsluiter wél zou zijn dichtgezet. Daarmee is echter niet tevens gezegd dat (dus) dit niet dichtzetten als rechtens relevante oorzaak van de schade moet worden aangemerkt. Beoordeeld moet namelijk eerst worden of er een onzeker voorval in de zin van de polis, zoals in dit geval een “storm” (harde wind), heeft plaatsgevonden. Dat is, naar vast staat, het geval geweest op 8 en 20 januari 2005. Vervolgens moet worden nagegaan of daaraan c.q. aan een van die beide “stormen” het zinken van het schip kan worden toegerekend. Dit laatste moet worden aangenomen op grond van het zich onder de stukken bevindende expertiserapport van 18 februari 2005. Daarin geeft de expert blijk van zijn inzicht dat het (tot zinken leidende) hevelen van het schip - dat bij vlak water niet aan de orde geweest zou zijn - is toe te schrijven aan ernstige schommelingen bij stormweer.

9. UVM heeft weliswaar geopperd dat mogelijk al op andere tijdstippen dan op 8 en/of 20 januari 2005 heveling van het schip is opgetreden en dat heveling ook op kan treden bij windsnelheden onder de 14 m/sec, maar daartoe heeft zij geen specifieke feiten gesteld. Zij geeft voorts aan niet gemotiveerd te kunnen weerspreken dat het schip tussen 1 januari en 1 februari 2005 gezonken is en erkent het plaatsgevonden hebben van de “stormen” op de zojuist genoemde data.

10. Gelet op al het vorenstaande acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de “stormen” op 8 en/of 20 januari 2005 zijn te beschouwen als rechtens relevante oorzaak van het zinken van het schip in die zin dat daaraan dit zinken moet worden toegerekend. Het door [geïntimeerde] niet dichtzetten van de afsluiter komt vervolgens aan de orde in het kader van de vraag of [geïntimeerde] “verwijtbaar onvoldoende zorg” heeft betracht en daarom, ondanks het vorenstaande, op vergoeding van zijn schade jegens UVM geen aanspraak kan maken.

Verwijtbaar onvoldoende zorg?

11. De polis geeft voor het onderhavige geval geen nadere omschrijving van het begrip “verwijtbaar onvoldoende zorg”; UVM heeft voor de uitleg daarvan aansluiting gezocht bij de bepaling van het destijds geldende artikel 276 van het Wetboek Van Koophandel. Genoemde, niet dwingendrechtelijke, wetsbepaling sloot van vergoeding uit schade die door “eigen schuld” is ontstaan. Aan UVM kan worden toegegeven dat het begrip “eigen schuld” in deze wetsbepaling naar heersende opvatting alle graden van schuld, dus ook de lichtste, omvatte. Daaruit volgt echter niet dat dit ook het geval is met de in de polisvoorwaarden gebezigde term “verwijtbaar onvoldoende zorg”. Niet duidelijk is waarom, ondanks het verschil in terminologie, genoemde begrippen op een en dezelfde wijze zouden zijn te verstaan. Indien UVM de door haar in de polis gebezigde term (naadloos) had willen doen aansluiten op het begrip “eigen schuld” van artikel 276 W.v.K. had zij dit door een eenvoudige verwijzing kunnen bereiken. Nu UVM in de polis een andere term dan de wettelijke heeft gebruikt, en wel zonder enige verwijzing naar die wettelijke term, valt niet in te zien dat [geïntimeerde] bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst niettemin aan die andere term eenzelfde betekenis zou hebben moeten toekennen als aan de term “eigen schuld” van artikel 276 W.v.K.

12. [Geïntimeerde] mocht er in de gegeven omstandigheden daarom bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst vanuit gaan dat de term “verwijtbaar onvoldoende zorg” een eigen betekenis heeft en dat deze, nu daarvan geen nadere definiëring is gegeven, aansluit bij het normale spraakgebruik. Bij het geven van “voldoende zorg” gaat het dan om een houding of optreden van de verzekerde die zoveel mogelijk voorzienbare schade voorkomt of tegengaat. Hij moet aan het verzekerde object tijdig en gepaste aandacht geven en gedrag vermijden dat de kans op schade verhoogt. Van hem wordt “normale voorzichtigheid” verlangd dan wel de zorg van een goed huisvader. Bij dit alles gaat het naar het oordeel van het hof om een in daden en nalaten tot uitdrukking komende geestesgesteldheid, die kan bestaan ondanks het begaan van een vergissing of het maken een fout.

13. Uit het eerdergenoemde expertiserapport blijkt dat [geïntimeerde] zijn schip goed heeft verzorgd; het verkeerde in uitstekende staat. Hij heeft zijn schip tijdig in een winterstalling gebracht en winterklaar gemaakt; zo heeft hij diverse installaties leeggepompt en voorzien van antivries. Hij heeft zelfs een extra maatregel genomen om onverhoopte lekkage door een inmiddels gerepareerde glandafdichting op te vangen, te weten door een op accu’s werkende vlotterpomp te installeren. Hij heeft nadien nog naar zijn schip omgezien, laatstelijk omstreeks de jaarwisseling 2004/2005. Hij heeft alle afsluiters dichtgezet, behalve de ene die hij over het hoofd heeft gezien. De expert heeft over deze ene afsluiter opgemerkt dat die, onder andere door diverse slangen ter plaatse, aan het oog was onttrokken.

14. Het hof concludeert uit het hiervoor weergegevene dat [geïntimeerde] aan zijn schip de nodige zorg heeft gegeven, maar dat hij daarbij een fout heeft gemaakt die ook een “normaal voorzichtig persoon”, een “goede huisvader” kan overkomen. Deze, niet door nonchalance maar ondanks het besteden van de nodige zorg, gemaakte fout, bewerkstelligt niet dat de schade van vergoeding ingevolge artikel 6.16 van de polisvoorwaarden is uitgesloten. Evenmin bewerkstelligt dit dat sprake is van een eigen gebrek. Van een gebrek aan het schip als in het geval van ontbrekende afsluiter was immers geen sprake.

15. Hetgeen UVM ter bestrijding van de hiervoor weergegeven oordelen overigens heeft opgemerkt doet daaraan niet af. In de kern van de zaak gaat het erom dat de schade is ontstaan ten gevolge van een door de polis gedekt evenement (“storm”) en dat van “verwijtbare onvoldoende zorg” aan de zijde van [geïntimeerde] niet kan worden gesproken. De door UVM nog nader geproduceerde bescheiden stellen bovenstaand beeld niet bij.

Nieuw verweer

16. In hoger beroep heeft UVM voorts (subsidiair) aangevoerd dat de schade in elk geval mede het gevolg is van een door [geïntimeerde] gemaakte fout en dat daarom laatstgenoemde zelf een deel van de schade, gesteld op 75% althans op 50% van de schade, behoort te dragen.

Dit verweer faalt omdat de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst daarvoor geen houvast biedt. Deze overeenkomst houdt in het bijzonder niet de mogelijkheid in voor slechts gedeeltelijke vergoeding van de schade, indien eenmaal is vastgesteld dat deze het gevolg is van een gedekt evenement en van uitsluiting, bijvoorbeeld op grond van “verwijtbare onvoldoende zorg”, geen sprake is.

Het hof komt op bovenstaande gronden tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank. De bewijsaanbiedingen van UVM dienen als te vaag – nu zij onvoldoende duidelijk zijn betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet terzake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd. UVM dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

wijst af de vordering van UVM tot terugbetaling van hetgeen zij inmiddels aan [geïntimeerde] heeft voldaan en tot betaling van de wettelijke rente,

veroordeelt UVM in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.136,-- aan griffierecht en € 1.631,-- aan griffierecht

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, H.A. Groen en H. Warnink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2010 in aanwezigheid van de griffier.