Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM6953

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
105.007.293/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijs van geldlening. Alsnog gelegenheid voor contra-enquête.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.293/01

Rolnummer (oud) : C07/1428

Rolnummer Rechtbank : 266139/HA ZA 06-1788

arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 18 mei 2010

inzake

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. D. Tap te ’s-Gravenhage,

tegen

1. [GEÏNTIMEERDE 1],

2. [GEÏNTIMEERDE 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerde] (in enkelvoud),

advocaat: mr. J. Bontenbal te Voorburg.

Verloop van het geding

Bij exploot van 21 november 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2007. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. Bij memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en zelf een grief aangevoerd, die door [appellant] bij memorie van antwoord in incidenteel appel is bestreden.

Op 17 september 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun respectieve advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Daarbij zijn door [geïntimeerde] producties overgelegd.

Vervolgens hebben partijen ieder nog een akte genomen, [appellant] onder overlegging van producties. Daarna heeft [appellant] bij akte gereageerd op de akte van [geïntimeerde].

Tenslotte hebben partijen, onder overlegging van hun procesdossiers, arrest gevraagd.

Beoordeling van het principale en het incidentele beroep

1. De door de rechtbank in r.o. 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis van 22 november 2006 vastgestelde feiten zijn niet weersproken, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

2. Het gaat in dit geding, kort gezegd, om de vraag of bewezen kan worden geacht dat [geïntimeerde] van [appellant] een bedrag van € 75.000,-, dan wel € 25.000,-, ter leen heeft ontvangen en gehouden is tot terugbetaling daarvan. De rechtbank heeft de lening tot een bedrag van € 25.000,- bewezen geacht en de vordering in zoverre, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen; voor het overige heeft zij de vordering van [appellant] afgewezen.

3. Het beroep van [appellant] richt zich tegen deze afwijzing; het beroep van [geïntimeerde] betreft de gedeeltelijke toewijzing van de vordering. Daarbij richt de grief in het incidentele beroep zich blijkens de toelichting tegen het tussenvonnis van 22 november 2006, terwijl in het petitum vernietiging van (uitsluitend) het eindvonnis wordt gevorderd. Het hof zal ervan uitgaan dat het door [geïntimeerde] geformuleerde bezwaar betrekking heeft op beide vonnissen en dat ook van beide vonnissen op het bestreden punt vernietiging wordt verlangd.

4. Het hof ziet aanleiding eerst het incidentele beroep te behandelen.

5. Het meest verstrekkend is het ten pleidooie opgeworpen betoog van [geïntimeerde] dat het door hem ontvangen bedrag van € 25.000,- door [appellant] is verstrekt ten titel van deelbetaling op de nog openstaande facturen van [geïntimeerde] bij de firma [X]. [geïntimeerde] heeft deze stelling bij pleidooi en in de nadien genomen akte aldus nader uitgewerkt, dat [appellant] bedoelde betaling deed als vertegenwoordiger van [X]. [geïntimeerde] erkent dat [appellant] ten tijde van de betaling formeel nog geen functie bekleedde bij [X], maar stelt, onder verwijzing naar standpunten van de curator in het faillissement van [X] en de advocaat van [X], dat [appellant] in oktober 2005 al feitelijk leiding gaf aan de onderneming. De stelling van [geïntimeerde] zou, indien juist, tot de conclusie moeten leiden dat wat de betreffende betaling betreft geen sprake is geweest van een lening van [appellant] in privé aan [geïntimeerde].

6. Gelet op de inhoud van de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, moet voormeld betoog als een nieuwe grief worden aangemerkt. Voor zover [appellant], gelet op het ontbreken van een daarop gericht bezwaar, geacht zou moeten worden ermee te hebben ingestemd dat de grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken, verwerpt het hof het betreffende betoog. [appellant] betwist dat hij voorafgaand aan zijn benoeming bij [X] een rol heeft gespeeld binnen de onderneming (vgl. de memorie van antwoord in incidenteel beroep sub 9). [geïntimeerde] heeft zijn stelling dat [appellant] reeds in oktober 2005 feitelijk bestuurder was binnen de onderneming van [X] vervolgens niet met stukken onderbouwd. Evenmin heeft hij terzake een bewijsaanbod gedaan. Uitgangspunt is derhalve dat [appellant] het bedrag van € 25.000,- in privé aan [geïntimeerde] heeft verstrekt.

7. In de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, is wél de grief geformuleerd dat de rechtbank niet voorbij had mogen gaan aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] terzake van zijn stelling dat de overeenkomsten van geldlening zijn gesloten onder bedreiging en misbruik van omstandigheden. [geïntimeerde] stelt in dat verband dat hij de betreffende overeenkomsten alleen heeft ondertekend omdat [appellant], die op dat moment bestuurder van [X] was, aangaf dat hij anders niets voor [geïntimeerde] kon doen, waarmee hij (volgens [geïntimeerde]) doelde op de betaling van de openstaande facturen van het bedrijf van [geïntimeerde] door [X].

De rechtbank heeft dit betoog verworpen op de grond dat het aangaan van de in het geding zijnde geldleningen hoe dan ook geen invloed heeft op de verschuldigdheid van eventuele achterstallige betalingen van [X] B.V. aan Aannemingsbedrijf [geïntimeerde 1] B.V.

8. [appellant] heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat, nu [geïntimeerde] geen vernietiging van de overeenkomsten vordert, niet duidelijk is waar het betoog toe zou moeten leiden. [geïntimeerde] heeft daarop bij pleidooi geantwoord – zo begrijpt het hof – dat [appellant] daarin gelijk heeft, maar dat vernietiging overbodig is omdat er nimmer enige betaling heeft plaatsgevonden op de beide zogenaamde leenovereenkomsten. Het hof begrijpt het betoog van [geïntimeerde] op dit punt aldus dat zijn beroep op bedreiging en misbruik van omstandigheden uitsluitend ziet op de ondertekening van de op 28 maart 2006 opgestelde aktes en niet op de betaling van enig bedrag door [appellant] in oktober 2005. [geïntimeerde] beoogt hiermee kennelijk (uitsluitend) de betreffende aktes als (dwingend) bewijsmiddel van tafel te krijgen. In het licht van de stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg ziet dit betoog niet slechts op het bedrag van € 25.000,- dat in het incidentele beroep aan de orde is, maar ook op het afgewezen bedrag van € 50.000,-; in dit laatste kader is het uit hoofde van de devolutieve werking van het appel onderdeel van de rechtsstrijd.

9. Wat betreft het bedrag van € 25.000,- kan het beroep op bedreiging en misbruik van omstandigheden niet leiden tot de door [geïntimeerde] gewenste conclusie dat hij dit bedrag niet aan [appellant] hoeft terug te betalen. [geïntimeerde] erkent dit bedrag van [appellant] te hebben ontvangen. Nu het betoog, dat [appellant] daarbij is opgetreden als vertegenwoordiger van [X], is verworpen, is uitgangspunt dat [geïntimeerde] het bedrag van [appellant] in privé heeft ontvangen. De stelling van [geïntimeerde] dat het geen lening betrof, c.q. dat hij het geld niet behoefde terug te betalen aan [appellant], omdat de betaling zou worden verrekend met de nog openstaande facturen van [geïntimeerde] aan [X], is door de rechtbank verworpen (rechtsoverweging 4.3 van het tussenvonnis). Hoewel [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, wel een gedeelte uit genoemde rechtsoverweging citeert, formuleert hij in zijn toelichting geen bezwaren tegen dit oordeel, zodat het vaststaat. Nu [geïntimeerde] geen andere gronden aandraagt ter onderbouwing van zijn betoog dat geen sprake was van een lening, c.q. dat hij het bedrag niet behoeft terug te betalen, brengt een en ander mee dat als uitgangspunt heeft te gelden dat [appellant] het bedrag van € 25.000,- aan [geïntimeerde] heeft geleend en dat laatstgenoemde gehouden was het na opeising aan [appellant] terug te betalen. Bij dat uitgangspunt kan het beroep op bedreiging en misbruik van omstandigheden niet tot een voor [geïntimeerde] gunstiger resultaat leiden, omdat hij immers, ook indien hij op 28 maart 2006 niets had ondertekend, hoe dan ook gehouden zou zijn geweest het geleende bedrag terug te betalen. Het incidentele beroep faalt derhalve.

10. Wat betreft het bedrag van € 50.000,-, dat onderwerp is van het principale beroep, geldt dat het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de door [geïntimeerde] gestelde omstandigheden, indien juist, op zichzelf tot het oordeel zouden kunnen leiden dat [geïntimeerde] onder bedreiging of misbruik van omstandigheden op 28 maart 2006 zijn handtekening onder de aktes heeft gezet. Nu [geïntimeerde] zelf stelt geen vernietiging te beogen, (kennelijk) omdat naar zijn mening geen sprake is van een rechtsgevolg, kan een beroep op genoemde wilsgebreken als zodanig er echter niet toe leiden dat aan de aktes betekenis wordt ontzegd. De vraag is en blijft daarmee of de dwingende bewijskracht van de betreffende aktes voldoende is ontzenuwd.

11. De grieven 1 tot en met 3 van [appellant] zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat dat het geval is. [appellant] heeft in eerste aanleg afgezien van contra-enquête. Thans biedt hij aan de genoemde heren R.A. en S.J. [X], alsmede J. en E.J. [X], en zichzelf alsnog als getuigen te doen horen. Gelet op de verwijzing naar de overgelegde schriftelijke verklaringen en de voorletters E.J. van de heer [Y] gaat het hof ervan uit dat in plaats van J. [X] moet worden gelezen: A.J. [X] en in plaats van E.J. [X]: E.J. [Y]. Het hof zal, alvorens tot een eindoordeel over de grieven 1 tot en met 3 te komen, [appellant] in de gelegenheid stellen voornoemde getuigen alsnog, in het kader van de contra-enquête, te doen horen.

12. Ook het oordeel over grief IV wordt aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- laat [appellant] toe tot het doen horen van de getuigen A.J. [X], R.A. [X], S.J. [X], E.J. [Y] en hemzelf in het kader van de contra-enquête;

- bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. T.H. Tanja-van den Broek, op 2 juli 2010 om 10.00 uur;

- bepaalt dat, indien een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden juni tot en met augustus van 2010, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, T.H. Tanja-van den Broek en G.J. Heevel, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2010 in aanwezigheid van de griffier.