Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM6829

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
K09/0308
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 12 Sv.

Bewilligingsverzoek o.g.v. artikel 246, derde lid, Sv toegewezen.

Geen vervolging politieambtenaren o.g.v. Ambtsinstructie voor de politie en (putatief) noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

raadkamer

BESCHIKKING

gegeven naar aanleiding van het op 17 november 2006 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen schriftelijk beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager 1],

klager,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat, kantoor houdende te Utrecht,

wegens het niet vervolgen van één of meer strafbare feiten, die ten opzichte van hem zouden zijn begaan door

[beklaagde 1], [beklaagde 2], [beklaagde 3], [beklaagde 4] en [beklaagde 5],

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van hun raadsvrouw mr. M. van Strien, advocaat, kantoor houdende te 's-Gravenhage.

beklaagden,

HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1. Bij beschikking van 24 april 2007 heeft het hof het beklag gegrond verklaard en de bevoegde officier van justitie gelast een vordering te doen tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek.

2. Dit gerechtelijk vooronderzoek tegen beklaagden is medio 2009 gesloten. In dit gerechtelijk vooronderzoek is een aantal videoreconstructies uitgevoerd en is een 3D-animatie gemaakt.

Het hof betreurt het dat dit zoveel tijd heeft gekost waardoor zowel klagers als de beklaagde politieambtenaren gedurende deze tijd in onzekerheid hebben verkeerd over de uitkomst van deze procedure.

3. Op 20 augustus 2009 heeft de officier van justitie te 's-Gravenhage het hof conform artikel 246, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering verzocht te bewilligen in het uitzenden van kennisgevingen van niet verdere vervolging van beklaagden.

4. Het hof heeft op 7 oktober 2009 het bewilligingsverzoek in raadkamer behandeld. Tijdens die zitting is de 3D-animatie getoond.

Aldaar is de raadsman van klager mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, gehoord.

Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Voorts zijn beklaagden -bijgestaan door hun raadslieden mr. M. van Strien en mr. Th.J. Kelder- gehoord.

Het hof heeft de behandeling van de zaak toen aangehouden tot de zitting van 16 december 2009.

5. Het hof heeft op 16 december 2009 het bewilligingsverzoek in raadkamer verder behandeld. Aldaar is de raadsman van klager mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, gehoord.

Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Voorts zijn beklaagden -bijgestaan door hun raadslieden mr. M. van Strien en mr. Th.J. Kelder- gehoord.

Tijdens die zitting is bepaald dat de raadslieden van klager en beklaagden, alsmede de advocaat-generaal in de gelegenheid zullen worden gesteld een nadere schriftelijke reactie bij het hof in te dienen.

6. De advocaat-generaal bij dit hof mr. S.A. Minks heeft in zijn verslag gedateerd 15 maart 2010 het hof geadviseerd te bewilligen in het uitzenden van

de voornoemde kennisgevingen van niet verdere vervolging.

7. Het hof heeft op 16 februari 2010 de schriftelijke reactie van mr. M. van Strien namens beklaagden en op 22 maart 2010 de schriftelijke reactie van mr. R.D.A. van Boom namens klager ontvangen.

OPMERKING VOORAF

8. Klager is bij inmiddels onherroepelijk geworden arrest van de eerste meervoudige strafkamer van dit hof (hierna aan te duiden als "de strafkamer") van 28 februari 2007 wegens (onder meer)" diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" tot straf veroordeeld.

Het ging hier om een inbraak bij [bedrijf] te Leiden. Bij de aanhouding van klager en zijn mededaders is er door de beklaagde politieambtenaren met hun vuurwapens een groot aantal schoten afgevuurd op de auto van klager en zijn mededaders. Klager is daarbij ernstig gewond geraakt.

BEOORDELING VAN HET BEWILLIGINGSVERZOEK

9. In het genoemde arrest overweegt de strafkamer in het kader van de beoordeling van een verweer als volgt:

"Aannemelijk is geworden dat de verdachte en zijn medeverdachten in de nacht van 10 augustus 2005 te Leiden door politieambtenaren op heterdaad zijn betrapt bij een inbraak in een bedrijfspand van een groothandel.

Een aantal politieambtenaren heeft getracht de verdachten ter plaatse aan te houden, maar dezen hebben gepoogd zich aan hun aanhouding te onttrekken met behulp van de door hen gebruikte personenauto.

Daarbij is een botsing ontstaan tussen de auto van de verdachten en twee politieauto's. Nadat die auto's tot stilstand waren gekomen, hebben twee opsporingsambtenaren (de verbalisanten [beklaagde 4] en [beklaagde 5]) de auto van de verdachten te voet tot op korte afstand benaderd. Voornoemde opsporings-ambtenaren hebben vervolgens gemeend een vuurwapen te hebben waargenomen bij de bijrijder (medeverdachte [klager 2]), die op dat moment, evenals zijn medeverdachten, een bivakmuts op had, in of bij het handschoenenkastje van de auto had "gerommeld" en een voorwerp dat op een vuurwapen leek in zijn hand had. Na deze waarneming meende verbalisant [beklaagde 5] dat dat voorwerp op hem werd gericht. Voornoemde opsporingsambtenaren voelden zich door een en ander ernstig bedreigd, waarschuwden collega's door het roepen van "vuurwapen" en voornoemde [beklaagde 5] schoot vervolgens naar eigen zeggen op de persoon van de bijrijder. Daaropvolgend is er door [beklaagde 5] en andere aanwezige opsporingsambtenaren een -zeer groot- aantal schoten, tenminste een 25-tal, afgevuurd in de richting van de verdachten en de auto waarin dezen zich bevonden, ook toen de verdachten wisten weg te rijden. Door één van de afgevuurde schoten is de bestuurder van de auto, verdachte [klager 1], ernstig gewond geraakt doordat een kogel zijn hoofd is binnengedrongen. Na een achtervolging zijn de verdachten alsnog aangehouden kunnen worden. Niet aannemelijk overigens acht het hof dat (één of meer van) de verdachten getracht heeft of hebben zich op enig moment voor hun feitelijke aanhouding aan opsporingsambtenaren over te geven. Evenmin is aannemelijk geworden dat vanuit de auto van de verdachten op opsporingsambtenaren is geschoten."

10. De strafkamer heeft in het hierboven genoemde arrest voorts geoordeeld dat het niet uitgesloten kan worden dat de waarnemingen van [beklaagde 5] en [beklaagde 4] (dat zij een vuurwapen hadden gezien) in zoverre incorrect zijn geweest. De strafkamer voegt daaraan toe:

"Indien evenwel al aangenomen zou mogen worden, waarvoor gezien de gegeven situatie en de kennelijke waarneming van bedoelde opsporingsambtenaren enige grond is, dat de betreffende opsporingsambtenaren redelijkerwijs mochten aannemen dat de aan te houden verdachte [klager 2] een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had en dat tegen personen zou gebruiken (Ambtsinstructie artikel 7, eerste lid onder a), dan wel dat mogelijkerwijs zelfs sprake zou zijn van toepasselijkheid van artikel 7, eerste lid onder b ten eerste juncto ten derde -kort gezegd, aanhouding van een verdachte die zich tracht te onttrekken aan een aanhouding ter zake van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van tenminste vier jaren staat en door zijn gevolg bedreigend is of kan zijn voor de samenleving, is naar het oordeel van het hof het in casu door opsporingsambtenaren aangewende vuurwapengeweld disproportioneel en in zoverre onrechtmatig geweest.

Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat door de verbalisanten enige waarschuwing, in welke vorm dan ook aan de verdachten of aan één van hen is gegeven voordat, gericht, op de verdachten en de auto waarin zij zaten een regen van kogels is afgevuurd."

11. (De beklagkamer van) het hof gaat uit van dezelfde gang van zaken, zij het met aanvullingen.

Dit hangt samen met het feit dat de strafkamer zich, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 februari 2007, bij zijn oordeel in hoofdzaak heeft gebaseerd op het proces-verbaal van de politie, opgemaakt tegen de klagers en waarin hun betrokkenheid bij een bedrijfsinbraak object van het onderzoek was en dus centraal stond.

De strafkamer heeft het houden van een reconstructie niet noodzakelijk geacht, gelet op het in het dossier aanwezige fotomateriaal en de afgelegde verklaringen. In de onderhavige beklagzaak is een reconstructie wel nodig geacht. Het hof heeft thans de beschikking over het uitgebreide proces-verbaal van de Rijksrecherche nummer 20050091 van 17 januari 2006, de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek, bestaande uit de videoreconstructies, de 3D-animatie waaruit blijkt dat de confrontatie tussen klagers en de beklaagde politieambtenaren, inclusief het schieten, zich in een tijdsbestek van enkele minuten heeft afgespeeld, en de verhoren van getuigen bij de rechter-commissaris op 14 maart 2007. In al die onderzoeken stond het handelen van de beklaagde ambtenaren centraal.

Uit het nadere onderzoek blijkt dat de confrontatie tussen klagers en de beklaagde ambtenaren, inclusief het lossen van een - zeer groot - aantal schoten minder dan 2 minuten heeft geduurd. Blijkens de verklaring van de beklaagde [beklaagde 5] heeft hij waargenomen dat de bijrijder [klager 2] over een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp beschikte en voelde hij zich genoodzaakt te schieten, nadat [klager 2] zich naar hem toedraaide met het vuurwapen in de hand c.q. dit vuurwapen op hem richtte, terwijl hij geen aanstalten maakte zich over te geven. Gelet hierop was het besluit van [beklaagde 5] om te schieten zelfs een kwestie van niet meer dan seconden.

Bij deze stand van zaken moet naar de mening van het hof geoordeeld worden dat de omstandigheden de waarschuwing als bedoeld in artikel 10 a van de meergenoemde ambtsinstructie niet toelieten.

12. Uit al het feitenmateriaal stelt het hof vast dat de auto, waarin de klagers zaten, op enig moment met behoorlijke kracht is ingereden op de twee politieauto's, die door de chauffeurs van die auto's zodanig dwars voor de auto van klagers waren gezet, dat aan die auto de weg versperd werd. Uit dat feit, in combinatie met het feit dat geen van de klagers getracht heeft zich op enig tijdstip voor hun feitelijke aanhouding aan opsporingsambtenaren over te geven, werd duidelijk dat klagers zich aan hun aanhouding trachten te onttrekken. Daar waar klagers verdacht werden van het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 7 lid 1, onder b, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren, te weten een (poging tot) diefstal, gevolgd van geweld of bedreiging met geweld, waren de beklaagde politieambtenaren vanaf dat moment gerechtigd van hun vuurwapen gebruik te maken. Dat geldt niet alleen voor de ambtenaren die zich op het bedrijfsterrein van [bedrijf] bevonden maar ook voor de zich in de nabijheid van dat terrein bevindende beklaagde [beklaagde 2], die via de mobilofoon op de hoogte was van hetgeen zich op het bedrijfsterrein van [bedrijf] afspeelde.

Toen korte tijd na de aanrijding, en nadat [beklaagde 5] en [beklaagde 4] zich naar de auto van klagers hadden begeven, deze politieambtenaren een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp in de auto hebben waargenomen of meenden te hebben waargenomen en dat door het roepen van "vuurwapen" ook aan hun collega's bekend gemaakt hadden, gold voor de politieambtenaren dat zich ook de situatie van artikel 7, eerste lid, onder a, van genoemde ambtsinstructie voordeed.

Er is door de beklaagde politieambtenaren in korte tijd een - zeer groot - aantal schoten afgevuurd, ruim dertig in getal. Dit grote aantal maakt het geoorloofde vuurwapengebruik op zichzelf in het algemeen niet ongeoorloofd. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet gebleken.

Want hoewel aangenomen moet worden dat er sprake is geweest van een te groot aantal schoten en van schoten die niet altijd even zorgvuldig waren gericht, acht het hof dit niet van doorslaggevend gewicht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de politieambtenaren in een zeer kort tijdsbestek moesten handelen onder uiterst bedreigende omstandigheden die een hevige gemoedsbeweging kunnen hebben veroorzaakt. De gebeurtenissen vonden plaats in het holst van de nacht, terwijl de klagers zich met bivakmutsen in een donkere en onverlichte auto bevonden. Met deze auto reden klagers met veel geweld in op de politievoertuigen waarna zij zich, onder voortdurend geloei van de motor van de auto, herhaaldelijk een uitweg probeerden te banen, kennelijk vastberaden om te vluchten, terwijl zij geen enkel teken gaven dat zij zich wilden overgeven.

Wel zou dit gegeven aanleiding kunnen zijn voor een reactie in het kader van een disciplinaire maatregel of van nadere opleiding of scholing. Dit staat evenwel niet ter beoordeling van het hof.

13. Het hof stelt vast dat de beklaagde ambtenaren zich kunnen beroepen op genoemde ambtsinstructie en op basis daarvan straffeloos zijn. Voor zover bij de uitvoering van die instructie deels disproportioneel is gehandeld, was naar het oordeel van het hof ten aanzien van de beklaagden sprake van een situatie die kan worden gekwalificeerd als (putatief) noodweerexces.

14. Op grond van het bovenstaande dient een strafvervolging achterwege te blijven en moet worden beslist als volgt:

BESLISSING

Het hof:

Wijst het verzoek van de officier van justitie van 20 augustus 2009 toe en bewilligt in het uitzenden van een kennisgeving van niet verdere vervolging aan de beklaagde ambtenaren [beklaagde 1], [beklaagde 2], [beklaagde 3], [beklaagde 4] en [beklaagde 5].

Deze beschikking is op 4 juni 2010 gewezen door

mr. S.J.A.M. van Gend, voorzitter,

mrs. A.W. Beelaerts van Blokland en J.J. van Eck, leden,

in bijzijn van de griffier mr. K. Kiela.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.