Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5871

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200.010.042-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huurovereenkomst, overeengekomen verlenging, haviltex, waardering getuigenbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.010.042/01

Rolnummer rechtbank : 791481 CV EXPL 07-7868

arrest van de negende civiele kamer d.d. 11 mei 2010

inzake

Sabon Nederland B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Sabon,

advocaat: mr. G. Janssen te 's-Gravenhage,

tegen

[de verhuurder] h.o.d.n. Turnkey Property (TPR Vastgoed),

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de verhuurder],

advocaat: mr. drs. C.J.M. Stubenrouch te Rotterdam.

Het geding

Bij tussenarrest van 8 december 2009 van dit hof is Sabon tot bewijslevering toegelaten. Op

1 februari 2010 en 23 maart 2010 hebben getuigenverhoren plaatsgevonden. Partijen hebben vervolgens afgezien van nadere conclusies en op het griffiedossier arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep (vervolg)

1. Sabon is bij genoemd tussenarrest toegelaten tot het tegenbewijs tegen het dwingend bewijs als bedoeld in r.o. 6 van voormeld tussenarrest, te weten dat partijen zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst na de expiratiedatum zou worden voortgezet voor de duur van vijf jaar, tenzij de overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste één jaar bij deurwaardersexploot of bij aangetekende brief zou worden opgezegd.

2. Het hof is van oordeel dat Sabon niet is geslaagd in het leveren van het tegenbewijs, om de volgende redenen in onderling verband en samenhang bezien.

3. Als getuigen zijn gehoord de heren [A] (directeur van partij Sabon), [B] (e-commerce manager van Sabon) en [C] (voormalig medewerker van [de verhuurder]). Uit de getuigenverklaringen blijkt niet dat is gesproken over het al dan niet verlengen van de huurovereenkomst na de expiratiedatum (31 december 2006).

4. Getuige [A] heeft verklaard, dat hij de heer [C] (destijds werkzaam voor [de verhuurder]) heeft gezegd dat het huren van de ruimte een tussenoplossing was. Indien juist acht het hof die mededeling een onvoldoende duidelijke uiting van de bedoeling dat de verlenging door Sabon hoe dan ook niet gewenst werd.

5. Daarbij acht het hof van belang dat er sprake is van - ook in de woorden van Sabon – een standaard verlengingsclausule in een model-huurovereenkomst, vastgesteld door de Raad voor Onroerende Zaken. In r.o. 4.3 van het tussenvonnis is geoordeeld dat Sabon bedrijfsmatig actief is op de markt van huur en verhuur van bedrijfsruimte, evenals dat [A], de directeur van Sabon die de huurovereenkomst heeft getekend, zelf jurist is. Hiertegen is niet gegriefd, zodat het hof daar ook van uit zal gaan. Tegen deze achtergrond had van [A] mogen worden verwacht op het gebruik van de standaard verlengingsclausule bedacht te zijn en bij de totstandkoming van de huurovereenkomst aan de orde te stellen dat die verlenging door Sabon niet gewenst werd, bij gebreke waarvan [de verhuurder] ervan mocht uitgaan dat Sabon tegen die (gebruikelijke) verlenging geen bezwaar had en/of daarmee instemde.

6. Het belang van de brief van 7 november 2006 van Sabon (zie tussenarrest r.o. 2.5) acht het hof onvoldoende onderbouwd, nu deze brief van meer dan een jaar na het sluiten van de huurovereenkomst dateert en slechts het standpunt van Sabon weergeeft.

7. Aangezien niet is gesteld dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, is deze na 31 december 2006 voor vijf jaren stilzwijgend voortgezet tot in beginsel 31 december 2011. Aldus is er voor Sabon na

31 december 2006 een verplichting om huur aan [de verhuurder] te betalen. De bedragen aan achterstallige huur over de periode van augustus 2006 tot en met maart 2007 en over de periode van 1 april 2007 tot 1 juni 2008 zijn verder niet betwist, zodat deze door Sabon verschuldigd zijn.

8. Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven I tot en met IV falen.

9. Grief V luidt dat Sabon ten onrechte is veroordeeld tot het vergoeden van schade aan [de verhuurder] over de periode vanaf 1 juni 2008, op te maken bij staat. Volgens Sabon heeft [de verhuurder] voor het bedrijfspand vanaf 1 juni 2008 een nieuwe huurder. [de verhuurder] heeft dit laatste erkend en gesteld dat de huurovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2008, met wederzijds goedvinden is geëindigd. Gelet hierop eindigt de verplichting tot schadevergoeding volgens het eindvonnis per 1 juni 2008, en heeft Sabon - nu gesteld noch gebleken is dat er ten aanzien van dat eindigen enige discussie is - bij het behandelen van deze grief geen belang, zodat de grief Sabon niet kan baten.

10. Het hof gaat voor het overige voorbij aan het in algemene termen gestelde bewijsaanbod van Sabon nu het niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.

11. De slotsom is dat het hoger beroep faalt en dat het eindvonnis zal worden bekrachtigd. Nu in het dictum van het tussenvonnis van 8 juni 2007 geen te executeren beslissingen zijn opgenomen zal daaromtrent niets worden vermeld in het dictum van dit arrest.Sabon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam van 16 mei 2008,

- veroordeelt Sabon in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [de verhuurder] tot op heden begroot op € 1.197,-- waarvan € 303,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.H. van Coeverden en R.C. Schlingemann en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2010 in aanwezigheid van de griffier.