Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5832

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
BK-09/00607
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Niet aannemelijk is geworden dat de werkzaamheden van belanghebbende in Suriname een bron van inkomen vormen. Het in de aangifte opgevoerde bedrag aan rente kan niet als een nagekomen bedrijfslast in aanmerking worden genomen. Daar sinds de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 er ook geen mogelijkheid meer bestaat om rente in aftrek te brengen als persoonlijke verplichting, heeft belanghebbende derhalve geen recht op renteaftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00607

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 19 mei 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage van 23 juni 2009, nr. AWB 08/4752 IB/PVV, betreffende na te noemen aan belanghebbende opgelegde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond (hierna: de Inspecteur), voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.125.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft een griffierecht voldaan van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende op 18 januari 2010 een nader stuk met vijf bijlagen ingediend. De griffier heeft de Inspecteur een afschrift van dat stuk en die bijlagen toegezonden.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak, die eerder was vastgesteld op 27 januari 2010 en destijds op verzoek van belanghebbende is uitgesteld, heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 april 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 25 februari 2010 aan het adres [a-straat 1] te [0000 XX] [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij TNT Post ingewonnen inlichtingen is de vorenbedoelde brief, na op 26 februari 2010 tevergeefs op het vermelde adres te zijn aangeboden, op 9 maart 2010 op het postkantoor afgehaald. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding in hoger beroep en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende vast:

3.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2004 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een verzamelinkomen van nihil. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van € 12.738 (na toepassing van de drempel) aan uitgaven wegens ziekte opgevoerd, alsmede een bedrag van € 10.741 wegens onverrekende persoonsgebonden aftrekposten van voorgaande jaren. Daarnaast heeft belanghebbende in zijn aangifte verzocht om toepassing van de arbeidskorting en de jonggehandicaptenkorting.

3.2. Naar aanleiding van het verzoek van de Inspecteur om nadere informatie en bewijsstukken heeft belanghebbende te kennen gegeven dat het bedrag van € 12.738 geen betrekking heeft op ziektekosten maar op de rente die hij is verschuldigd op diverse leningen. Het bedrag van € 10.741 houdt volgens belanghebbende verband met een afschrijving op bedrijfsmiddelen.

3.3. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de hiervoor vermelde bedragen niet in aftrek toegelaten en evenmin de arbeidskorting en de jonggehandicaptenkorting in aanmerking genomen.

3.4. Belanghebbende heeft in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1995 tot en met 2004 geen winst uit onderneming aangegeven, noch inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden (tot en met 2001) of resultaat uit een werkzaamheid (vanaf 2001).

3.5. Het door belanghebbende vermelde bedrijf [A], heeft niet ingeschreven gestaan in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

3.6. Belanghebbende heeft bij de Belastingdienst nooit bekend gestaan als ondernemer.

3.7. Er zijn door belanghebbende nooit jaarrekeningen van [A] overgelegd, behoudens voor het jaar 1998.

3.8. Belanghebbende heeft vanaf 2001 een bijstandsuitkering genoten van de gemeente Rotterdam. In het onderwerpelijke jaar 2004 bedraagt deze uitkering € 14.125 waarop € 2.915 aan loonheffing is ingehouden.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is

a. of de werkzaamheden van belanghebbende in Suriname zijn verricht in het kader van een onderneming en een bron van inkomen vormen;

b. of de schulden welke belanghebbende heeft aangegaan vóór de invoering van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 vallen onder de oude regeling van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

c. of de uitzondering van de aftrekbeperking op de door belanghebbende betaalde rente van toepassing is,

welke vragen belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Voorts heeft de Inspecteur nog de vraag opgeworpen of het door belanghebbende ingestelde hoger beroep wel ontvankelijk is wegens een mogelijke termijnoverschrijding.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot nihil.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Overwegingen omtrent het geschil

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

6.1. De bestreden uitspraak is gedagtekend 23 juni 2009 en op die datum aan partijen verzonden. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde derhalve op dinsdag

4 augustus 2009. Het hoger beroepschrift is gedagtekend 1 augustus 2009 en op 6 augustus 2009 bij het Hof ingekomen. De enveloppe waarmee het hoger beroepschrift is verzonden is door TNT Post afgestempeld op 5 augustus 2009.

6.2. De termijn voor het indienen van een hoger beroepschrift bedraagt zes weken na de uitspraak van de rechtbank. Een hoger beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van die termijn door het Hof is ontvangen. Bij verzending per post is een hoger beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn door het Hof is ontvangen.

6.3. De omstandigheid dat de afstempeling door TNT Post heeft plaatsgevonden op

5 augustus 2009 sluit niet uit dat het hoger beroepschrift niet later dan op dinsdagavond

4 augustus 2009, derhalve vóór het einde van de termijn, ter post is bezorgd. Nu de Inspecteur niet heeft gesteld dat het hoger beroepschrift pas na 4 augustus 2009 ter post is bezorgd maar dit uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten door op te merken dat hij niet kan beoordelen of het hoger beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, dient naar het oordeel van het Hof belanghebbende het voordeel van de twijfel te worden gegund. Het Hof gaat er derhalve van uit dat belanghebbende het hoger beroepschrift uiterlijk op dinsdagavond 4 augustus 2009 ter post heeft bezorgd, zij het wellicht na de laatste postlichting van die dag.

6.4. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve ontvankelijk.

Overige geschilpunten

6.5. Met betrekking tot de overige geschilpunten (zie 4.1, a, b en c) heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als "eiser" en de Inspecteur als "verweerder" :

"3.7. Met betrekking tot de door hem geclaimde renteaftrek heeft eiser gesteld dat hij van 1997 tot 2002 bedrijfsmatige activiteiten heeft ontplooid in Suriname. In dat kader is hij diverse leningen aangegaan bij zijn vader en zijn broer onder andere voor de aanschaf van grond, een woning met bedrijfsruimte en een drietal graafmachines. In 2002 heeft eiser, naar hij stelt, deze activiteiten moeten staken wegens tegenvallende resultaten. De rente heeft volgens eiser betrekking op deze leningen en eiser wenst deze daarom - naar de rechtbank begrijpt - als een (nagekomen) bedrijfslast in mindering te brengen op zijn belastbare inkomen.

3.8. Verweerder bestrijdt dat eiser een onderneming heeft gedreven. Naar aanleiding van een ambtshalve herbeoordeling van eisers aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 heeft verweerder geconcludeerd dat de activiteiten in Suriname geen bron van inkomen vormden. Gezien de aard van de activiteiten viel er redelijkerwijs geen winst te verwachten. Eiser was voor een groot gedeelte afhankelijk van vrijwillige bijdragen van derden. Daarnaast heeft eiser voor de jaren 1997 tot en met 2001 geen winstaangifte ingediend en heeft hij ook in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen geen winst uit onderneming of inkomsten uit werkzaamheden die niet in dienstbetrekking zijn verricht, aangegeven. Voorts staat eiser bij de Belastingdienst niet bekend als ondernemer.

3.9. De rechtbank stelt voorop dat voorafgaande aan de vraag of het in geschil zijnde bedrag als (nagekomen) bedrijfslast in aanmerking kan worden genomen, de vraag moet worden beantwoord of de werkzaamheden van eiser die hij in Suriname heeft verricht een bron van inkomen vormden, en zo ja, of hij met betrekking tot deze werkzaamheden als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) kan worden aangemerkt.

3.10. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. onder meer Hoge Raad 14 oktober 2005, nr. 40.244, BNB 2006/54) is sprake van een bron van inkomen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

3.11. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat er in de jaren 1997 tot en met 2001 ter zake van de door hem ontplooide activiteiten in Suriname - welke activiteiten blijkens de overgelegde jaarrekening 1998 bestonden uit het realiseren van sociale projecten - sprake was van een bron van inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Uit de door eiser overgelegde jaarrekening 1998 van "[A]" blijkt dat eiser in 1998 een bedrijfsverlies van ƒ 39.963,-- heeft geleden. Gesteld noch gebleken is dat het de andere jaren beter is gegaan. Eerder blijkt van het tegenovergestelde, nu eiser vanwege de slechte resultaten aanleiding heeft gezien de activiteiten in 2002 te staken, waarbij hij naar zijn zeggen is blijven zitten met een aanzienlijke schuldenlast. Mitsdien is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiser redelijkerwijs (objectief bezien) kon verwachten per saldo (na aftrek van alle toerekenbare kosten) met de in Suriname verrichte activiteiten voordeel te behalen. Hieruit volgt dat deze activiteiten geen bron van inkomen vormden.

3.12. Verder heeft eiser gesteld dat de inspecteur van de afdeling Ondernemingen na kennisname van door eiser overgelegde bewijsstukken heeft geconcludeerd dat eiser kwalificeerde als ondernemer. Voor zover eiser hiermee heeft bedoeld te stellen dat bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat hij kwalificeerde als ondernemer, overweegt de rechtbank dat eiser zulks, tegenover de betwisting door verweerder, evenmin aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft hiervoor geen enkel bewijs aangebracht.

3.13. Nu niet aannemelijk is geworden dat de werkzaamheden van eiser in Suriname als bron van inkomen heeft te gelden, kan het in de aangifte opgevoerde bedrag aan rente niet als een nagekomen bedrijfslast in aanmerking worden genomen. Daar sinds de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 er ook geen mogelijkheid meer bestaat om rente in aftrek te brengen als persoonlijke verplichting, heeft eiser derhalve geen recht op renteaftrek. De rechtbank overweegt nog ten overvloede dat overigens ook de omvang van de schulden niet is komen vast te staan en dat evenmin aannemelijk is geworden dat eiser in het onderhavige jaar, 2004, tot een bedrag van € 12.738 aan rente heeft betaald."

6.6. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op de door haar gebezigde gronden een juiste beslissing genomen. Het verhandelde ter zitting geeft het Hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

6.7. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, voorzitter, J.J.J. Engel en H.J. van den Steenhoven, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 19 mei 2010 in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.