Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5254

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
200.023.455/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning en omgang; opzettelijk vertragen van de procedure? Geen schade aan de belangen van het kind of van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 maart 2010

Zaaknummer : 200.023.455/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-5798

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J. Mulder, kantoorhoudende te Rotterdam,

tegen

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.P. Hoyng, kantoorhoudende te IJmuiden.

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. E.G.S.N. Asselbergs,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

Als instantie wiens advies voor de beoordeling van de belangen van de minderjarige noodzakelijk kan zijn is opgeroepen:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 15 januari 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 oktober 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De man heeft op 26 augustus 2009 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De moeder heeft op 6 oktober 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 13 juli 2009, 20 juli 2009 en 18 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brieven van 12 juni 2009 en 1 december 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 3 februari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder en de man, bijgestaan door hun advocaten, en de bijzondere curator, vergezeld van haar stagiaire mevrouw [achternaam]. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is vervangende toestemming aan de man verleend tot erkenning van de hierna te noemen minderjarige. Voorts is een omgangsregeling vastgelegd en is bepaald dat de moeder binnen een week na de dag van de beschikking een foto van de minderjarige en de informatie van het consultatiebureau aan de man toezendt. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige], en de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige]. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de verwekker is van [de minderjarige].

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en subsidiair, indien het hof van oordeel is dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar beroep dan wel dat haar beroep dient te worden afgewezen, te bepalen dat de raad voor de kinderbescherming een adviesrapport over de omgang zal opmaken alvorens het hof over de omgang beslist.

3. De man bestrijdt haar beroep.

4. In incidenteel appel verzoekt de man de moeder te veroordelen tot nakoming van de in de bestreden beschikking opgenomen omgangsregeling, op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat zij deze niet nakomt.

5. De moeder verweert zich daartegen.

De ontvankelijkheid van de moeder in het principale beroep

6. De man stelt primair dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het principale beroep.

Hij voert daartoe aan dat zij zich schuldig maakt aan misbruik van procesrecht door de procedure te rekken om zo de omgang tussen de man en [de minderjarige] te frustreren. Zij heeft immers pas op 10 juli 2009 de stukken uit de eerste aanleg overgelegd, terwijl zij dat al bij het instellen van het appel op 15 januari 2009 had kunnen en behoren te doen, aldus de man.

7. Het hof overweegt het volgende. Met zijn stelling beroept de man zich op de in artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vervatte verplichting van partijen om tegenover elkaar onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen. Uit het bepaalde in artikel 34 Rv volgt dat de appellant verplicht is alle stukken uit de eerste aanleg over te leggen, maar de wetgever heeft geen tijdstip genoemd waarop de stukken uiterlijk moeten zijn ontvangen en heeft geen sanctie gesteld op late indiening. Artikel 1.2.6 van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven bepaalt dat bij het beroepschrift alle stukken uit de eerste aanleg moeten worden gevoegd. Uit artikel 1.2.7 van het procesreglement volgt, dat zolang niet alle stukken uit de eerste aanleg zijn overgelegd, de zaak niet in behandeling genomen zal worden. De moeder heeft op 15 januari 2009 haar beroepschrift ingediend en daarbij de stukken uit de eerste aanleg gevoegd, behoudens het inleidend verzoekschrift en het proces-verbaal van de zitting. Uit de correspondentie van het hof blijkt dat het hof bij brieven van 11 juni 2009 aan de moeder en aan de man de ontvangst van het beroepschrift heeft bevestigd en aan de moeder heeft gevraagd het inleidend verzoekschrift en het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank over te leggen. Bij fax van 18 juni 2009 heeft de moeder uitstel gevraagd voor het overleggen van de stukken. De man heeft hiertegen bij fax van 19 juni 2009 bezwaar gemaakt. Het hof heeft de moeder uitstel verleend voor het overleggen van de stukken tot 31 juli 2009. Zij heeft het inleidend verzoekschrift op 13 juli 2009 overgelegd en het proces-verbaal van de zitting op 20 juli 2009. Het hof is van oordeel dat de hier geschetste feitelijke gang van zaken niet de conclusie rechtvaardigt, dat de moeder de procedure onredelijk heeft vertraagd. De grief van de man faalt. Terzijde merkt het hof op, dat de rechtbank de verzoeken van de man in eerste aanleg heeft toegewezen en haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Het vertragen van de procesgang in hoger beroep zou dan ook niet de omgang gefrustreerd kunnen hebben.

Beoordeling van het principaal appel

8. De stellingen van de moeder komen kort gezegd neer op het volgende. De mogelijkheid dat de man [de minderjarige] erkent en daarna een verzoek om gezamenlijk gezag doet maakt de moeder bang. Zij ervaart veel stress en de spanningen van de moeder hebben hun weerslag op [de minderjarige]. De keren dat omgang heeft plaatsgehad reageerde [de minderjarige] niet goed. Zij was na de omgang steeds erg van slag en sliep slecht. De moeder acht de man volstrekt onbekwaam om omgang met [de minderjarige] te hebben, voornamelijk omdat zij vreest dat hij zijn afspraken niet na zal komen, en zij meent dat omgang voorlopig niet in het belang van [de minderjarige] is. Verder wil zij dat de raad eerst onderzoek doet voordat het hof over de omgang beslist.

9. De man betwist de stellingen van de moeder. Een onderzoek door de raad acht de man weinig zinvol; het zal de voortgang van de procedure alleen maar vertragen, aldus de man.

10. De bijzondere curator heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat haar visie op het geheel niet is veranderd. Zij is, net als in eerste aanleg, van mening dat erkenning door de man voor [de minderjarige] belangrijk is en ziet aan erkenning geen reële risico’s voor de belangen van [de minderjarige] of van de moeder verbonden.

Over de erkenning

11. In een procedure tot verkrijging van vervangende toestemming komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Door de rechter zullen het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is daarbij in de wet nader omschreven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind. Er is slechts sprake van schade aan de belangen van het kind, indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Bij de afweging van de belangen dient in aanmerking te worden genomen dat het bij het reële risico noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, alsmede dat de na de verkregen toestemming gedane erkenning in principe onomkeerbaar is.

12. Het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat door erkenning haar belangen bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige], dan wel de belangen van [de minderjarige] zelf, worden geschaad. Naar het hof zelf ter terechtzitting heeft geconstateerd bestaan er tussen de moeder en de man spanningen en verloopt de communicatie tussen hen beide moeizaam. Aannemelijk is dat de moeder psychische (angst)klachten heeft en dat [de minderjarige] dit opmerkt. Naar het oordeel van het hof kan aan deze omstandigheden echter niet de verwachting worden ontleend, dat er ten gevolge van de erkenning voor [de minderjarige] reële risico’s zijn dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Evenmin is hiermee aannemelijk geworden, dat erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] zal schaden. De tegen de toestemming voor de erkenning gerichte grieven van de moeder falen.

Over de omgang

13. Bij de beoordeling van een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling, moet uitgangspunt zijn dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Bij bezwaren van de andere ouder tegen de omgang moet worden beoordeeld of een of meer in de wet genoemde ontzeggingsgronden bestaan. Deze gronden hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.

14. Het hof acht zich op dit moment nog onvoldoende voorgelicht om over de omgang te kunnen beslissen. Het hof verzoekt de raad, zo nodig door middel van proefcontacten, te onderzoeken of omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige], zijn bevindingen aan het hof te rapporteren en op basis van die bevindingen het hof te adviseren. Het staat de raad vrij naar aanleiding van zijn bevindingen te doen wat hem goeddunkt; zo nodig kunnen de moeder en de man worden doorgeleid naar een Omgangshuis. Het hof zal de zaak aanhouden tot de hierna genoemde datum.

Beoordeling van het incidenteel appel

15. De man stelt in incidenteel appel dat de moeder moet worden gedwongen de omgangsregeling na te komen, aangezien zij dat tot op heden categorisch heeft geweigerd en alle processuele middelen heeft aangegrepen om de procedure zo lang mogelijk te rekken, terwijl omgang met haar vader in het belang van [de minderjarige] is.

16. Aangezien het hof nu nog niet beslist over de omgang, zal ook de beslissing op het verzoek van de man in incidenteel appel worden aangehouden.

17. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover deze betreft de vervangende toestemming tot erkenning;

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen naar de omgang zoals hiervoor in rechtsoverweging 13 is uiteengezet en daaromtrent rapport en advies uit te brengen;

houdt de behandeling aan tot de zitting van zaterdag 29 mei 2010 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2010.