Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5073

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
BK-09-00596
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Partijen houdt het antwoord op de vragen verdeeld of het eindheffingsregime terecht is toegepast en of het anoniementarief met juistheid naar 130,4 percent is gebruteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00596

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 2 april 2010

in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende] B.V. te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden (kantoor

's-Gravenhage), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 juni 2009, nummer AWB 07/6096 LB/PVV, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 14 juni 2005 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is geen griffierecht geheven.

1.4. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 447.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 februari 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. De zaak is tegelijk behandeld met de zaak met kenmerk BK-09/00595 betreffende de naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 en de daarbij bij beschikking opgelegde boete. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd geldt tevens als aangevoerd en overgelegd in de andere zaak.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende exploiteert een glazenwasserij- en schoonmaakbedrijf. Voor de uitvoering van de werkzaamheden van de onderneming heeft belanghebbende personeel in dienst. Daarnaast maakt belanghebbende gebruik van de diensten door derden.

3.2. Op 7 maart 2003 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de loonbelasting en de premie volksverzekeringen. Dat onderzoek heeft geleid tot het "Rapport inzake een ingesteld boekenonderzoek bij [belanghebbende] B.V." d.d. 14 juni 2005 (hierna: het controlerapport). In de tijd van het onderzoek waren bij de onderneming ongeveer 48 werknemers in dienst. Het onderzoek heeft onder meer het controleren van de identiteitsbewijzen van de werknemers omvat.

3.3. In het controlerapport is onder meer het navolgende vermeld:

"(...)

Inhoudingsplichtige heeft vanaf aanvang boekenonderzoek tot datum rapport de gelegenheid gekregen om de ontbrekende identiteitsbewijzen aan te leveren. Hier heeft inhoudingsplichtige dan ook gebruik van gemaakt. Desondanks zijn niet alle ontbrekende identiteitsbewijzen aangeleverd. De ontbrekende identiteitsbewijzen heb ik in onderstaande tabel opgenomen.

(...)

De inhoudingsplichtige heeft van onderstaande personen geen geldig document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht.

(...)

Het gevolg is dat de inhouding van de verschuldigde loonheffing in bovengenoemde gevallen had dienen plaats te vinden tegen het zogenoemde 'anoniementarief'. In 1999 en 2000 bedroeg dit tarief 60%. Vanaf 2001 bedraagt dit tarief 52%. Voor zover dit achterwege is gebleven leg ik de naheffingsaanslag op.

(...)

In de onderhavige kwestie acht ik het aannemelijk dat de werknemers werkzaam zijn geweest op basis van brutoloonafspraken. De naheffing bereken ik (enkelvoudig per werknemer) met toepassing van het tarief als bedoeld in artikel 26b van de Wet loonbelasting (zgn. anoniementarief). Het voor de werknemer ontstane voordeel, als bedoeld in de laatste volzin van artikel 31(4) wordt, voor de jaren 2000 t/m 2003, ten tijde van het opleggen van de onderhavige naheffing, derhalve in het jaar 2005, in de belastingheffing betrokken. Het voordeel ten aanzien van het jaar 1999 (aanslag ter behoud van rechten) werd reeds in 2004 in de belastingheffing betrokken.

(...)

Bij brutoloonafspraken wordt een geïndividualiseerde naheffingsaanslag opgelegd. In de jaren 2004 en 2005 vormen deze bedragen een nieuw loonbestanddeel. Hierover hef ik, met toepassing van het tabeltarief 'eindheffing voor anonieme werknemers', na volgens de onderstaande berekening.

(...)

Van werknemer [A] is een voorloper van de huidige verblijfsvergunning (25-10-1988) aanwezig. Werkgever dient aan bovengenoemde werknemer naar een geldige verblijfsvergunning te vragen. Kan werknemer deze niet tonen dan dient op zijn loon het anonieme tarief te worden toegepast. Het fiscale nummer [xxxx.xx.xxx] van werknemer [B] hoort toe aan een andere persoon. Werkgever dient aan bovengenoemde werknemer naar een geldige verblijfsvergunning te vragen. Kan werknemer deze niet tonen dan dient op zijn loon het anonieme tarief te worden toegepast. Het fiscale nummer [xxxx.xx.xxx] van [C] hoort toe aan een andere persoon. Deze persoon is wel meegenomen in de naheffing, omdat hij verwijtbaar niet voldoet aan de Wet op de identificatieplicht."

3.4. In het controlerapport is vermeld dat met betrekking tot acht werknemers geen identiteitsbewijzen in de administratie zijn opgenomen en ten aanzien van vijf werknemers wel afschriften van geldige paspoorten in de administratie zijn opgenomen maar dat, gelet op het feit dat het gaat om niet-ingezetenen van de Europese Unie, die paspoorten geen documenten zijn in de zin van de Wet op de identificatieplicht. Met betrekking tot deze werknemers heeft de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de verschuldigde loonheffing met toepassing van het anoniementarief van 130,4 percent vastgesteld op € 153.560. De naheffingsaanslag is opgelegd voor het verschil tussen de verschuldigde belasting/premie en de reeds ingehouden belasting/premie en vanuit het oogpunt dat de nageheven belasting/premie niet door belanghebbende op de betrokken werknemers zou worden verhaald.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt het antwoord op de vragen verdeeld of het eindheffingsregime terecht is toegepast en of het anoniementarief met juistheid naar 130,4 percent is gebruteerd, welke vragen belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij, zodra haar was gebleken dat de van haar nageheven loonheffing het gevolg was van het feit dat zij haar werknemers niet op juiste wijze had geïdentificeerd, de Inspecteur terstond ervan op de hoogte heeft gesteld die belasting/premie te zullen verhalen op de desbetreffende werknemers. Op een inhoudingsplichtige rust slechts een beperkte onderzoeksplicht met betrekking tot onder meer naam, adres en woonplaats van zijn werknemers. Alles heeft belanghebbende in het werk gesteld om woon- of verblijfplaatsen te achterhalen teneinde de verschuldigde belasting/premie op de desbetreffende werknemers te verhalen. De onmogelijkheid van verhaal is buiten de invloedssfeer van belanghebbende gelegen. Daarom vormt de niet-verhaalde belasting/premie geen loon. Het eindheffingstarief moet worden gesteld op 108,3 percent in plaats van op 130,4 percent, omdat de verzekeringsplicht voor de sociale verzekeringen ontbreekt.

4.3. De Inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende door niet aan haar identificatieverplichting te voldoen zich in de positie heeft gebracht waarin verhaal van verschuldigde doch niet-ingehouden loonheffing niet mogelijk is. In een dergelijke omstandigheid dient de naheffingsaanslag te worden opgelegd onder het eindheffingsregime. Belanghebbende heeft nagelaten maatregelen te nemen om tot verhaal te kunnen overgaan. Daarom kon en mocht worden aangenomen dat belanghebbende uiterlijk op het moment van de naheffing de nageheven loonheffing voor haar rekening heeft genomen. Bij het anoniementarief van 52 percent bedraagt voor de eindheffing het gebruteerde tarief 130,4 percent (2005). Belanghebbende heeft naar eigen zeggen de verblijfstitel van de werknemers bij indiensttreding gecontroleerd en uit de aanwezige loonbelastingverklaringen en de boekhouding blijkt dat de desbetreffende werknemers premie Ziekenfondswet verschuldigd waren.

4.4. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verder verwezen naar de stukken van het geding.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1. De last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting door de Inspecteur aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de mogelijkheid van verhaal feitelijk bestond, rust op belanghebbende als inhoudingsplichtige. Belanghebbende heeft naar 's Hofs oordeel niet aan die bewijslast voldaan. Daartoe overweegt het Hof dat belanghebbende de bevindingen uit het controlerapport als zodanig niet, althans niet afdoende, heeft bestreden, terwijl het Hof ook geen aanleiding ziet aan die bevindingen te twijfelen. Gelet ook op die bevindingen, is belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat zij de belasting/premie in een later tijdvak - doch uiterlijk in het tijdvak waarin de naheffingsaanslag is opgelegd - dan dat van de uitbetaling van het loon niet voor haar rekening heeft genomen. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij een feitelijke mogelijkheid tot verhaal heeft gehad. Daarbij komt dat belanghebbende heeft nagelaten te voldoen aan de (uit de wet voortvloeiende) identificatieplicht door met betrekking tot een reeks van werknemers structureel geen kopieën van identiteitsbewijzen in de boekhouding op te nemen en te bewaren, welke plicht geldt vanaf het moment dat de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt. Door die verplichting ten aanzien van de desbetreffende werknemers te negeren heeft belanghebbende zich in een positie gemanoeuvreerd die het haar onmogelijk maakte de benodigde kopieën van identiteitsbewijzen van deze werknemers alsnog te verwerven en de identiteit en verblijfplaatsen van de werknemers vast te leggen, en waarin de kans op verhaal van de verschuldigde doch niet ingehouden loonheffing op die werknemers tot nihil is afgenomen. Aan een serieus verhaalsonderzoek door belanghebbende heeft het ontbroken. Onder de gegeven omstandigheden is de naheffingsaanslag terecht onder toepassing van het eindheffingsregime opgelegd. Belanghebbende heeft met hetgeen zij in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan daarover anders is te oordelen.

5.2. Met betrekking tot de toepassing van het onder het eindheffingsregime naar 130,4 percent gebruteerde anoniementarief heeft belanghebbende evenmin feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt, op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de naheffingsaanslag ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag is opgelegd dan wel dat de Inspecteur tegenover belanghebbende bij het vaststellen van de hoogte van de naheffingsaanslag niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht of anderszins dat de belasting/premie in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is nageheven. Uit de loonbelastingverklaringen en uit de boekhouding van belanghebbende blijkt dat de desbetreffende werknemers premie Ziekenfondswet zijn verschuldigd, zodat het percentage van 130,4 juist is berekend en toegepast. In elk geval behoort de omstandigheid dat door de gebreken in de boekhouding van belanghebbende de identiteit dan wel de verblijfstitel van de desbetreffende werknemers niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld, voor rekening en risico van belanghebbende te komen, en kan zulks niet leiden tot een lager tarief.

5.3. Het vorenstaande voert het Hof tot de conclusie dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

6. Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 2 april 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.